Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AX9319

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/3421
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of rechtens kan worden aanvaard dat verweerder heeft besloten tot terugvordering van het bedrag van € 6.637,21 van eiseres.

In een verordening vastgelegd terugvorderingsbeleid in het kader van de WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/3421

Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2006

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. I.H.M. Hest,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde drs. E.M. Vrijsen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres herzien over de periode van 1 januari 2004 tot en met 13 december 2004. Bij dit besluit is tevens besloten over te gaan tot terugvordering van het in die periode teveel betaalde bedrag ad € 6.789,34 en tot terugvordering van een nog openstaand bedrag ad € 8.752,08. Na verrekening van het vakantiegeld resteert een vordering van verweerder op eiseres ad € 15.389,29.

Het door eiseres gemaakte bezwaar tegen bovengenoemd besluit is door verweerder bij besluit van 18 oktober 2005 deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Verweerder heeft erkend dat het eerdergenoemde bedrag ad € 8.752,08 niet meer openstaat, zodat een vordering ad € 6.637,21 resteert. Dit laatste bedrag wordt van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft bij schrijven van 25 oktober 2005 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van 25 april 2006, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 10 mei 2006 met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek heropend en de zaak naar een meervoudige kamer verwezen. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld nadere uitleg te geven omtrent het door hem toegepaste terugvorderingsbeleid. Verweerder heeft bij brief van 18 mei 2006 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 1 juni 2006, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of rechtens kan worden aanvaard dat verweerder heeft besloten tot terugvordering van het bedrag van € 6.637,21 van eiseres.

2. Het standpunt van eiseres laat zich als volgt verwoorden. Zij betoogt dat het beleid van verweerder inzake terugvordering niet tevens een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inhoudt. Het beleid komt er volgens haar op neer dat er altijd wordt teruggevorderd en derhalve dat het gebruik maken van de bevoegdheid niet terug te vorderen illusoir is. Uit het bestreden besluit blijkt volgens eiseres wel dat in dit concrete geval is getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar niet op welke manier verweerder hieraan heeft getoetst. Zij meent dat er sprake is van schending met het vertrouwensbeginsel omdat verweerder niet direct de door haar opgegeven inkomsten op haar uitkering heeft gekort. Verweerder heeft verzuimd te toetsen of eiseres redelijkerwijze kon weten dat zij te veel ontving. Bovendien acht eiseres het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het bedrag dat wordt teruggevorderd tot stand is gekomen. Het is eiseres niet duidelijk waar het verschil tussen de niet door haar opgegeven bedragen en het uiteindelijke teruggevorderde bedrag uit voortvloeit.

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4. Verweerder heeft bij het gebruik maken van deze bevoegdheid gehandeld overeenkomstig de in zijn gemeente geldende Afstemmings- en Fraudeverordening WWB – 2005 (hierna AFV). In artikel 9, eerste lid, van de AFV is bepaald dat de kosten van bijstand worden teruggevorderd in de gevallen welke in de artikelen 58 en 59 van de wet zijn aangegeven, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat van terugvordering kan worden afgezien indien:

a. het terug te vorderen bedrag lager is dan een door het college nader vast te stellen bedrag; b. hiertoe een dringende reden aanwezig is.

Verweerder heeft in zijn beslissing op bezwaar en ter zitting voorts aangegeven dat de terugvordering daarnaast wordt getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft in zijn uitspraak van 8 november 2005, LJN: AU5973 (JWWB: 2005 nr. 476) ten aanzien van een gelijksoortig terugvorderingsbeleid geoordeeld dat met hantering van een dergelijk beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste wijze invulling heeft gegeven aan de bevoegdheid die ontleend wordt aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

6. Eiseres stelt dat verweerder nader inzicht had moeten verschaffen in de wijze waarop getoetst is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In bezwaar is echter niets door eiseres aangevoerd wat geïnterpreteerd kan worden als een mogelijke schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het staat vast dat eiseres verweerder wel heeft ingelicht over een deel van de door haar ontvangen gelden, doch tevens dat zij niet alle relevante informatie aan verweerder heeft doorgegeven. Dat verweerder niet adequaat heeft gereageerd op de in augustus 2004 door eiseres verstrekte aanslag van de belastingdienst d.d. 16 augustus 2004 (waarin onder meer melding wordt gemaakt van een haar toegekende alleenstaande ouderkorting ad € 1.381,00) heeft niet tot gevolg dat de terugvordering in strijd zou komen met (bijvoorbeeld) het zorgvuldigheids- of het vertrouwensbeginsel. In dit verband wordt opgemerkt dat eiseres pas op de eind oktober 2004 ingeleverde periodieke verklaring voor het eerst heeft ingevuld dat zij € 400,00 aan voorlopige teruggaaf van de belastingdienst had ontvangen, terwijl reeds op 16 augustus 2004 in dat kader een bedrag van € 408,00 op haar bankrekening was bijgeschreven. De rechtbank volgt verweerder derhalve in zijn standpunt dat er geen sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

7. Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering. Desalniettemin zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen, nu verweerder bij dit besluit niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe men tot de hoogte van het terug te vorderen bedrag is gekomen. De bijgevoegde berekeningen van verweerder zijn zonder nadere gegevens en uitleg oncontroleerbaar. Eiseres heeft reeds in de bezwaarfase aangegeven dat voor haar niet inzichtelijk was hoe de berekening van verweerder tot stand was gekomen, mede omdat zij niet over alle stukken beschikte. Verweerder heeft bij zijn beslissing op bezwaar op deze klacht in het geheel niet gereageerd. Het lag op de weg van verweerder om hier nader inzicht in te verschaffen, nu deze de beschikking had en heeft over de gegevens waarop de berekening is gebaseerd. Verweerder heeft derhalve verzuimd zijn beslissing op bezwaar afdoende te motiveren. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van het hierboven overwogene.

8. Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat eiseres op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden, met name met betrekking tot het door verweerder gevoerde terugvorderingsbeleid, ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien eiseres zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank onherroepelijk komt vast te staan, zal zij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

9. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• 1/2 punt voor het verschijnen op een volgende zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

10. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Eindhoven aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 37,00 dient te worden vergoed.

11. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Eindhoven aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 37,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00;

- wijst de gemeente Eindhoven aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als voorzitter en mr. B.A.J. Zijlstra en mr. M.G.P.A. Burghoorn als leden in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2006.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: