Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AW4336

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
119316 - HA ZA 04-2660
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een vervolg op het tussenvonnis inzake een drietal incidentele vorderingen van 30-11-2005 (gepubliceerd).

Aan de orde is de vraag of en wanneer de verzettermijn is aangevangen door een daad van bekendheid met het verstekvonnis, gepleegd door de staat Bangladesh. De rechtbank oordeelt dat het lezen van (de Engelse vertaling van) het verstekvonnis en het vervolgens inroepen van rechtsbijstand, daden zijn waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat Bangladesh op dat moment bekend was met de hoofdinhoud van het vonnis. Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 119316 / HA ZA 04-2660

Vonnis in incident en in de hoofdzaak van 26 april 2006

in de zaak van

de vreemde mogendheid

VOLKSREPUBLIEK BANGLADESH,

gevestigd te Dacca, Bangladesh,

opposante in de hoofdzaak,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

verweerster in de incidenten inzake verzettermijn en zekerheidsstelling,

procureur mr. J.E. Lenglet,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TULIP COMPUTERS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

geopposeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het bevoegheidsincident,

eiseres in de incidenten inzake verzettermijn en zekerheidsstelling,

procureur mr. P.C.M. van der Ven.

Partijen zullen hierna Bangladesh en Tulip genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 30 november 2005;

- de akte uitlaten zijdens Bangladesh van 25 januari 2006;

- de akte uitlaten zijdens Tulip van 25 januari 2006;

- de antwoordakte uitlaten zijdens Bangladesh van 22 februari 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in de incidenten

2.1. Op 30 november 2005 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen in deze zaak, waarin sprake is van een drietal zogenoemde incidentele vorderingen. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in het onderhavige geschil en dat door Bangladesh derhalve niet met succes de exceptie van onbevoegdheid kan worden ingeroepen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het verzoek van Tulip om zekerheidsstelling als bedoeld in artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet kan worden ingewilligd. In het derde incident, te weten het beroep van Tulip op overschrijding van de verzettermijn door Bangladesh, heeft de rechtbank partijen verzocht zich bij akte uit te laten over de hierna te noemen punten.

2.2. De rechtbank heeft Bangladesh in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het al dan niet aanwezig zijn van bijzondere omstandigheden die het vermoeden kunnen weerleggen dat aan de brief van mr. Bron-Slis van 19 september 2003 een daad van bekendheid van de staat Bangladesh is voorafgegaan. De rechtbank heeft daarbij aangegeven het van belang te achten inzage te verkrijgen in de faxbrief van 15 september 2003, waarnaar in de brief van 19 september 2003 is verwezen.

2.3. De rechtbank heeft Tulip in de gelegenheid gesteld haar stelling, dat vóór 20 september 2004 verzet is gedaan tegen de exequaturverlening en dat in dit verzet besloten ligt dat Bangladesh zelf bekend was met het Nederlandse verstekvonnis, bij akte nader te onderbouwen.

2.4. Bangladesh heeft bij akte van 25 januari 2006 het navolgende aangevoerd.

Bangladesh stelt dat de heer Kabir bin Anwar (indertijd de First Secretary bij de Bengaalse ambassade) telefonisch contact opnam met mr.Van Eck, notaris bij Loyens & Loeff, omdat hem door de Bengaalse ambassadeur was verzocht uit te zoeken wat men aan moest met een schriftelijk stuk, bevattende de Engelse vertaling van het verstekvonnis van 14 mei 2003. De heer Anwar heeft het stuk vervolgens op verzoek van mr. Van Eck op 15 september 2003 per fax verstuurd aan mr. Van Eck, die het ter behandeling heeft doorgeleid naar zijn kantoorgenote mr. Bron-Slis. In de begeleidende brief bij de fax schrijft de heer Anwar: "With reference to our telephone discussion, faxing herewith the copies of the verdict of the court 's-Hertogenbosch for further investigations and necessary action at your end." Hierop is de faxbrief van 19 september 2003 gevolgd.

Bangladesh meent dat in deze gang van zaken geen daad van bekendheid met het vestekvonnis door Bangladesh is gelegen. Bangladesh wijst er op dat in dit geval, anders dan in de zaken waarover werd geoordeeld in de arresten van de Hoge Raad van 18 november 1966 (NJ 1967,34) en het Hof Den Haag van 24 november 1967 (NJ 1968, 428) waarnaar de rechtbank heeft verwezen, geen sprake is van een kennelijke instructie van de client aan de raadsman om rechtsmiddelen in te stellen. In die zaken werd verondersteld dat een dergelijke instructie een daad van bekendheid was. Van een dergelijke instructie is hier evenwel in het geheel geen sprake, aldus Bangladesh, die kwam pas veel later. Het opsturen van een vonnis of een vertaling daarvan met het verzoek te kijken wat het is en wat er eventueel moet worden gedaan, is niet een daad waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat Bangladesh op dat moment bekend is geweest met de hoofdinhoud van het vonnis. Uit de vraagstelling in de brief van 15 september 2003 blijkt eerder het tegendeel, aldus Bangladesh. Als productie heeft Bangladesh overgelegd de faxbrief van 15 september 2003 met als bijlage daarbij de Engelse vertaling van het verstekvonnis van 14 mei 2003.

2.5. Door Tulip is geen antwoordakte genomen.

2.6. De rechtbank overweegt als volgt.

2.7. Door Bangladesh zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het vermoeden kunnen weerleggen dat aan de brief van mr. Bron-Slis van 19 september 2003 een daad van bekendheid van de staat Bangladesh is voorafgegaan. Integendeel, uit de door Bangladesh naar voren gebrachte feiten en de overgelegde productie 19 blijkt het volgende. De Bengaalse ambassade beschikte op 15 september 2003 over een Engelse vertaling van het volledige verstekvonnis van 14 mei 2003. Men heeft dit stuk gelezen en stappen ondernomen ter verkrijging van rechtsgeleerd advies en bijstand, door eerst telefonisch contact op te nemen met mr. Van Eck en hem vervolgens in de brief van 15 september 2003 niet alleen te vragen om het stuk te onderzoeken, maar ook om de noodzakelijke handelingen te verrichten. Het lezen van (de vertaling van) het verstekvonnis en het vervolgens inroepen van rechtsbijstand zijn naar het oordeel van de rechtbank daden waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat Bangladesh op dat moment bekend was met de hoofdinhoud van het vonnis. Het moge zo zijn dat voor Bangladesh na lezing van het vertaalde vonnis nog een aantal zaken onduidelijk was, bijvoorbeeld of het mogelijk was rechtsmiddelen in te stellen, maar dit doet er niet aan af dat Bangladesh bekend was met de hoofdinhoud van het vonnis. Uit de vertaling die men heeft gelezen blijkt immers duidelijk wanneer, door welk gerecht, op wiens vordering en waartoe Bangladesh is veroordeeld.

2.8. Ingevolge het bepaalde in artikel 143 lid 2 Rv heeft de termijn van acht weken waarbinnen door Bangladesh verzet moest worden gedaan een aanvang genomen op het moment van deze daden van bekendheid door Bangladesh. De rechtbank gaat voor deze daden van bekendheid uit van de datum 15 september 2003. De verzetdagvaarding van 15 november 2004 is ruim een jaar later en derhalve niet binnen de daarvoor gestelde termijn van acht weken uitgebracht. De rechtbank zal daarom beslissen tot niet-ontvankelijkheid van het verzet. De vordering in het incident van Tulip zal in zoverre worden toegewezen.

2.9. De stelling van Tulip, dat vóór 20 september 2004 verzet is gedaan tegen de exequaturverlening en dat in dit verzet besloten ligt dat Bangladesh zelf bekend was met het Nederlandse verstekvonnis, door Tulip nader onderbouwd bij akte van 25 januari 2006, behoeft hier daarom geen bespreking.

3. De beoordeling in de hoofdzaak

Gelet op hetgeen is geoordeeld in het incident omtrent de overschrijding van de verzettermijn, zal de rechtbank direct uitspraak doen in de hoofdzaak en het verzet niet-ontvankelijk verklaren.

4. De proceskosten

Bangladesh zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de incidenten (en in de hoofdzaak) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Tulip worden begroot op:

- dagvaarding EUR 0,00

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.582,00

5. De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

5.1. wijst de incidentele vordering van Bangladesh inzake onbevoegdheid af,

5.2. wijst de incidentele vordering van Tulip inzake zekerheidsstelling af,

5.3. wijst de incidentele vordering van Tulip inzake overschrijding verzettermijn toe,

in de hoofdzaak

5.4. verklaart het verzet niet-ontvankelijk,

in de incidenten en in de hoofdzaak

5.5. veroordeelt Bangladesh in de proceskosten, aan de zijde van Tulip tot op heden begroot op EUR 1.582,00,

5.6. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, mr. I.L. Haverkate en mr. J.F.M. Pols en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2006.