Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AV8217

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2006
Datum publicatie
04-04-2006
Zaaknummer
Awb 06 / 1493 en Awb 06 / 638
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwaanvraag voor uitbreiding intensieve varkenshouderij binnen gebied waarop Reconstructieplan Peel en Maas van toepassing is.

Uit het bepaalde in artikel 27, derde lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden kan voor het onderhavige geval worden afgeleid dat voor zover bepalingen van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan in de weg zouden staan aan de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit de desbetreffende bepalingen van het bestemmingsplan buiten toepassing dienen te worden gelaten.

De door verzoeker opgeworpen stelling dat het bestreden besluit is genomen ondanks het feit dat uitbreiding van het bedrijf van de derde belanghebbende - wegens het ontbreken van de aanduiding I op de bestemmingsplankaart - volgens het bestemmingsplan niet zou zijn toegestaan, kan verzoeker reeds daarom niet baten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/1493 VV

AWB 06/638

Uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 27 maart 2006

inzake

1. [verzoe[verzoeker],

[gemachtigde],

2. [verzoe[plaats]en te [woon[plaats],

hierna tezamen te noemen verzoekers,

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [plaats],

verweerder,

[gemachtigde]

Aan het geding heeft op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als partij deelgenomen [belanghebbende] te [plaats], derde belanghebbende, [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft verweerder een eerder verleende bouwvergunning van 12 april 2005 ingetrokken en aan de derde belanghebbende een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een zeugenstal en het verplaatsen van luchtwassers op het perceel plaatselijk be[plaats]s] te [woon[plaats].

Bij brief van 30 oktober 2005 hebben verzoekers tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 2 februari 2005 hebben verzoekers op de voet van artikel 6:2 van de Awb beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft verweerder alsnog een besluit op bezwaar genomen. Het door verzoekers ingestelde beroep is op de voet van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb aangemerkt als zijnde gericht tegen dit besluit op bezwaar.

Verzoekers hebben ter zitting van 16 maart 2005 (alwaar de zaken met zaaknummers AWB 06/638, AWB 06/608 VV en AWB 06/610 VV gevoegd zijn behandeld) - zoals blijkt uit het daarvan door de griffier opgemaakte proces-verbaal - een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot schorsing van het bestreden besluit op een aantal ter zitting aangevoerde gronden. Verweerder en de derde belanghebbende hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen de indiening ter zitting van dit verzoek en zijn in de gelegenheid gesteld tegen het verzoek verweer te voeren. Het verzoek is na de zitting geregistreerd onder zaaknummer AWB 06/1493 VV.

Ter zitting van 16 maart 2005 is [verzoe[verzoeker] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en is [verzoeker] verschenen bij zijn gemachtigde, [verzoeker] voornoemd. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. De derde belanghebbende is verschenen bij haar [vertegenwoordiger] bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Aan de orde is derhalve de vraag of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen.

Het wettelijk kader is als volgt.

Artikel 44 van de Woningwet (Ww) bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Artikel 52 van de Ww bepaalt dat in afwijking van de termijnen die zijn gesteld voor het nemen van een beslissing op een bouwvergunning in artikel 46, eerste lid, burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aanhouden, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (...) is vereist (...).

Artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de Reconstructiewet) definieert een concentratiegebied onder meer als het concentratiegebied Zuid als bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet.

Blijkens bijlage I van de Meststoffenwet valt het grondgebied van de gemeente [plaats] binnen het concentratiegebied Zuid. Dit brengt mee dat krachtens artikel 11, eerste lid, van de Reconstructiewet voor (onder meer) het grondgebied van de gemeente [plaats] een reconstructieplan dient te worden vastgesteld.

Artikel 11, zesde lid, van de Reconstructiewet bepaalt voorts dat in het reconstructieplan wordt aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van de Reconstructiewet van toepassing is.

Ter uitvoering van de in artikel 11, eerste lid, van de Reconstructiewet neergelegde verplichting is het Reconstructieplan/Milieueffectrapport Peel en Maas (hierna: het Reconstructieplan) vastgesteld. In het Reconstructieplan (pagina 233) wordt artikel 27 van voornoemde wet onder meer van toepassing verklaard op de begrenzing en werking van onder meer landbouwontwikkelingsgebieden.

Artikel 1 van de Reconstructiewet definieert een landbouwontwikkelingsgebied als een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij.

Blijkens het Streekplan Noord-Brabant 2002, zoals laatstelijk herzien op 3 december 2004, en de daarbij behorende kaart, zijn de percelen [adres] gelegen in een dergelijk landbouwontwikkelingsgebied.

Artikel 27, eerste lid, van de Reconstructiewet bepaalt onder meer dat voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, aangewezen delen van het reconstructiegebied het reconstructieplan geldt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), maar dat artikel 21, vierde tot en met zesde lid, niet van toepassing zijn. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

Artikel 27, derde lid, van de Reconstructiewet bepaalt dat voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO geldt.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Door verweerder is als eerste vraag opgeworpen of verzoekers wel als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Verweerder heeft deze vraag voor [verzoe[verzoeker] bevestigend en voor [verzoeker] ontkennend beantwoord.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat hij in zijn uitspraak van 23 december 2005, zaaknummer AWB 05/4174 VV, heeft geoordeeld dat [verzoe[verzoeker] wel en [verzoeker] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Partijen hebben op het punt van het zijn van belanghebbende geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd ten opzichte van de in voornoemde uitspraak reeds aangevoerde feiten en omstandigheden. Nu de voorzieningenrechter ook overigens geen reden ziet om op het punt van het zijn van belanghebbende thans een ander standpunt in te nemen, zal de voorzieningenrechter op de gronden zoals weergegeven in de uitspraak van 23 december 2005 [verzoe[verzoeker] als belanghebbende aanmerken en [verzoeker] niet als belanghebbende aanmerken. [verzoeker] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. De navolgende overwegingen hebben derhalve alleen betrekking op [verzoe[verzoeker] (hierna: verzoeker).

De volgende vraag die de voorzieningenrechter dient te beoordelen is of verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het verzoeken van de onderhavige voorlopige voorziening. Verzoeker heeft dienaangaande onder meer gesteld dat zijn spoedeisend belang daarin is gelegen dat de bouwwerkzaamheden reeds zijn gestart en dat vrees bestaat dat als niet met spoed een voorziening wordt getroffen binnen korte tijd een onomkeerbare situatie ontstaat. De voorzieningenrechter acht deze, niet weersproken, stellingen aannemelijk en is op grond daarvan van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang bezit.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het ingestelde beroep ten eerste verwezen naar de grieven zoals geformuleerd in het door hem opgestelde bezwaarschrift. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat hij in zijn uitspraak van 23 december 2005, zaaknummer AWB 05/4174 VV deze grieven heeft behandeld en heeft geoordeeld dat al deze grieven dienen te falen. Partijen hebben geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd ten opzichte van de in voornoemde uitspraak reeds aangevoerde feiten en omstandigheden. Nu de voorzieningenrechter ook overigens geen reden ziet om op het onderhavige punt thans een ander standpunt in te nemen, oordeelt de voorzieningenrechter dat de in het bezwaarschrift verwoorde grieven falen op de gronden zoals weergegeven in de uitspraak van 23 december 2005.

Vervolgens heeft verzoeker erop gewezen dat het ingediende bouwplan weliswaar binnen het ter plaatse volgens het bestemmingsplan geldende bouwblok valt, doch dat de elders op het perceel [adres] gerealiseerde stallen ten opzichte van de milieuvergunning van 20 juli 2004 en/of de door verweerder geaccepteerde melding op de voet van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer (Wm) van 18 oktober 2005 3,5 meter noordelijker zijn gesitueerd. Welke consequenties deze stelling - indien juist - zou moeten hebben voor het bestreden besluit heeft verzoeker niet aangevoerd.

De voorzieningenrechter overweegt dat de aanhoudingsplicht van artikel 52 van de Ww zich blijkens de tekst en strekking van dat artikel slechts uitstrekt tot het bouwwerk waarop de bouwaanvraag betrekking heeft. De door verzoeker gestelde afwijking ziet echter niet op het bouwwerk waarop de bouwaanvraag (alsook het bestreden besluit) betrekking heeft, maar op reeds gerealiseerde bouwwerken. De door verzoeker gestelde afwijking kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat de aanhoudingsplicht van artikel 52 van de Ww van toepassing was en verweerder daaraan ten onrechte voorbij is gegaan. Aan een verdere beoordeling van de desbetreffende stelling van verzoeker kan de voorzieningenrechter niet toekomen nu deze stelling een onderwerp betreft dat buiten de reikwijdte van het bestreden besluit ligt.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat op de kaart behorend bij het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" (hierna: het bestemmingsplan) bij het bedrijf van de derde belanghebbende de aanduiding "I" ontbreekt, zodat uitbreiding van het bedrijf ter plaatse niet mogelijk is en daarvoor ook geen bouwvergunning had mogen worden verleend. Voorts is artikel 27 van de Reconstructiewet volgens verzoeker niet van toepassing op het bestreden besluit.

Bij de beoordeling van deze grief stelt de voorzieningenrechter voorop dat het bedrijf van de derde belanghebbende binnen het kader van het Reconstructieplan Peel en Maas moet worden aangemerkt als een intensieve veehouderij. Blijkens de voormelde definitie van een landbouwontwikkelingsgebied - zoals het gebied waarin de percelen [adres] zijn gelegen - voorziet een landbouwontwikkelingsgebied onder meer geheel of gedeeltelijk in de mogelijkheid tot uitbreiding van intensieve veehouderij. Het bestreden besluit voorziet - in vergelijking met de bestaande feitelijke situatie - in een uitbreiding van de intensieve veehouderij van de derde belanghebbende. Gelet op het voorgaande en bij gebreke van aanwijzingen voor een andersluidende uitleg is de voorzieningenrechter van oordeel dat realisatie van het bestreden besluit kan worden gebracht onder 'werking van het landbouwontwikkelingsgebied' als bedoeld op pagina 233 van het Reconstructieplan. Dit brengt mee dat op het bestreden besluit artikel 27, derde lid, van de Reconstructiewet van toepassing is. De stelling van verzoeker dat de op pagina 235 van het Reconstructieplan aangeduide afweging niet is gemaakt, zodat voornoemd artikellid niet van toepassing is, faalt, nu de voorzieningenrechter niet inziet waarom de inhoud van pagina 235 van het Reconstructieplan, een lijst met begrippen, afdoet aan de in de voorgaande paragraaf neergelegde expliciete en onvoorwaardelijke toepasselijkheidsverklaring van artikel 27, derde lid, van de Reconstructiewet op de werking van landbouwontwikkelingsgebieden.

Uit het bepaalde in artikel 27, derde lid, van de Reconstructiewet kan - gelet op de in de voorgaande alinea genoemde feiten en omstandigheden - voor het onderhavige geval worden afgeleid dat voor zover bepalingen van het bestemmingsplan reeds in de weg zouden staan aan de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit de desbetreffende bepalingen van het bestemmingsplan buiten toepassing dienen te worden gelaten. De door verzoeker opgeworpen stelling dat het bestreden besluit is genomen ondanks het feit dat uitbreiding van het bedrijf van de derde belanghebbende - wegens het ontbreken van de aanduiding "I" op de bestemmingsplankaart - volgens het bestemmingsplan niet zou zijn toegestaan, kan verzoeker reeds daarom niet baten.

Verzoeker heeft tot slot betoogd dat nu niet zeker is dat het tweede deel van de te bouwen zeugenstal zal worden gerealiseerd, het vanuit een oogpunt van welstand onaanvaardbaar is als het onderhavige bouwplan wel zou worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat hij in voormelde uitspraak van 23 december 2003 heeft geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het uitgebrachte negatieve welstandsadvies en heeft kunnen overgaan tot het verlenen van de gewraakte bouwvergunning. Dat niet in rechte vaststaat dat vorenbedoeld tweede deel van de stal mag worden gerealiseerd, zoals verzoeker ter zitting nog heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet relevant. Partijen hebben overigens op het punt van welstand geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld in vergelijking met hetgeen is gesteld in voormelde uitspraak van 23 december 2005. De voorzieningenrechter ziet ook overigens geen reden om op het onderhavige punt thans een ander standpunt in te nemen. Ook deze grief faalt derhalve, mede op de gronden zoals weergegeven in de uitspraak van 23 december 2005.

Het beroep zal gelet op al het vorenstaande ongegrond worden verklaard.

Gezien de beslissing in de hoofdzaak zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

In verband met het vorenstaande bestaat geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht moeten worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb van [verzoeker] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [verzoe[verzoeker] ongegrond;

- wijst af het verzoek van [verzoe[verzoeker] tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier op 27 maart 2006.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: