Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AX5948

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2006
Datum publicatie
30-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/3771
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BB4050, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit terecht rekening is gehouden met de (helft van de) bijstandsnorm voor gehuwden.

Temporele werking geldt ook bij het bepalen van de hoogte van de aflossingscapaciteit in het kader van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/3771

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2006

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. P.G.J. Raaijmakers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2005 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat voor haar met ingang van 1 februari 2005 een aflossingsbedrag is vastgesteld van € 196,00 per maand.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 25 september 2005 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep op een zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 10 mei 2006 gesloten.

Overwegingen

1. In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 25 september 2005 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20 %. Verweerder heeft de uitkering met ingang van 1 maart 1999 ingetrokken. Voorts heeft verweerder de uitkering over de periode van 1 juli 1994 tot en met 28 februari 1999 herzien. Op grond van de herziening heeft verweerder een bedrag van € 22.629,44 aan onverschuldigd betaalde bijstand van eiseres teruggevorderd. Ten einde het aflossingsbedrag vast te stellen heeft verweerder eiseres bij brief van 27 september 2004 verzocht financiële gegevens te overleggen. Op grond van het door eiseres ingevulde inlichtingenformulier debiteurenonderzoek van 27 oktober 2004 en de overige door verweerder verkregen informatie heeft verweerder besloten met ingang van 1 februari 2005 een maandelijks aflossingsbedrag van € 196,00 vast te stellen, welk besluit in bezwaar is gehandhaafd.

4. Aan het bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit terecht rekening is gehouden met de (helft van de) bijstandsnorm voor gehuwden. Volgens verweerder staat, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 mei 2003 (00/5105 NABW, 00/5106 NABW en 00/5107 NABW), vast dat eiseres en mevrouw [medebewoner] (hierna: [medebewoner]) op 1 maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a van de WWB. Voorts stelt verweerder dat, nu [medebewoner] op 1 februari 2005 onveranderd in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) is ingeschreven op het adres van eiseres, ingevolge het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onder a van de WWB een onweerlegbaar rechtsvermoeden bestaat dat eiseres en [medebewoner] op de datum in geding nog steeds een gezamenlijke huishouding voeren. Verweerder stelt gelet hierop geen verdere onderzoeksplicht te hebben.

5. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert aan dat verweerder bij de berekening van het aflossingsbedrag rekening had moeten houden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Eiseres stelt dat weliswaar is vastgesteld dat zij op 1 maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met [medebewoner] doch dat dat op de datum in geding niet meer aan de orde is. De relatie tussen eiseres en [medebewoner] en de manier waarop zij de woning delen is in sterke mate veranderd. Eiseres geeft in dit verband aan dat [medebewoner] een kamer in haar woning huurt, dat [medebewoner] daarom in het GBA op haar adres is ingeschreven en dat er inmiddels tussen hen een kostgangersovereenkomst is opgesteld. Eiseres geeft aan dat zij van deze overeenkomst een afschrift heeft verstrekt aan verweerder. Verder is eiseres van mening dat verweerder in het kader van de vaststelling van het aflossingsbedrag ten onrechte een beroep doet op het rechtsvermoeden van artikel 3, tweede lid, onder a van de WWB en voor zover dit artikellid van toepassing zou zijn, de termijn van twee jaar is verstreken. Verweerder had de situatie dan ook opnieuw moeten beoordelen. Tenslotte verzoekt eiseres om vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van de ten onrechte reeds afgeloste bedragen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. Uit dit artikellid volgt dat het bestuursorgaan voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding slechts hoeft aan te tonen dat sprake is van het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf. Een onderzoek naar de wederzijdse verzorging kan in dergelijke gevallen achterwege blijven.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op zijn stelling dat een onderzoek naar de wederzijdse verzorging tussen eiseres en [medebewoner] achterwege heeft kunnen blijven, omdat tussen eiseres en [medebewoner] reeds eerder onherroepelijk een gezamenlijke huishouding is vastgesteld en zij op de datum in geding nog immer op hetzelfde adres in het GBA zijn ingeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee echter ten onrechte voorbij gezien aan de – in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB – neergelegde temporele werking. Immers, met het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt voorkomen dat een gezamenlijke huishouding, die in een (veel) verder verleden is vastgesteld, alsnog kan worden aangegrepen om wederzijdse verzorging zonder nader onderzoek aanwezig te achten wanneer betrokkenen zich (weer of nog steeds) in één woning vestigen. Hoewel de - in dit artikel expliciet vermelde - termijn van twee jaar te rekenen is voorafgaande aan de aanvraag om bijstand, ziet de rechtbank niet in dat deze temporele werking niet ook dient te gelden bij het bepalen van de hoogte van de aflossingscapaciteit in het kader van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand, zoals in het onderhavige geval. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat dit artikel is opgenomen in hoofdstuk 1, paragraaf 1.1, van de WWB, getiteld ‘begripsbepalingen’.

9. Nu de vaststelling van de gezamenlijke huishouding ingevolge de uitspraak van de CRvB van 26 mei 2003 ziet op een datum, die is gelegen meer dan twee jaar voor de datum in geding, te weten 1 februari 2005, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB kunnen concluderen tot het bestaan van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [medebewoner]. Door een nader onderzoek met betrekking tot de wederzijdse verzorging na te laten is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ontbeert het een deugdelijke motivering.

10. Gelet op bovenstaande overwegingen is het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Nu de rechtbank verweerder zal opdragen een nieuw besluit te nemen, zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen, omdat thans nog niet vaststaat of en zo ja, in welke mate eiseres schade heeft geleden. Verweerder zal in het nieuwe besluit hieromtrent moeten beslissen.

11. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

12. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Helmond aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 37,00 dient te worden vergoed.

13. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst af het verzoek tot schadevergoeding;

- gelast de gemeente Helmond aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst de gemeente Helmond aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. Y.J. Klik, als voorzitter, en mr. M.P.G.A. Burghoorn en mr. P.P.M. van der Burgt, als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2006.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: