Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AW3496

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
138924 - KG ZA 06-132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"EVEX. Erkenning vonnis of erkenning authentieke akte? Erkenning authentieke akte tegen anderen dan comparanten, met name rechtsopvolgers onder algemene titel. Betekenis beneficiaire aanvaarding. Rol executierechter".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138924 / KG ZA 06-132

Vonnis in kort geding van 12 april 2006

in de zaak van

1. [eiseres sub 1], [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 3], [woonplaats], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [eiseres sub 2],

3. [eiseres sub 3, woonplaats] (voor zichzelf),

4. de stichting STICHTING AIGRETTE, gevestigd te Vught,

eisers,

procureur mr. J.E. Benner,

advocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar Pools recht ORGANIKA CAR S.A., gevestigd te Lódz (Polen),

gedaagde,

procureur mr T.Segers.

Partijen zullen hierna afzonderlijk ook met hun naam (eiseres sub 2 met die van [eiseres sub 2] als materiële procespartij) worden aangeduid, eiseressen sub 1 en 2 gezamenlijk ook als: de dochters [S] en eiseres sub 3 voor zichzelf als: Moeder [S].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van eisers

- de pleitnota van Organika SA.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Inleiding, het geschil

2.1. In deze zaak doet zich het volgende voor:

2.1.1. Vader [S] was samen met gedaagde Organika ieder voor 50% aandeelhouder in de Poolse vennootschap "Dystrybutor Surowców Chemicznych Orchem" (hierna: Orchem). In mei 2001 werd vader [S] en Organika SA te rade dat vader [S] het 50%-aandelenbelang van Organika SA zou overnemen door aankoop van de door Organika SA in Orchem gehouden aandelen voor een prijs van 1,8 miljoen Poolse zloty's. Die overeenkomst is neergelegd in een onderhandse akte d.d. 14 mei 2001 (eisers, prod. 1.1; hierna ook: de onderhandse koopakte) waarin onder meer is bepaald (in de Nederlandse vertaling uit het Pools):

De prijs van de aandelen is bepaald ten bedrage van een miljoen achthonderdduizend zl. en wordt betaald:

- een miljoen zl. voor 31 mei 2001

- vijfhonderdduizend zl. niet later dan 31 juni 2001

- driehonderdduizend zl. in termijnen tot 31 december 2001

Op de dag van de ondertekening van deze overeenkomst onderwerpt de Koper zich aan een vrijwillige uitvoering uit het vermogen van "Orchem" middels een notariële akte tot genoemd bedrag, kosten van het sluiten van de overeenkomst en kosten van uitvoering.

Daags na de ondertekening van de onderhandse koopakte, op 15 mei 2001, liet vader [S] een notariële akte (eisers, prod. 1.2) opmaken waarbij slechts hij en een Poolse tolk compareerden en waarin hij verklaarde (in de Nederlandse vertaling uit het Pools door een Poolse beëdigd vertaalster):

§1. De comparant verklaart conform gesloten op 14 mei van dit jaar koopkontract betreffende verkoop van 500 (vijfhonderd) aandelen in de besloten vennootschap handelende onder firma ORCHEM- Dystrybutor Surowców Chemicznych" Spolka z ograniczona odpowiedzialnoscia (de laatse vier woorden in de Poolse taal naar de rechter begrijpt: de aanduiding van de rechtsvorm van Orchem) gevestigd te Lodz

§2. De comparant verplicht zich tot betaling aan de bovengenoemde besloten vennootschap van de onderstaande bedragen als koopprijs van de door haar verkochte aandelen:

- 1.000.000 (een miljoen zloty) in de termijn t/m 31 (eenendertig) mei dit jaar.

- 500.000 (vijfhonderd zloty) in de termijn t/m 31 (eenendertig) juni dit jaar.

en

- 300.000 (driehonderd zloty) in de termijn t/m 31 (eenendertig) december dit jaar.

en op dit gebied onderwerpt hij zich aan executoriale titel voortvloeiende uit art. 777 punt 4 van wetboek van Burgerlijke rechtsprocedure [Kodeks postpowania cywilnego].

Gedaagde, Organika SA, wordt in deze akte niet genoemd.

De eerste twee termijnen van de koopsom zijn kennelijk betaald; daarover bestaat geen geschil.

2.1.2 Vader [S] is op 25 september 2001 overleden, derhalve voordat de derde termijn voor de betaling van Zl. 300.000 was verstreken.

Bij testament had hij zijn twee minderjarige dochters, [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], op dat moment 13 en 12 jaar oud, tot enig erfgenaam benoemd en de erfdelen van deze kinderen tot hun 25e jaar onder bewind gesteld van de Stichting Aigrette. Ingevolge artikel 1:353 BW kon [eiseres sub 3] als wettelijke vertegenwoordigster van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] de nalatenschap niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving

NB: Het testamentaire bewind beperkt niet de bevoegdheid van de erfgenamen (in deze zaak: hun wettelijk vertegenwoordigster, [eiseres sub 3]) in de keus tussen zuiver aanvaarden, beneficiair aanvaarden of verwerpen, welke keus in deze zaak door hun minderjarigheid beperkt was tot het met machtiging van de kantonrechter verwerpen (waaromtrent niets is gesteld of gebleken) of niet.

Niets is gesteld of gebleken over de vraag of daadwerkelijk beneficiair is aanvaard op de wijze zoals was voorgeschreven in het in 2001 nog geldende artikel 4:1075 BW.

2.1.3. Vervolgens zijn de wettelijk vertegenwoordigster van de dochters, [eiseres sub 3] en/of de bewindvoerder over de nalatenschap, Aigrette, te rade geworden om de in die nalatenschap vallende schuld groot Zl. 300.000 van [vader S] aan Organika SA niet te voldoen, zulks omdat zij meenden dat [vader S] nader met Organika SA was overeengekomen dat die schuld op andere, hierna te bespreken wijze zou worden voldaan en was voldaan. Wel is, naar moet worden aangenomen: bevoegdelijk, namens [eiseressen sub 1 en 2] bewerkstelligd dat de aandelen die erflater in Orchem bezat (alle aandelen) in Polen op naam zijn gesteld van [eiseressen sub 1 en 2]. Inmiddels, zo deelden eisers ter zitting mee, zijn alle aandelen Orchem doorgeleverd aan een derde.

Het uitblijven van betaling heeft geleid tot de volgende gang van zaken:

a. Organika SA heeft op 14 maart 2003 aan de de kantonrechter te Lódz verzocht (eisers, prod. 3.1) om:

a1. aan de notariële akte van 15 mei 2001 een uitvoeringsclausule toe te kennen (naar de rechter begrijpt: daarop een vorm van exequatur te geven);

a2. met tegelijkertijd de aanwijzing dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] alsmede hun bewindvoerder Stichting Aigrette aan Organika SA de Zl. 300.000 dienen te betalen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2002 en kosten.

Ter onderbouwing van dat laatste onderdeel van het verzoek legde Organika SA onder meer over: een akte van overlijden en het testament van [vader S], alsmede een Nederlandse verklaring van erfrecht, uit welke stukken het erfgenaamschap van [eiseressen sub 1 en 2] bleek, en een uittreksel uit het Poolse handelsregister waaruit van de tenaamstelling van de aandelen op naam van [eiseressen sub 1 en 2] bleek.

b. Zonder [eiseressen sub 1 en 2] op te roepen (dat zou naar Pools recht voor een dergelijk verzoek niet nodig zijn) heeft de kantonrechter te Lódz in zijn beslissing d.d. 30 juni 2003 (eisers, prod. 3.2) het verzoek op grond van de overgelegde stukken in beide onderdelen toegewezen en voor wat betreft onderdeel a2 beslist (in de wederom wat stroeve vertaling door een Poolse beëdigd vertaalster):

"1. ...tegelijkertijd is het aan te merken, dat [eiseres sub 1], en [eiseres sub 2], voor wie en namens wie de Stichting Aigrette gevestigd te Sprang-Capelle, en te Vught, Nederland, op wie de schuldvordering van de schuldenaar [vader S] is overgegaan, dienden solidair aan aan "Organika-Car" Sp.A te Lodz het bedrag van 300.000 [driehonderdduizend zloty] te betalen vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2002 tot aan de dag van volledige betaling;

2. [eiseres sub 1], en [eiseres sub 2], solidair te veroordelen, voor wie en namens wie de Stichting Aigrette gevestigd te Sprang-Capelle handelt, tot betaling aan "Organika-Car" Sp.A. te Lodz, het bedrag van 1.729,40 (een duizend zevenhonderd negentwintig zloty en veertig groszy) als kosten van dit geding."

c. Op 19 juli 2004 is een Engelse vertaling van deze beslissing aan het adres van eisers in [woonplaats betekend (exploit van betekening is niet overgelegd). Naar Pools recht zou slechts binnen acht dagen na die betekening verzet tegen die beslissing kunnen worden ingesteld, hetgeen eisers, onwetend van die zeer korte verzettermijn, niet hebben gedaan.

d. Bij beschikking d.d. 16 februari 2005 (eisers, prod. 4.3) heeft de voorzieningrechter van deze rechtbank op grond van het Verdrag van Lugano (EVEX) aan Organika SA verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland verleend "van het vonnis van 30 juni 2003 van de Rechtbank te Lódz, Polen, tussen partijen gewezen".

e. Eisers zijn tegen dat verlof in verzet gekomen, blijkens de dagvaarding (eisers, prod. 4.4) op de gronden dat het verzoekschrift dat het geding in Polen dat is uitgemond in de beslissing van 30 juni 2003, heeft ingeleid, niet aan hen is betekend of medegedeeld en dat bij het verzoek tot tenuitvoerlegging in Nederland in strijd met artikel 46 EVEX een dergelijk inleidend stuk niet was overgelegd.

Bij vonnis d.d. 7 december 2005 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard met de motivering, zakelijk weergegeven, dat het hier om de tenuitvoerlegging van een authentieke akte ging en dat daarom ingevolge artikel 50 EXEX niet van belang was dat die akte op eenzijdig verzoek van Organika SA van executoriale kracht is voorzien.

Tegen het vonnis van 7 december 2005 hebben eisers geen beroep in cassatie ingesteld.

f. Thans heeft Organika SA de tenuitvoerlegging van het Poolse vonnis van 30 juni 2003 weer ter hand genomen door:

f1. op 31 januari 2006 het Poolse vonnis, het verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland en het vonnis houdende afwijzing van het daartegen ingestelde verzet aan alle (thans) eisers pro se (en derhalve niet in enige hoedanigheid) te betekenen met bevel om aan het Poolse vonnis te voldoen;

f2. op 20 februari 2006 executoriaal beslag te doen leggen op de onroerende zaak aan [adres] te [woonplaats], die uitsluitend eigendom is van [eiseres sub 3];

f3. op 14 maart 2006 executoriaal derdenbeslag te leggen onder de besloten vennootschap "Egret Investments BV" gevestigd te Vught op al hetgeen die vennootschap van (thans) eisers (wederom pro se en niet in enige hoedanigheid) onder zich heeft of aan hen verschuldigd is.

2.2. Eisers vorderen in dit kort geding - zakelijk weergegeven - schorsing van de executie van de bovenbedoelde notariële akte d.d. 15 mei 2001 en de beslissing d.d. 30 juni 2003 van de rechtbank te Lodz, Polen, en de reeds gelegde beslagen op te heffen.

Aan deze vordering leggen zij, naast hetgeen hierboven met betrekking tot de gang van zaken is gerelateerd, ten grondslag:

2.2.1. [vader S] en Organika SA kwamen met betrekking tot de betaling van de derde termijn nader het volgende overeen:

Ten tijde van het beëindigen van de samenwerking stonden er aan onbetaalde facturen (debiteuren) van Orchem van vóór 31 december 2000 Zl. 1.238.330 open. De heer [XXX] van Organika SA zou zorg dragen voor de incasso van die onbetaalde facturen. Organika SA zou 50% van de geïncasseerde bedragen krijgen. Dat bedrag zou in de plaats komen van de derde termijn van Zl. 300.000. Afhankelijk van het succes van haar incasso-inspanningen zou Organika SA uiteindelijk een veel hoger bedrag dan de 300.000 zlotich kunnen krijgen. Het uiteindelijk geincasseerde bedrag bleek slechts Zl. 415.964,32, waarvan de helft of Zl. 207.982,16 aan Organika SA toekwam. Betaling daarvan is door Organika SA geweigerd. Uiteindelijk hebben eisers de tegenwaarde van dat bedrag, ? 53.095,75, in januari 2006 betaald. Daarmee is het deel van de koopsom dat nog openstond, voldaan.

2.2.2. Organika is niet de begunstigde van de notariële akte van 15 mei 2001.

2.2.3. Organika SA legt de Poolse akte en uitspraken ten uitvoer tegen de verkeerde personen.

2.3. Organika SA heeft verweer gevoerd. Op de verdere standpunten over en weer zal hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Ingevolge artikel 29 EVEX staat de materiële juistheid van de beslissing van de rechter te Lódz d.d. 30 juni 2003 hier ten lande en in dit geding niet ter discussie.

Deze rechter kan daarom niet ingaan op de stellingen en betogen van eisers met betrekking tot de volgende aspecten van die beslissing:

- of Organika SA met betrekking tot de betaling van de derde termijn in schuldeisersverzuim is komen te verkeren (pleitnota, § 4);

- dat Organika SA niet de begunstigde is van of partij is bij de door de Poolse rechter uitvoerbaar verklaarde notariële akte van 15 mei 2001 (pleitnota, § 6);

- dat [eiseressen sub 1 en 2] door de Poolse rechter tot schuldenaren uit die akte zijn verklaard en dat Organika SA tegen hen een titel (in ieder geval naar Pools recht) heeft verkregen (pleitnota, §§ 7, 8 en 9)

- dat het Poolse verzoek van Organika SA dat leidde tot de beslissing van 30 juni 2003, zich richtte tegen de toen nog minderjarige [eiseressen sub 1 en 2] zelf als procespartij en niet tegen hun wettelijk vertegenwoordigster als formele (maar niet: materiële) procespartij.

3.2. Niet verwonderlijk is het beroep van eisers op EHRM 28 oktober 1998 (Pérez de Rade Cavanilles v. Spanje) voor hun standpunt (pleitnota, § 10) dat de verzettermijn van acht dagen tegen de beslissing van de rechter te Lódz, ingaande op de dag van betekening in Nederland, zo kort is dat die in strijd komt met artikel 6 van het EVRM. Maar om een dergelijk beroep gehonoreerd te krijgen zouden eisers eerst de nationale (in casu: de Poolse) rechtsmiddelen hebben moeten uitputten, hetgeen zij niet hebben gedaan.

Een dergelijk beroep kan niet in dit geding voor het eerst naar voren worden gebracht.

3.3. De beslissing van de rechter te Lódz d.d. 30 juni 2003 behelst twee aspecten, te weten:

a. een vorm van exequatur van de notariële akte van 15 mei 2001;

b. het uitspreken van een veroordeling ten gunste van Organika SA en ten laste van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], die allen bij die akte formeel geen partij waren.

3.3.1. Op grond van de onherroepelijke uitspraak d.d. 7 december 2005 in de verzetprocedure moet er in deze zaak van uit worden gegaan dat artikel 50 EVEX zich er niet tegen verzet dat een dergelijke vorm van nationaal exequatur, uitgesproken zonder oproeping van partijen bij die akte, in een andere Staat uitvoerbaar worden verklaard.

3.3.2. Niet verwonderlijk of geheel onbegrijpelijk is het standpunt van eisers dat bij autonome uitleg van het verdrag van Lugano (EVEX), los van wat in Polen op het punt van oproepingen geldt, de Rechtbank 's-Hertogenbosch in haar vonnis van 7 december 2005 ten onrechte ook ten aanzien van aspect b. van de Poolse beslissing een betekening of mededeling als bedoeld in artikel 27 sub 2 EVEX niet nodig achtte en dat de rechtbank huns inziens daarbij miskend heeft dat het uitspreken van een veroordeling tegen eisers die geen partij bij de notariële akte waren, niet wordt bestreken door artikel 50 EVEX, maar door artikel 26 en volgende EVEX.

3.3.3. Eisers hebben echter om hun moverende redenen er van afgezien om deze rechtsvraag, die zich bij uitstek daarvoor leent, in cassatie te doen beoordelen. Dan is deze rechter gebonden aan het oordeel dat de rechtbank in haar vonnis van 7 december 2005 daaromtrent heeft gegeven. De uitspraak van de rechter te Lódz d.d. 30 juni 2005 is mitsdien in zijn geheel voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar.

3.4. De uitspraak van de Poolse rechter, en de beslissingen in Nederland over de tenuitvoerlegging ervan alhier, gaan uitsluitend over de vraag welke verbintenissen tussen welke partijen uit de notariële akte van 15 mei 2001 voortspruiten en of de vaststelling van die verbintenissen ook in Nederland werking heeft.

Daarbij hebben noch de Poolse rechter, noch de rechters in Nederland zich uitgelaten over de vraag of de verbintenissen uit de akte en uit het meerbedoelde vonnis zijn nagekomen of niet. Dat stond in die procedures ook niet ter beoordeling. De procedures in Polen en Nederland betroffen immers uitsluitend de uitvoerbaarheid en erkenning in Nederland van de notariële akte van 15 mei 2001. Enige inhoudelijke toetsing was daarbij niet toegestaan. In dit executiegeschil kunnen eisers derhalve, zoals in elk executiegeschil, het verweer opwerpen dat de hen in die akte en vonnis opgelegde verbintenissen door hen zijn nagekomen (pleitnota, §§ 2 en 3).

Bij inhoudelijke beoordeling in kort geding faalt dat verweer .

3.4.1. De rechter moet op de betwisting daarvan door Organika SA ernstig betwijfelen of de "Uitleg bij § 4 van de aandelen koopovereenkomst" deel uitmaakt van de onderhandse koopovereenkomst. In het in het Pools gestelde origineel van die akte is deze "Uitleg" niet ondertekend of geparafeerd en opgesteld in een ander lettertype dan de onderhandse koopovereenkomst zelf.

3.4.2. Maar zelfs als veronderstellenderwijze wordt aangenomen dat die "Uitleg" daarvan deel uitmaakt, dan nog valt in die "Uitleg" slechts te lezen dat de betaling in termijnen van de laatste Zl. 300.000 zal geschieden naar gelang de debiteuren van vóór 31-12-2000 binnenstromen, waarbij 50% daarvan dan kennelijk meteen aan Organika SA zou moeten worden betaald. Op geen enkele manier vermag de rechter daarin te lezen dat als met die betalingen niet de volle Zl 300.000 worden gehaald, Organika SA afstand deed van het recht om op 31-12-2001 het restant op te vorderen.

3.4.3. In de notariële akte van 15 mei 2001 valt een dergelijke nadere afspraak evenmin te lezen.

3.4.4. In het "Memorandum of the Meeting of the Board" (eisers, prod. 1.3) aanvaarden [vader S] en Organika SA 50/50 verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor "receivables of 2000". Maar kennelijk gaat het hier vooral om de in § 2 van dat Memorandum afgesproken instandhouding van financiële garanties aan banken (voor wie de debiteuren tot zekerheid zullen hebben gestrekt). Begrijpelijk is dat als die debiteuren onvoldoende zijn om de instandgehouden bankkredieten te voldoen, partijen zich ieder voor de helft daarvoor aansprakelijk achten. Maar uit niets blijkt dat daarmee ook de betalingsverplichting van de Zl. 300.000 per 31-12-2001 opzij wordt gezet. Het Memorandum zegt daarover niets.

Daarbij verdient aandacht, dat het Memorandum dateert van daags vóór de notariële akte waarop de uitspraak van de rechter te Lódz ziet, en dat in die akte wel wordt verwezen naar de onderhandse koopovereenkomst van daags daarvoor maar niets wordt teruggenomen van de in die koopovereenkomst neergelegde betalingsverplichtingen.

3.4.5. De verklaring van [C] (eisers, prod. 1.4) betreft informatie "de auditu" en kan in dit kort geding op de formele grond dat deze nader onderzoek zou vereisen waarvoor een kort geding zich niet leent, onvoldoende gewicht in de schaal leggen.

3.4.6. De conclusie is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een nadere overeenkomst zoals door eisers gesteld en hiervoor onder 2.2.1 is weergegeven, tot stand is gekomen. Dan faalt ook het op een dergelijke nadere overeenkomst gegronde betoog van eisers dat de laatste termijn is betaald.

3.5. [eiseres sub 3] is nergens in de notariële akte of de beslissing van de rechter te Lódz van 30 juni 2003 als partij aangemerkt. Die akte en beslissing kunnen derhalve niet tegen haar ten uitvoer worden gelegd. Het verzoek tot tenuitvoerlegging in Nederland is terecht dan ook slechts tegen [eiseres sub 3] gericht in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [eiseres sub 2]. Ten onrechte heeft Organika SA op grond van deze beslissingen een executie tegen [eiseres sub 3] zelve aangevangen en beslag doen leggen op haar eigen onroerend goed. Betreurenswaardig genoeg hebben procureur en deurwaarder voor Organika SA daaraan meegewerkt.

Ter zitting gaf de procureur van Organika SA aan zulks ingezien te hebben en begin maart j.l. het beslag op de woning van [eiseres sub 3] reeds opgeheven te hebben en zulks telefonisch aan eisers te hebben bericht. Bewijs daarvan is nog niet voorhanden. Voor alle zekerheid zal de rechter dat beslag toch nog opheffen.

Voor de kostenveroordeling is nog van belang dat die opheffing zou hebben plaatsgevonden nadat de dagvaarding daartoe op 22 februari 2006 was uitgebracht.

Hetzelfde dient te geschieden met het nog op 14 maart 2006 (na dagvaarding in deze zaak) ten laste van [eiseres sub 3] pro se onder Egret Investments BV gelegde derdenbeslag op hetgeen zij uit eigen hoofde van die vennootschap te vorderen of ontvangen heeft.

3.6. Uit de uitspraak van de rechter te Lódz blijkt duidelijk dat de stichting Aigrette slechts als partij is aangemerkt in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de aan [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] toegevallen nalatenschap van [vader S].

Dat betekent dat ook de executie tegen de stichting Aigrette zich niet kan uitstrekken over haar eigen vermogen, maar slechts over vermogen van [eiseressen sub 1 en 2] dat zij ter uitoefening van haar beheerstaak in eigen naam onder zich heeft. Dergelijk vermogen zal zij te zijner tijd aan [eiseressen sub 1 en 2] hebben af te dragen en daarvoor kan Organika SA ten laste van [eiseressen sub 1 en 2] derdenbeslag onder de stichting Aigrette leggen (voor wat betreft de ook nu nog minderjarige [eiseres sub 2]: onder betekening van de beslagstukken aan haar wettelijk vertegenwoordigster, [eiseres sub 3] q.q.). Eventueel kan Organika SA ter incasso van hetgeen haar van [eiseressen sub 1 en 2] toekomt, van de stichting Aigrette daartoe nodige feitelijke beheersdaden afdwingen. Maar het beslag dat naar luid van het exploit van 14 maart 2006 is gelegd op de eigen vorderingen van de stichting Aigrette en van [eiseres sub 3] (immers: niet in enige hoedanigheid) op Egret Investments BV, behoort te worden opgeheven.

3.7. Uit de uitspraak van de rechter te Lódz en de motivering daarvan blijkt dat [eiseressen sub 1 en 2] uitsluitend aansprakelijk zijn geworden op de grond dat zij erfgenaam van [vader S] zijn. Daarmee is weliswaar de "schuld" van Vader, bestaande in de derde termijn van Zl. 300.000, op hen overgegaan, maar dat zegt nog niet alles over de "haftung", dat is: het vermogen waarop die schuld verhaald kan worden. Zulks is van belang gegeven dat de nalatenschap van [vader S] slechts aanvaard kan worden onder het voorrecht van boedelbeschrijving en bovendien nog in het belang van de beide erfgenamen onder bewind is gesteld.

Meer in het bijzonder de aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft ingevolge artikel 4:202 BW tot gevolg dat de nalatenschap moet worden vereffend op de wijze van Boek 4, titel 6, afdeling 3 BW en dat ingevolge de artikelen 4:214 en 4:223 BW de schuldeisers der nalatenschap slechts in de vereffening kunnen opkomen. Een en ander heeft tot gevolg dat ten deze sprake is van een vorm van afgescheiden vermogen en dat de schulden der nalatenschap slechts op dat vermogen kunnen worden verhaald door vereffening . De ingezette executie, die zich naar de vorm een dergelijke beperking niet oplegt, moet aldus worden beperkt. De [eiseressen sub 1 en 2] hebben daarbij ook belang daar zij buiten de nalatenschap van [vader S] ander vermogen kunnen bezitten of verkrijgen. In zoverre Organika SA reeds nu executeren wil op ander vermogen dan op de nalatenschap van [vader S], is de vordering van [eiseressen sub 1 en 2] tot schorsing van de executie gegrond. Opgemerkt wordt dat het praktisch belang van dit aspect van de zaak waarschijnlijk gering is, waar eisers ter zitting lieten doorschemeren dat de nalatenschap van [vader S] ruim voldoende is om de schulden, die van Organika SA daaronder begrepen, te kunnen voldoen. Uiteindelijk zal het er dan wel op neerkomen dat de dochters zuiver zullen aanvaarden en ook de schuld aan Organika, zo die inclusief de oplopende Poolse rente dan nog niet is voldaan, uit hun gehele vermogen zullen hebben te voldoen. Dat is, uiteraard, tenzij ten gronde zou worden uitgemaakt dat die schuld is voldaan op de wijze zoals in dit geding hunnerzijds werd betoogd of hun bewindvoerder eerder betaalt.

3.8. Het in de voorgaande paragraaf overwogene betekent dat ook het executoriale derdenbeslag dat Organika SA ten laste van [eiseressen sub 1 en 2] heeft doen leggen onder Egret BV, voor zover dat beslag vermogen treft dat niet tot de nalatenschap van [vader S] behoort, dient te worden opgeheven

3.9. Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.

Partijen zijn over en weer deels in het ongelijk gesteld; daarom zullen de kosten worden gecompenseerd.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. heft op, voor zover dat nog niet mocht zijn gebeurd, het ten verzoeke van Organika SA op 17 februari 2006 door de deurwaarder W.W.M. van de Donk ten laste van [eiseres sub 3] ([eiseres sub 3]) pro se, woonplaats], gelegde executoriaal beslag op de onroerende zaak omschreven als: WONEN ERF TUIN, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [YYY], [sectie en nummer], groot 34 are en 33 centiare;

4.2. heft op de ten verzoeke van Organika SA op 14 maart 2006 door de kandidaat-deurwaarder J.F.H.M. van der Velden ten laste van (3) de stichting Stichting Aigrette pro se, gevestigd en kantoorhoudende te Vught, en (4) [eiseres sub 3]) pro se, [woonplaats], gelegde executoriale derdenbeslagen onder de besloten vennootschap "Egret Investments B.V." gevestigd te Vught;

4.3. schorst de executie van de uitspraak van de (kanton)rechtbank van Lódz van 30 juni 2003, op welke uitspraak bij onherroepelijk geworden beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 16 februari 2005 aan Organika SA verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland is verleend, doch zulks uitsluitend voor zover die executie zich mede uitstrekt tot vermogen en vermogensbestanddelen van [eiseressen sub 1 en 2] die niet afkomstig zijn uit de nalatenschap van hun vader [S]

4.4. heft op de ten verzoeke van Organika SA op 14 maart 2006 door de kandidaat-deurwaarder J.F.H.M. van der Velden ten laste van (1) [eiseres sub 1] en (2) [eiseres sub 2] gelegde executoriale derdenbeslagen onder de besloten vennootschap "Egret Investments B.V." gevestigd te Vught, doch dit slechts gedeeltelijk en uitsluitend voor zover door die beslagen ook goederen (zaken, rechten en vorderingen) worden getroffen die niet afkomstig zijn uit de nalatenschap van hun vader [S] (en mitsdien op andere titel aan de beslagen [eiseressen sub 1 en 2] zijn opgekomen);

4.5. verstaat dat de onder 4.3 bedoelde executie op de goederen der voornoemde nalatenschap kan worden voortgezet en dat de onder 4.4 bedoelde beslagen, voor zover gelegd op goederen uit die nalatenschap, blijven liggen;

4.6. wijst af het meer of anders gevorderde;

4.7. compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2006.