Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AW3503

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
885036-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het tenlastegelegde. Er is weliswaar een belastende verklaring van medeverdachte, doch er is geen technisch bewijs waaruit direct voortvloeit dat verdachte ten tijde van het delict in de woning van het slachtoffer was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/885036-05

Uitspraakdatum: 25 april 2006

STRAFVONNIS

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1969,

wonende te (woonplaats), (adres),

thans verblijvende: P.I. Breda - HvB De Boschpoort te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 april 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 juli 2005.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 november 2005 aangepast en op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 18 april 2006 gewijzigd.

Na deze aanpassing en wijziging van de tenlastelegging wordt aan verdachte verweten dat hij:

1.

hij op of omstreeks 14 april 2005 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een televisiescherm en/of met zijn/hun

tot vuist gebalde hand(en) en/of met de vlakke hand(en) meermalen

(krachtdadig) tegen haar hoofd en/of haar bovenlichaam, althans tegen haar

lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke

vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van

diefstal van een geldbedrag van ongeveer 3.000 euro, althans een hoeveelheid

geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering

van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Wetboek van Strafrecht artikel 288)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

A. hij op of omstreeks 14 april 2005 te Maarheeze, gemeente Cranendonck,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet

en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, met een televisiescherm

en/of met zijn/hun tot vuist gebalde hand(en) en/of met de vlakke hand(en) die

[slachtoffer] meermalen (krachtdadig) tegen haar hoofd en/of haar bovenlichaam, althans

tegen haar lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(Wetboek van Strafrecht artikel 289/287)

en/of

B. hij op of omstreeks 14 april 2005 te Maarheeze, gemeente Cranendonck,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van

ongeveer 3.000 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(Wetboek van Strafrecht artikel 311/310)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 april 2005 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of zijn

mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een televisiescherm en/of met zijn/hun

tot vuist gebalde hand(en) en/of anderszins meermalen krachtdadig tegen haar

hoofd en/of een of meer andere delen van haar lichaam geslagen, (mede)

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(Wetboek van Strafrecht artikel 287)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en eist:

- gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, waartoe het navolgende wordt overwogen.

Er is geen technisch bewijs waaruit direct voortvloeit dat [verdachte] ten tijde van het delict in de woning van het slachtoffer [slachtoffer] was. Verder geldt dat de verklaringen van [medeverdachte] die [verdachte] aanwijst als zijn mededader en als degene die excessief geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer met de nodige behoedzaamheid moeten worden bezien, aangezien [medeverdachte] eerst heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde alleen heeft gepleegd, vervolgens heeft verklaard dat [verdachte] vrijwel geheel verantwoordelijk was voor het tenlastegelegde en tenslotte dat hij en [verdachte] samen geweld hebben gepleegd tegen het slachtoffer. Voorts ondersteunt het technisch bewijs veeleer niet dan wel de uiteindelijke verklaring van [medeverdachte] omtrent de rol die hij en [verdachte] hebben vervuld in de slaapkamer van het slachtoffer. Indien moet worden aangenomen dat de op het bed aangetroffen partikels afkomstig zijn van kunststoffen handschoenen dan duidt het technisch bewijs op (minstens) twee daders, te weten één dader die kunststoffen handschoenen droeg en één dader die gebreide handschoenen droeg. Anderzijds dwingt het bewijs daartoe niet.

De verklaring van [medeverdachte] dat hij de kunststoffen handschoenen droeg en zijn mededader gebreide handschoenen en dat hij, [medeverdachte], alleen geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer aan de rechterzijde van het bed en met die kunststoffen handschoenen kasten e.d. heeft doorzocht is niet in overeenstemming met het door de technische recherche aantreffen van genoemde partikels met DNA van [medeverdachte] onder het hoofd van het slachtoffer en onder de tv, links op het bed, en met het aantreffen van in bloed geplaatste handschoensporen met een breistructuur op onder meer een stijl van de deur van de kastenwand en op de binnenzijde van een laatje van het nachtkastje. Verder constateert de rechtbank dat de toedracht zoals de getuige-deskundige Deliën die ter terechtzitting als een op basis van het sporenbeeld aannemelijke toedracht heeft geschetst -waarbij onder meer aannemelijk wordt geacht dat het slachtoffer enige tijd met een bloedende hoofdwond op het bed heeft gelegen alvorens zij (al dan niet nogmaals) met de tv werd geslagen op een moment dat de trui al over haar hoofd was- niet overeenkomt met de door [medeverdachte] tijdens onder meer de reconstructie geschetste gang van zaken, dat in heel korte tijd al het geweld is uitgeoefend.

Verder is van belang dat [vriendin medeverdachte] weliswaar verklaart dat [medeverdachte] en [verdachte] meermalen hebben gesproken over de tante van [medeverdachte] en een overval in haar huis, doch [medeverdachte] nam hierbij volgens haar het initiatief en uit haar verklaringen valt evenzeer op te maken dat [verdachte] bedenkingen had.

Dat [verdachte] geen (sluitend) alibi heeft voor de ochtend van het delict is tegenover het

voorafgaande onvoldoende, hetgeen ook geldt voor het bewaren door [verdachte] van een geldbedrag voor [medeverdachte] en/of [vriendin medeverdachte].

DE UITSPRAAK

T.a.v. primair, subsidiair, meer subsidiair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. P.J.H. Van Dellen en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 25 april 2006.