Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AX1465

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
12-05-2006
Zaaknummer
Awb 05 / 2472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie op grond van Regeling delegatie Stichting Fonds MKZ-AI:de betrokken onderneming dient afgezien van de vogelpestepidemie voldoende overlevingskansen te hebben.Bij de beoordeling hiervan is niet slechts de liquiditeitspositie op een bepaald peilmoment van belang maar die over enige jaren.Analyse van gegevens uit het verleden en rekening houden met genomen maatregelen voor de toekomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/2472

Uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2006

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eiseres,

[gemachtigde]

tegen

[verweerder]

[gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2004 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om subsidie op grond van de Regeling delegatie Stichting Fonds MKZ-AI (hierna: de Regeling).

Het hiertegen door eiseres ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van

30 juni 2005 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. Dit beroep is behandeld ter zitting van 10 maart 2006, waar eiseres is verschenen in de persoon van [gemachtigde]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is het besluit van verweerder van 30 juni 2005 augustus 2005, waarbij de bezwaren van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om haar subsidie op grond van de Regeling toe te kennen, ongegrond zijn verklaard.

2. Op de datum van de aanvraag, 28 juni 2004, had eiseres een pluimveebedrijf met drie stallen voor 110.000 batterijleghenplaatsen. Het bedrijf is ter bestrijding van de vogelpestepidemie op 29 april 2003 preventief geruimd. Op 25 september 2003 is een stal herbevolkt, een tweede stal op 18 december 2003. De derde stal is niet herbevolkt omdat de inrichting uit de stal was verwijderd. Zonder pestepidemie had eiseres die stal, naar eigen zeggen, nog voor één ronde benut. Eiseres heeft de totale schade in haar aanvraag berekend op een bedrag van ? 172.000,00, terwijl verweerder uitkomt op een bedrag van ? 100.425,00.

3. Mede op basis van het door verweerders financieringsspecialist opgesteld beoordelingsmemorandum van 17 december 2004 heeft verweerder zijn primaire afwijzing van het subsidieverzoek gebaseerd op de vaststelling dat op basis van de huidige bedrijfsopzet geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf en derhalve niet wordt voldaan aan de in het beleid op dit punt neergelegde voorwaarde.

Uitgaande van de door eiseres aangedragen begroting heeft verweerder zijn beslissing op bezwaar onderbouwd met een aan die begroting aangepaste hernieuwde liquiditeitsberekening. Zo zijn de lagere accountantskosten, de vervallen personeelskosten en de energie- en mestkosten volledig overgenomen. Verder is door verweerder voor de voerwinst een hoger bedrag aangehouden dan waarvan eiseres uit is gegaan. Anderzijds zijn, met instemming van eiseres, ontbrekende posten als het leasen van pluimveerechten, de laadkosten en de stamrechtverplichtingen, wel in de nieuwe liquiditeitsberekening meegenomen. Ondanks dat zodoende zoveel mogelijk van de voor eiseres meest positieve cijfers is uitgegaan, is nog steeds sprake van een negatieve liquiditeitsontwikkeling van

? 19.000,00. Volgens verweerder betekent dit dat niet van een levensvatbaar bedrijf kan worden gesproken.

4. Eiseres heeft hier tegenin gebracht dat verweerder bij de berekening van het bedrijfsinkomen ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van ? 88.000,00 voor afschrijvingen. Bij de berekening van de afschrijving wordt immers aansluiting gezocht bij het aantal dierplaatsen, en wel ten bedrage van ? 1,00 per dierplaats. Het aantal dierplaatsen in 2003 was 84.000, met dien verstande dat een deel daarvan werd geleasd. Aangezien op geleasde dierplaatsen niet wordt afgeschreven, ziet de levensvatbaarheid van het bedrijf er beter uit dan verweerder heeft doen voorkomen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling van 12 maart 2004 (Staatscourant 15 maart 2004, nr. 51) - voor zover hier van belang - kan op aanvraag subsidie worden verstrekt aan ondernemers in de agrarische sector en ondernemers in het midden- en kleinbedrijf die uitsluitend als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de op 28 februari 2003 uitgebroken Aviaire Influenza-epidemie en gegeven de omvang van hun inkomensverlies en de draagkracht van de onderneming, zodanig ernstig getroffen zijn dat zij de bedrijfsvoering noch op eigen kracht noch met behulp van door de rijksoverheid of andere overheden getroffen voorzieningen, met uitzondering van de voorziening getroffen in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 kunnen voortzetten.

De betrokken ondernemingen dienen derhalve, afgezien van de vogelpestepidemie, voldoende overlevingskansen te hebben. De tegemoetkoming is niet bedoeld als compensatie voor inkomens- en omzetverlies als gevolg van de vogelpestepidemie. De ondernemer moet het oogmerk hebben de onderneming voor de duur van ten minste drie jaar voort te zetten. De subsidie bedraagt per ondernemer minimaal ? 4.500,00 en maximaal ? 100.000,00.

7. De stelling van eiseres dat verweerder bij zijn diverse liquiditeitsberekeningen van het verkeerde bedrag voor afschrijvingen, namelijk van ? 88.000,00 in plaats van ? 60.000,00, is uitgegaan, is pas in het beroepschrift en derhalve te laat aangevoerd. De aard en de strekking van de regeling waarop het in geschil zijnde besluit is gebaseerd brengen immers met zich dat het op de weg van eiseres ligt aannemelijk te maken dat haar liquiditeitspositie als voldoende positief kan worden aangemerkt. Daartoe verstrekt zij verweerder met haar aanvraag een veelheid aan uiteenlopende gegevens. Indien en voorzover eiseres naar aanleiding van het genomen primaire besluit van mening mocht zijn dat de door haar aangeleverde informatie onjuist is gebruikt of geïnterpreteerd, en dus aanvulling behoeft, dan biedt de bezwaarprocedure haar daartoe de gelegenheid. Op het moment dat deze procedure is afgerond, mag en moet ervan uit kunnen worden gegaan dat verweerder over voldoende informatie beschikt om tot een gefundeerde beslissing te komen. Met gegevens, dan wel de interpretatie daarvan, die ná de beslissing op bezwaar te berde zijn gebracht, kan in gevallen als deze dan ook geen rekening worden gehouden. De rechtbank laat deze grief derhalve buiten beschouwing.

8. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de aldus bepaalde omvang van de gegevens op goede gronden heeft mogen concluderen dat het bedrijf van eiseres onvoldoende overlevingskansen heeft. Daarbij is van betekenis dat, in verband met bovenweergegeven criterium dat het bedrijf ook zonder vogelpestepidemie voldoende overlevingskansen dient te hebben, niet slechts de liquiditeitspositie op een bepaald peilmoment wordt vastgesteld, maar de liquiditeitsontwikkeling over enige jaren in kaart wordt gebracht. Gegevens uit het verleden worden geanalyseerd om vast te kunnen stellen of voor de pestepidemie aan de betalingsverplichtingen kon worden voldaan, terwijl voor de toekomst rekening wordt gehouden met ten aanzien van aanwezige bedrijfsproblemen genomen maatregelen, zodat een beeld ontstaat van de structurele liquiditeitspositie van het bedrijf. Verweerder heeft deze benadering op correcte wijze op de situatie van het bedrijf van eiseres toegepast en is op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat sprake is van een reeds enige jaren voortschrijdende negatieve liquiditeitsontwikkeling. Dat verweerder als criterium voor het bepalen van de liquiditeit bepalend acht het antwoord op de vraag of een bedrijf voldoende inkomsten genereert om de onttrekkingen te kunnen dekken, komt de rechtbank als een realistisch en niet onredelijk uitgangspunt voor. Dat verweerder onder onttrekkingen in dit verband tevens verstaat onttrekkingen ten behoeve van privé-uitgaven is evenmin onredelijk.

9. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

10. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. W.P.C.G. Derksen en mr. J.H.G. van den Broek als leden in tegenwoordigheid van mr.drs. J.J.M. Goosen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2006.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden:

1

AWB 05/2472 3

uitspraak