Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AY3898

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
142293 - KG ZA 06-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen misbruik van executiebevoegdheid. Dat de kosten die de gemeente heeft moeten maken om de executie tot stand te brengen exorbitant hoog zijn opgelopen, alsmede dat de waarde van de woonwagen met een bedrag van € 10.000,-- is gedaald, zijn omstandigheden die in de risicosfeer van eiser zelf liggen. Indien eiser de maatregelen zou hebben genomen die hij behoorde te nemen, dan was de situatie niet geëscaleerd tot de huidige proporties, die op zichzelf als bizar moeten worden gekenschetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 142293 / KG ZA 06-320

Vonnis in kort geding van 29 juni 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] en verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [adres]

eiser,

procureur mr. R.M. Kerkhof,

advocaat mr. N.A.M. Sinjorgo te Breda,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OSS,

zetelend te Oss,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Liebrand.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "de gemeente" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. [eiser] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van [eiser] heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties, genummerd 1 tot en met 6.

1.3. De procureur van de gemeente heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met twee producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] huurde in 1993 van de gemeente Oss een standplaats met voorzieningengebouwtje aan de [adres] (hierna: de standplaats) tegen een huurprijs van € 115,88 per maand. Op deze standplaats bevond zich een aan [eiser] in eigendom toebehorende woonwagen.

2.2. [eiser] heeft een huurachterstand laten ontstaan van acht maanden, waardoor per juni 2003 sprake was van een achterstand voor een totaalbedrag van € 927,04.

2.3. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 24 juli 2003, aan [eiser] betekend op 24 oktober 2003, heeft de kantonrechter van deze rechtbank:

- de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbonden;

- [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de standplaats, met machtiging van de gemeente voor het geval [eiser] met de ontruiming in gebreke zou blijven, die ontruiming zelf te doen bewerkstelligen op kosten van [eiser] en des nodig met behulp van de sterke arm;

- [eiser] veroordeeld aan de gemeente te voldoen een bedrag van € 1105,33, alsmede de wettelijke rente over een bedrag van € 927,04 vanaf 11 juli 2003 tot de dag der voldoening;

- [eiser] veroordeeld tot betaling aan de gemeente van een bedrag van € 115,88 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [eiser] de standplaats niet heeft ontruimd;

- [eiser] in de proceskosten veroordeeld.

2.4. Bij brief van 5 maart 2004 heeft de gemeente aan [eiser] laten weten dat zij tot executie van voornoemd vonnis zou overgaan.

2.5. Op 6 april 2004 is ten verzoeke van de gemeente een bevel tot ontruiming en tot betaling gedaan aan [eiser]. De vordering van de gemeente bedroeg op dat moment

€ 3.021,89.

2.6. Op 28 april 2004 heeft de gemeente de woonwagen met toebehoren in (executoriaal) beslag genomen. De woonwagen is hierbij gedemonteerd, afgevoerd en in bewaring gegeven. De opslagkosten bedragen ongeveer EUR 1.500,-- per maand. Door de demontage is de waarde van de woonwagen in ieder geval al met EUR 10.000,-- gedaald.

2.7. De totale vordering van de gemeente op [eiser] is inmiddels opgelopen tot meer dan EUR 100.000,--.

2.8. Op 4 mei 2004 heeft de gemeente [eiser] de openbare verkoop van de woonwagen aangezegd.

2.9. Bij brief van 3 juni 2005 heeft [eiser] aan de gemeente te kennen gegeven dat hij bereid is een bedrag van € 10.000,00 aan de gemeente te betalen tegen teruglevering van de woonwagen en finale kwijting voor hemzelf en zijn gezin, onder voorbehoud dat geen andere schade aan de woonwagen en de inboedel is ontstaan, dan die welke uit het door de gemeente aan [eiser] toegezonden taxatierapport blijkt. Bij brief van 20 januari 2006 heeft de gemeente aan [eiser] laten weten dat zij niet akkoord gaat met dit voorstel.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - na wijziging van eis - , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) de gemeente te bevelen (de voorbereidingen van) de executoriale verkoop te staken en gestaakt te houden;

2) de gemeente te bevelen de gelegde executoriale beslagen op te heffen;

3) de gemeente te gebieden opnieuw een huurovereenkomst aan te gaan met [eiser] ten aanzien van de onderhavige standplaats en de gedemonteerde woonwagen daar terug te plaatsen;

4) de gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] legt hieraan ten grondslag dat de gemeente met de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 24 oktober 2003, misbruik maakt van executiebevoegdheid.

Volgens [eiser] doet executie van dat vonnis aan zijn zijde een noodtoestand ontstaan. Immers, voor hem zal een aanzienlijke restschuld overblijven die hij niet kan voldoen.

Bovendien staan de kosten die de gemeente heeft gemaakt en nog steeds maakt voor het treffen van de executiemaatregelen -inmiddels is de vordering van de gemeente opgelopen tot een bedrag van meer dan € 100.000,00- in geen enkele verhouding tot de hoogte van de oorspronkelijke vordering van de gemeente op [eiser]. Gelet hierop kon de gemeente naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar executiebevoegdheid komen. Daarbij komt dat de waarde van de woonwagen door de demontage met € 10.000,-- is gedaald. Een en ander had kunnen en moeten worden voorkomen door de woonwagen op de standplaats (executoriaal) te verkopen.

Ten slotte valt niet uit te sluiten dat de gemeente de haar gegeven executiebevoegdheid voor een ander doel heeft gebruikt dan waartoe deze haar gegeven is. Wellicht dacht de gemeente met de ontstane huurachterstand een aanknopingspunt te hebben om van [eiser] met zijn strafrechtelijke achtergrond af te komen en heeft zij uit dien hoofde de executie op deze wijze laten plaatsvinden.

3.3. De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de bevoegdheid heeft tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2003. Ten aanzien van de uitoefening van die bevoegdheid heeft de gemeente alle vrijheid. Daarop kan slechts dan een uitzondering worden aanvaard wanneer en voorzover de gemeente misbruik van die bevoegdheid maakt.

4.2. In het algemeen is sprake van misbruik van executiebevoegdheid wanneer de gemeente die bevoegdheid uitoefent met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval zij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen haar belang bij de executie enerzijds en het belang van [eiser] dat daardoor zou worden geschaad anderzijds, naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar executiebevoegdheid kan komen (artikel 3:13, lid 2 BW).

4.3. In de jurisprudentie is misbruik van executiebevoegdheid aanwezig geacht in het geval dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust, of als de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4. Gesteld noch gebleken is dat het vonnis van de kantonrechter op een feitelijke of juridische misslag berust. Evenmin is sprake van na het vonnis van de kantonrechter voorgevallen of aan het licht gekomen feiten op grond waarvan de executie van dit vonnis

bij [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan. Dat [eiser] als gevolg van de executie wellicht een aanzienlijke restschuld zal hebben jegens de gemeente, kan op zichzelf nog niet als een noodtoestand in vorenbedoelde zin worden beschouwd, terwijl - thans - evenmin valt in te zien dat en op welke wijze die restschuld tot een noodtoestand aan de zijde van [eiser] zal leiden.

4.5. De stelling van [eiser] dat de gemeente haar bevoegdheid gebruikt om van [eiser] af te komen en aldus voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, heeft [eiser] op geen enkele wijze onderbouwd, zodat zulks in dit geding geenszins aannemelijk is geworden en als louter speculatief dient te worden aangemerkt.

4.6. Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat de gemeente de exorbitant hoge executiekosten had kunnen en moeten voorkomen door de woonwagen op de standplaats zelf openbaar te verkopen in plaats van deze te demonteren, af te voeren en op te slaan bij een derde, overweegt de rechter dat de gemeente hiertegen naar voren heeft gebracht dat een openbare verkoop op de standplaats zelf voor haar geen optie was, daar zij hierbij naar verwachting grote tegenwerking zou ondervinden van de familieleden van [eiser], die in hetzelfde woonwagenkamp woonachtig zijn. Dit zou de hoogte van de executieopbrengst niet ten goede gekomen zijn, zo stelt de gemeente.

De rechter merkt op dat [eiser] zich weliswaar op het standpunt heeft gesteld dat die verwachting onterecht is aangezien de familieleden van [eiser] juist blij zijn als een ander de standplaats inneemt nu de familiebanden met [eiser] verre van optimaal zijn, maar dat hij heeft niet weersproken de stelling van de gemeente dat hoewel er een wachtlijst bestaat voor het huren van een standplaats, alle gegadigden hebben aangegeven af te zien van het huren van de voormalige standplaats van [eiser] vanwege de tegenwerking die zij (zeggen te) ervaren van diens familieleden. Vooralsnog is de rechter van oordeel dat de gemeente niet onredelijk heeft gehandeld door zich op het standpunt te stellen dat een openbare verkoop op de standplaats zelf geen mogelijkheid was. Gesteld noch gebleken is dat er overigens nog alternatieven waren voor de gemeente om het vonnis van de kantonrechter ten uitvoer te leggen.

4.7. Dat de kosten die de gemeente bijgevolg heeft moeten maken om de executie tot stand te brengen exorbitant hoog zijn opgelopen, alsmede dat de waarde van de woonwagen met een bedrag van € 10.000,-- is gedaald, zijn omstandigheden die in de risicosfeer van [eiser] zelf liggen. Immers, [eiser] heeft voldoende gelegenheid gehad om tot betaling van de huur(achterstand) over te gaan en eveneens om zelf voor ontruiming en opslag van de woonwagen te zorgen. Dat hij immer gedetineerd was maakt zulks niet anders. Dit geldt te meer daar [eiser], hoewel gedetineerd, blijkens zijn als productie 6 in het geding gebrachte brief aan de gemeente van 3 juni 2005, op enig moment kennelijk wel in staat was om een bedrag van € 10.000,-- te betalen aan de gemeente. Bovendien ligt het feit dat hij wegens een strafrechtelijke veroordeling rechtens van zijn vrijheid is beroofd in zijn risicosfeer; dat hij wellicht moeilijkheden ondervindt in de communicatie met derden die een en ander feitelijk zouden moeten uitvoeren, komt dus voor zijn risico. In ieder geval kan dat een en ander [eiser] niet hebben belet de nodige maatregelen te nemen, die hij had behoren te nemen. Indien hij die maatregelen zou hebben genomen, dan was de situatie niet geëscaleerd tot de huidige proporties, die op zich zelf inderdaad als bizar moeten worden gekenschetst.

4.8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de gemeente naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar executiebevoegdheid heeft kunnen komen. Van misbruik van executiebevoegdheid is, voorshands oordelend, dan ook geen sprake. Mitsdien zullen de vorderingen onder 1) en 2) worden afgewezen.

4.9. Met de gemeente is de rechter van oordeel dat de vordering onder 3) iedere grondslag ontbeert. Voor zover [eiser] wellicht heeft bedoeld te betogen dat deze vordering moet worden gezien als een strekkende tot schadevergoeding in natura, wordt geoordeeld dat die reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat de middels de executie ontstane schade voor rekening en risico van [eiser] zelf dient te komen, aangezien, zoals hierboven overwogen, de gemeente rechtens geen verwijt van haar handelen en de daardoor ontstane schade valt te maken. Ook de vordering onder 3 zal derhalve worden afgewezen.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 1.064,00, waarvan € 816,00 salaris procureur en € 248,00 vast recht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2006.