Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AV4733

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
14-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/1344
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser medegedeeld dat zijn bijstandsuitkering over de maand januari 2005 met 5% wordt verlaagd, omdat hij het rechtmatigheidonderzoeksformulier niet op tijd heeft ingeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/1344

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2006

inzake

[esier], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn bijstandsuitkering over de maand januari 2005 met 5% wordt verlaagd, omdat hij het rechtmatigheidonderzoeksformulier niet op tijd heeft ingeleverd.

Het hiertegen ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 5 april 2005 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep ter zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb, zodat uitspraak zal worden gedaan op grond van de gedingstukken. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden eisers bijstandsuitkering over de maand januari 2005 heeft verlaagd met 5%.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser de verplichting om het rechtmatigheidonderzoeksformulier binnen de daarvoor gestelde termijn in te leveren niet tijdig is nagekomen. Dit verzuim kan volgens verweerder aan hem worden toegerekend. Verweerder is van mening dat er geen actuele objectieve medische gegevens zijn waaruit kan blijken dat de psychische toestand van eiser dusdanig was dat hij geheel niet in staat was om zijn poststukken te openen, te lezen en te begrijpen dat hij het rechtmatigheidonderzoeksformulier tijdig moet (laten) inleveren.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser is van mening dat de verklaring van de huisarts moeilijk anders kan worden opgevat dan als een “actueel medisch gegeven”. Dat de huisarts niet objectief zou zijn -een suggestie die volgens eiser besloten ligt in de door verweerder gekozen formulering “geen objectieve medische gegevens”- wordt volgens eiser niet onderbouwd. Terwijl verweerder aan de hoofdinhoud van de verklaring van de huisarts voorbijgaat wordt volgens eiser wel een toevoeging uit ditzelfde schrijven gebruikt, namelijk de opmerking van de huisarts dat de achterliggende psychische problematiek reeds langer speelde om te suggereren dat zijn gezondheidstoestand in de betreffende periode niet anders was dat in de periode daarvoor, waarin hij de vereiste rechtmatigheidformulieren wel tijdig had ingeleverd, zodat van enig beletsel om dit nu eveneens te doen geen sprake zou zijn geweest. Eiser is van mening dat aan deze suggestie een opzettelijke verdraaiing van de inhoud van de huisartsenverklaring ten grondslag ligt, waarbij hierin iets anders gelezen wordt dan er in werkelijkheid staat.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 17, eerste lid van de Wet werk en bijstand (WWB) doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge het tweede lid van artikel 17 van de WWB is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 18, eerste lid van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Ingevolge het tweede lid van artikel 18 van de WWB verlaagt het college overeenkomstig de verordening de bijstand ondermeer indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt.

Ingevolge artikel 8 eerste lid aanhef en onder b van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB.

Ter uitvoering hiervan heeft de gemeenteraad van de gemeente ‘s-Hertogenbosch op 22 september 2004 de Verordening Inkomen Wet werk en bijstand gemeente ’s-Hertogenbosch (verder: de Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 15, eerste lid aanhef en onder e van de Verordening is de werkzoekende verplicht om alle informatie te verstrekken waarvan hij redelijkerwijs kan weten dat dat van belang is voor (de beoordeling van) het recht op bijstand, de ondersteuning, het reïntegratietraject en de (mogelijkheden) van arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 25, aanhef en vierde lid onder c van de Verordening valt het niet of in onvoldoende, op verzoek of uit eigen beweging, mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de arbeidinschakeling onder de vierde categorie. Ingevolge artikel 26, eerste lid aanhef en onder d van de Verordening wordt de maatregel vastgesteld op 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Verordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of indien het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet binnen de door verweerder gestelde termijn zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken door middel van het invullen en inzenden van het rechtmatigheidonderzoeksformulier is nagekomen. Gelet op hetgeen is bepaald in de Verordening was verweerder gehouden een maatregel op te leggen.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging van eiser ontbreekt en dat verweerder daarom toepassing had moeten geven aan artikel 22, eerste lid sub a van de Verordening. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat eiser, blijkens het schrijven van de huisarts, reeds langere tijd bekend is met depressieve klachten en apathie. Bij eerdere gelegenheden is hij ondanks zijn psychische beperkingen wel in staat gebleken tijdig zijn rechtmatigheidonderzoeksformulier bij verweerder in te dienen. Het had op de weg van eiser gelegen om indien hij niet in staat was zijn woning te verlaten en zijn poststukken te openen, telefonisch contact op te nemen met verweerder om aan te geven dat hij niet tijdig aan het verzoek om informatie kon voldoen. Gezien het feit dat eiser al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt, had hij redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de frequentie waarin door verweerder om informatie wordt gevraagd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gedraging terecht gekwalificeerd als vallende onder de vierde categorie, zoals genoemd in artikel 25, aanhef en vierde lid onder c van de Verordening. Verweerders besluit de uitkering van eiser te verlagen met 5% gedurende één maand is naar het oordeel van de rechtbank voorts in overeenstemming met de ernst van de gedraging, de mate waarin eiser de gedraging kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin hij verkeert.

Ten slotte is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 22 van de Verordening op grond waarvan verweerder de bevoegdheid toekomt af te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid, sub b van genoemde bepaling.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier op 19 januari 2006.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: