Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AV0717

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
03/5 R en 03/6
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

homologatie akkoord; imperatieve weigeringsgrond; baten des boedels; immateriele schadevergoeding;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

insolventienummer: 03/5 R en 03/6

nummer verklaring: CRA0410200050

uitspraakdatum: 31 januari 2006

weigering homologatie akkoord en beëindiging schuldsanering na verloop van termijn met schone lei

Bij vonnis van deze kamer van 6 januari 2003 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]

en

[schuldenares]

Geboren op [geboorteplaats] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

procesverloop

Op 7 januari 203 heeft de rechtbank het saneringsplan vastgesteld waarbij de looptijd van de schuldsanering is vastgesteld op drie jaar, derhalve eindigend op 6 januari 2006. In zijn verslag van 1 december 2005 heeft de rechter-commissaris geconcludeerd dat de schuldenaren niet zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling en daarmee in aanmerking komen voor de schone lei. De rechtbank heeft vervolgens de zitting ex artikel 354 Faillissementswet (hierna Fw) bepaald op 5 december 2005 om 09.30 uur. Ter zitting zijn geen schuldeisers verschenen. Op verzoek van de schuldenaren heeft de rechtbank de behandeling aangehouden in verband met het voornemen van schuldenaren hun schuldeisers een akkoord aan te bieden. Vervolgens hebben schuldenaren een ontwerpakkoord ter griffie gedeponeerd; de schuldeisers hebben over dit ontwerp beraadslaagd ter vergadering, gehouden op 10 januari 2006 alwaar het akkoord is aangenomen door alle ter zitting verschenen schuldeisers.

De behandeling van de homologatie van het akkoord, alsmede de (voortgezette behandeling van de) beëindiging van onderhavige schuldsaneringen na verloop van termijn, heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 januari 2006, alwaar bewindvoerder en schuldenaren zijn verschenen, laatstgenoemden bijgestaan door hun raadsman mr. D.P.W.H. Cremers. Er zijn ook toen geen schuldeisers verschenen.

Inhoud akkoord

Schuldenaren hebben hun crediteuren in bovenvermelde schuldsaneringen een akkoord aangeboden, welke op 2 december 2005 ter griffie van de rechtbank is gedeponeerd. De inhoudt van het akkoord luidt zakelijk weergegeven als volgt:

De heer [x] en mevrouw [y] zijn voorheen in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Tijdens het voorliggende traject van de schuldsaneringen is een letselschade-uitkering van € 125.000,-- ten behoeve van mevrouw [y] uitbetaald en op de derdengeldenrekening van de bewindvoerder gestort. Daarnaast bevat het actief van de boedel momenteel een bedrag van ruim € 11.000,--.

De schuldenaren bieden alle concurrente crediteuren 20% en de preferente crediteuren 40% van de geverifieerde vorderingen, tegen finale kwijting.

Voor de nakoming van dit akkoord zal worden geput uit het reeds bijeengebrachte boedelactief ad € 11.000,-- , voor zoveel nodig aangevuld met de letselschade-uitkering. Aldus zal een deel van de letselschade-uitkering aan schuldenaren worden uitgekeerd.

De raadpleging van het ontwerpakkoord heeft plaatsgevonden ter verificatievergadering van 10 januari 2006, alwaar het ontwerpakkoord is aangenomen.

Advies rechter-commissaris

Bij schrijven van 12 januari 2006 heeft de rechter-commissaris de rechtbank in overweging gegeven om tot homologatie van het aangenomen akkoord over te gaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de rechter-commissaris - kort weergegeven - gewezen op het volgende.

Schuldenaar is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met schuldenares. Zij waren ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling gehuwd doch zijn inmiddels gescheiden. Op 23 juni 1998 en 15 oktober 2003 is schuldenares als slachtoffer betrokken geweest bij een tweetal verkeersongevallen. Mevrouw stelde ernstige medische klachten te hebben overgehouden aan deze ongevallen en aldus schade te hebben geleden. Met het oog op eventuele bewijsmoeilijkheden heeft schuldenares in juni 2004 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de betrokken verzekeringsmaatschappij. Deze overeenkomst houdt in dat aan mevrouw - buiten de kosten van rechtsbijstand - een schadevergoeding wordt uitgekeerd van ruim € 125.000. Het uitgekeerde bedrag is, in afwachting van een nadere beslissing op de vraag of deze letselschade-uitkering ( in zijn geheel) aan de boedel toekomt, gestort op een derdenrekening. De overeengekomen schadevergoeding ziet op vergoeding van (geleden en nog te lijden) materiële schade, immateriële schade, schade als gevolg van te derven inkomen en wettelijke rente. Met deze letselschade-uitkering en het reeds opgebouwde boedelsaldo kunnen alle geverifieerde crediteuren volledig worden voldaan.

Mevrouw is van mening dat (een deel van) deze uitkering aan haar dient te worden gelaten. Met het oog hierop heeft zij de gezamenlijke crediteuren een akkoord aangeboden waarbij de preferente schuldeisers 40 % en de concurrent crediteuren 20 % van hun vorderingen tegemoet kunnen zien. Alle ter vergadering verschenen crediteuren hebben vóór het akkoord gestemd. Van de vier crediteuren die niet ter vergadering zijn verschenen zijn er twee die de bewindvoerder hebben laten weten niet in te stemmen met het aangeboden akkoord doch zij zijn niet ter vergadering verschenen teneinde tegen het aangeboden akkoord te stemmen. Van de derde crediteur is niets meer vernomen en de vierde schuldeiser is niet meer traceerbaar. Van het totaal bedrag van de concurrente (niet achtergestelde) vorderingen van € 53.964,97 vertegenwoordigen deze schuldeisers een bedrag van ruim € 6.455,--, derhalve ongeveer 12% van de concurrerende (niet achtergestelde) vorderingen en nog geen 6% van de totale schuldenlast. De rechtbank dient ingevolge artikel 338 jo 153, tweede lid, aanhef en onder 1 Fw de homologatie van een aangenomen akkoord te weigeren indien de baten des boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan. De rechter-commissaris is - onder verwijzing naar relevante wetsbepalingen en jurisprudentie - van mening dat de letselschade-uitkering van mevrouw volledig tot het (uitwinbare) vermogen van de schuldenares behoort en dat het akkoord in beginsel niet gehomologeerd dient te worden in het licht van art. 338 jo 153, lid 2 aanhef en onder 1 Fw, aangezien de baten des boedels de som van het bedongen akkoord, immers aanmerkelijk te boven gaan. De rechter-commissaris is echter desondanks van oordeel dat het bedongen akkoord voor homologatie in aanmerking dient te komen nu de schuldeisers niet in hun belangen worden geschaad. De raadsman van schuldenaren heeft alle crediteuren uitvoerig op de hoogte gesteld van de letselschade-uitkering en het gegeven dat zij, bij verwerping van het akkoord, volledige voldoening van hun vordering tegemoet kunnen zien. Desondanks hebben alle ter vergadering verschenen crediteuren zich vóór het aangeboden akkoord uitgesproken, waarmee zij aldus deze benadeling in hun positie kennelijk hebben aanvaard. Aangezien de verschenen schuldeisers in vrijheid hun eigen afweging maken of het gerechtvaardigd is dat zij hun eigen vorderingen niet volledig voldaan krijgen, ziet de rechter-commissaris in de belangen van deze crediteuren geen grond voor een rechterlijk ingrijpen teneinde deze (kennelijk aanvaardde) benadeling van de verschenen crediteuren te verhinderen. Ten aanzien van de belangen van de vier niet ter verificatievergadering verschenen schuldeisers merkt de rechter-commissaris op dat het deze crediteuren vrij stond tegen het akkoord te stemmen. Zo zij menen dat aanvaarding van het akkoord niet rechtvaardig zou zijn, dan hadden zij hun stem moeten laten horen.

De rechter-commissaris is derhalve van oordeel dat het aangenomen akkoord voor homologatie in aanmerking dient te komen. Indien de rechtbank van oordeel is dat op grond van artikel 153 Fw niet tot homologatie van het akkoord kan worden overgegaan, zal de beoordeling moeten plaatsvinden of schuldenaren aan hun verplichtingen hebben voldaan. De rechter-commissaris is van mening (vide zijn verslag van 1 december 2005) dat schuldenaren gedurende de looptijd van de regeling niet tekort zijn geschoten in het naleven van hun verplichtingen, zodat de schone lei kan worden verleend.

Standpunt schuldenaren

Ter zitting is namens schuldenaren aangevoerd dat het bedongen akkoord voor homologatie in aanmerking komt daar de letselschade-uitkering van € 125.000 niet (althans niet volledig) aan de boedel toekomt. Het betreft immers mede een uitkering op grond van geleden immateriële schade, welke de wetgever als hoogstpersoonlijk goed buiten het beslag van schuldeisers heeft gelaten. Derhalve kunnen ook de crediteuren binnen een schuldsaneringsregeling geen aanspraak maken op de betreffende letselschade-uitkering. De rechter-commissaris heeft zijn standpunt dat de schadevergoeding in de boedel valt gestoeld op jurisprudentie van de Hoge Raad. Schuldenaren delen dit standpunt niet. De rechter-commissaris miskent dat de betreffende jurisprudentie ziet op een faillissementsbeslag, terwijl in casu aan de orde is de vraag of de letsel-schadeuitkering in de boedel van de schuldsanering valt. De betreffende jurisprudentie van de Hoge Raad kan, gelet op het doel en de strekking van een faillissement, bezien in samenhang met de doelstellingen van een schuldsanering, niet analoog worden toegepast op de wettelijke schuldsaneringsregeling, die immers beoogt een schuldenvrije toekomst van natuurlijke personen voorop te stellen, terwijl een faillissement gericht is op de verhaalsmogelijkheden van crediteuren. Tevens valt de ontvangen letselschade-uitkering ook feitelijk niet in de boedel omdat het bedrag nog immer niet aan de boedelrekening is overgemaakt. Aangezien de smartengelduitkering niet aan de boedel toekomt gaan de baten des boedels - het gespaarde boedelactief en de resterende letselschade-uitkering - niet de som van het aangeboden akkoord te boven. Indien de homologatie van het akkoord wordt geweigerd, zal schuldenares met toepassing van artikel 25 Fw een rechtsvordering instellen tegen de bewindvoerder, teneinde voor recht te laten verklaren dat de ontvangen smartengeld als zijnde een hoogst persoonlijk goed aan het beslag binnen de schuldsanering is ontrokken.

Standpunt bewindvoerder

De bewindvoerder heeft zich steeds, onder meer ter zitting, op het standpunt gesteld dat het aangenomen akkoord niet voor homologatie in aanmerking komt daar de baten des boedels de som bij het bedongen akkoord aanmerkelijke te boven gaan. De schadeloosstelling behoort in zijn geheel tot het uitwinbare vermogen van de schuldenares De bewindvoerder is wel van mening dat, zo de homologatie wordt geweigerd, de onderhavige regelingen voor een beëindiging met toekenning van de schone lei in aanmerking komen. Schuldenaren hebben immers aan al hun verplichtingen voldaan.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de op 10 januari 2006 gehouden verificatievergadering, alsmede van het aangenomen ontwerp van een akkoord. Aan de orde is de vraag of voornoemd akkoord voor homologatie in aanmerking komt. Voor zover die vraag ontkennend moet worden beantwoord is vervolgens ingevolge artikel 354 Fw aan de orde de vraag of de schuldenaren aan hun verplichtingen binnen de schuldsaneringsregeling hebben voldaan, nu de looptijd van het saneringsplan eindigde per 6 januari 2006.

akkoord

Ingevolge artikel 153, tweede lid, aanhef onder sub 1, Fw zal de rechtbank de homologatie van het akkoord weigeren indien de baten des boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan. Deze bepaling is op grond van artikel 338, tweede lid, Fw van overeenkomstige toepassing op een in een schuldsaneringsregeling aangeboden akkoord.

In deze schuldsanering gaat het om de vraag of de som bij het akkoord bedongen de baten des boedels te boven gaan. Teneinde deze vraag te kunnen beantwoorden zal eerst vastgesteld dienen te worden wat de "baten des boedels" zijn, ofwel wat tot het uitwinbare vermogen van de schuldenares behoort.

Op grond van artikel 295, eerste lid, Fw omvat de boedel de goederen van schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsanering, alsmede de goederen die hij tijdens de regeling verkrijgt. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer HR 14 december 2001, NJ 2002, 39) bestaat er geen aanknopingspunt voor de opvatting dat aan het begrip " boedel" in artikel 153, tweede lid, aanhef en onder sub 1, Fw een beperktere betekenis moet worden toegekend dan in artikel 295, eerste lid, Fw.

Artikel 295, eerste lid, Fw, heeft als uitgangspunt dat het gehele vermogen van een schuldenaar onder het begrip "boedel" valt en dat een schuldenaar in de schuldsaneringsregeling derhalve met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schuldenaren, behoudens de goederen zoals omschreven in het tweede, derde en vierde lid, van deze bepaling. Deze uitzonderingen op dit uitgangspunt dienen voor een belangrijk deel te waarborgen dat een schuldenaar kan beschikken over het hoogstnoodzakelijke inkomen voor zijn levensonderhoud. Daarnaast bestaan ook uitzonderingen op de betreffende regel die (mede) berusten op de gedachte dat bepaalde vermogensbestanddelen met het oog op de bestemming daarvan aan verhaal moeten worden onttrokken of dat bepaalde aanspraken zo zeer met de persoon van de rechthebbende zijn verknocht dat niet valt te billijken dat anderen die aanspraak uitoefenen en/of daarvan profijt trekken. Deze situatie doet zich onder meer voor als de wetgever een bepaald goed niet vatbaar heeft geacht voor beslag.

Schuldenaren hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de uitgekeerde schadevergoeding van schuldenares niet tot de boedel moeten worden gerekend, zodat de omstandigheid dat schuldenaren dit gedeelte van de letselschade-uitkering niet in zijn geheel aan crediteuren hebben aangeboden homologatie van het bedongen akkoord niet in de weg staat. Een schadevergoeding op grond van smartengeld dient, zo stellen zij, als hoogstpersoonlijk te worden aangemerkt en is op grond hiervan niet vatbaar voor beslag.

Een probleem bij de beoordeling van deze stelling wordt gevormd door het feit dat schuldenaren ten aanzien van de bedongen schadeloosstelling niet differentiëren tussen enerzijds de vergoeding die strekt ter compensatie van geleden en nog te lijden materiele schade en anderzijds de vergoeding die strekt tot compensatie van immaterieel leed. Immers, niet in discussie is het gegeven dat de vergoeding van materiele schade in ieder geval tot het vermogen van de schuldenaar moet worden gerekend. De stellingen van schuldenaren hebben betrekking op de immateriële schadevergoeding die, naar schuldenaren stellen, niet tot het uitwinbare vermogen van de schuldenares moet worden gerekend vanwege het hoogstpersoonlijke karakter ervan. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de stellingen van schuldenaren op dit onderdeel hoe dan ook niet opgaan, gezien het navolgende.

Uit artikel 6:106, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: Bw) volgt dat het recht op vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat niet vatbaar is voor beslag. De wetgever heeft de aanspraak op smartengeld als hoogstpersoonlijk aangemerkt en deze aanspraak aan beslag en executie, dus ook aan verhaal van schuldeisers binnen een schuldsanering, onttrokken. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 november 2002 (NJ, 2003, 32) - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van voornoemde bepaling - overwogen dat de wetgever deze uitzonderingspositie niet langer gerechtvaardigd heeft geacht indien de rechthebbende zijn aanspraak heeft geconcretiseerd in een vordering of overeenkomst. De Hoge Raad wijst in voornoemd arrest onder meer op de volgende onderdelen van de wetsgeschiedenis van artikel 6:106, tweede lid, van het BW:

" Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (M.v.A II, Parl. Gesch. boek 6, blz. 381) blijkt dat daarbij in overweging is genomen dat weliswaar de vordering tot vergoeding van immateriële schade in zoverre een hoogstpersoonlijk karakter heeft dat in beginsel slechts de benadeelde de vordering moet kunnen instellen, maar dat een eenmaal betaalde vergoeding zonder meer in het vermogen van de benadeelde valt, zodat die vatbaar is voor beslag, en dat zulks ook al het geval is als de vordering is aanhangig gemaakt of het recht op vergoeding van smartengeld bij overeenkomst is vastgelegd. Ook in de Toelichting Meijers (Parl. Gesch. boek 6, blz. 378) was reeds dit standpunt ingenomen."

De stelling derhalve dat een smartengelduitkering die voortvloeit uit een vaststellingsovereenkomst niet onder het beslag van schuldeisers zou vallen is, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen door de wetgever, dan ook kennelijk niet aanvaard, aldus de Hoge Raad.

In het licht van de duidelijke wetsbepaling van art. 6:106 BW en de hiervoor aangehaalde rechtspraak aangaande de uitleg en reikwijdte van deze bepaling is de rechtbank van oordeel dat bij beoordeling van de vraag wat tot "de baten des boedels" moet worden gerekend ook het immateriële gedeelte van de schadevergoeding van schuldenares in zijn geheel aan de boedel toekomt, nu immers vast staat dat de aanspraken dienaangaande zijn geconcretiseerd in een vaststellingsovereenkomst en een betaling, zij het op een van de schuldsaneringsboedel gesepareerde rekening. Onder deze omstandigheden heeft de wetgever de aanspraak op grond van smartengeld niet langer als hoogstpersoonlijk aangemerkt en is de door schuldenaar ontvangen letselschade-uitkering, ook voor wat betreft het immateriële gedeelte, niet (langer) an beslag en executie ontrokken.

Voorzover namens schuldenaren ter zitting nog is betoogd dat voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 6:106 BW niet analoog kan worden toegepast op de onderhavige situatie omdat het betreffende arrest toegespitst is op een faillissementsbeslag en thans de schuldsaneringsregeling aan de orde is, merkt de rechtbank op dat zulks niet leidt tot een andere afweging. Immers, schuldenaren gaan er in hun betoog aan voorbij dat de Hoge Raad nadere uitleg en verduidelijking heeft verschaft omtrent de reikwijdte van art. 6:106 BW. De interpretatie van die wettelijke bepaling staat los van de vraag op basis van welke titel schuldeisers zich op het vermogen van de schuldenaar wensen te verhalen. De Hoge Raad formuleert de regel in algemene bewoordingen: "Een schuldeiser kan zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt (art. 3: 276 BW); uitgangspunt is derhalve dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden"

De omstandigheid dat de smartengelduitkering nog niet op de boedelrekening is bijgeschreven staat er, anders dan schuldenaren hebben betoogd, evenmin aan in de weg de schadeloosstelling in zijn geheel tot het vermogen van de schuldenares te rekenen, zulks in het kader van de beoordeling van wat tot "de baten des boedels" moet worden gerekend. De boedel bestaat in dit geval uit het reeds beschikbare (liquide) actief vermeerderd met de te incasseren vordering uit hoofde van de schadeloosstelling. Voor zover de bewindvoerder te dier zake kosten dient te maken zullen deze, als boedelkosten, op het beschikbare actief in mindering worden gebracht. Dit zal er (gezien de schuldenmassa en het beschikbare actief) per saldo op neerkomen dat deze kosten ten laste komen van het (na voldoening van de crediteuren) aan schuldenares te restitueren surplus.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de toetsing ex art. 153 Fw de volledige letselschade-uitkering van € 125.000 tot het vermogen van de schuldenares moet worden gerekend en daarmee als "baten des boedels" moet worden aangemerkt.

Gezien het akkoord zoals ter vergadering (unaniem) aangenomen wordt de crediteuren slechts een deel van hun vorderingen ter betaling aangeboden (concurrente vorderingen 20%; preferente vorderingen 40%) tegen kwijting van het aldus onbetaald gebleven restant.

De omvang van de boedel, zoals hierboven gedefinieerd, in aanmerking nemen, afgezet tegen de aan schuldeisers ter betaling aangeboden percentages, is de rechtbank van oordeel dat de homologatie van het akkoord geweigerd dient te worden nu de baten des boedels de som bij het akkoord bedongen (zeer) aanmerkelijk te boven gaan. De letselschade-uitkering is als baten des boedels niet in zijn geheel, doch slechts voor een zeer beperkt deel aan schuldeisers aangeboden en schuldenaren hebben aldus een aanzienlijk gedeelte van de uitgekeerde schadevergoeding buiten de aangeboden som van het akkoord gelaten.

Indien in deze schuldsanering een uitdeling aan de geverifieerde schuldeisers zou plaatsvinden, uitgaande van het beschikbare actief zoals de rechtbank dit tot uitgangspunt heeft genomen, dan kunnen alle schuldeisers volledig worden voldaan.

Ter zitting hebben schuldenaren subsidiair de rechtbank verzocht, mede onder verwijzing naar het advies van de rechter-commissaris aan de rechtbank, de weigeringsgrond van artikel 153, tweede lid, onder sub 2, terzijde te stellen. Schuldenaren zijn met de rechter-commissaris van mening dat gelet op de wijze waarop het akkoord is voorbereid en tot stand gekomen, voor schuldeisers geen behoefte bestaat aan een rechterlijk toetsing als voorzien in voornoemde wetsbepaling.

Namens schuldenaren is aangegeven dat de betreffende weigeringsgrond van artikel 153 Fw is geschreven ter waarborging van de belangen van schuldeisers. Het betreft geen imperatieve reden om de homologatie van een akkoord te weigeren, maar een afwijzingsgrond waarbij de rechter rekening dient te houden met alle relevante omstandigheden en belangen van het geval. De crediteuren zijn uitvoerig geïnformeerd omtrent de ontvangen letselschade-uitkering van mevrouw en de omstandigheid dat zij, indien het akkoord wordt afgewezen of de homologatie ervan geweigerd, een volledige uitkering van hun vordering kunnen verwachten. Schuldenaren onderschrijven het standpunt van de rechter-commissaris dat de verschenen schuldeisers in vrijheid hun eigen afweging kunnen maken en er voor deze schuldeisers geen behoefte is aan een rechterlijk ingrijpen om het bedongen akkoord te voorkomen. Ten aanzien van de niet meestemmende schuldeisers zijn schuldenaren van mening dat de wijze waarop het bedongen akkoord is voorbereid en tot stand gekomen met voldoende waarborgen is omkleed zodat aan de (mogelijke) grieven van niet verschenen crediteuren voorbij kan worden gegaan. De betreffende crediteuren zijn bij meerdere gelegenheden gewezen op de mogelijkheden om (schriftelijk) tegen het akkoord te stemmen. De betreffende schuldeisers hebben van deze mogelijk geen gebruik gemaakt. Verder zijn deze schuldenaren evenmin ter zitting verschenen om zich te verzetten tegen homologatie van het akkoord. Tevens wijzen schuldenaren er op dat deze niet verschenen schuldeisers slechts een gering gedeelte van de gehele schuldenlast vertegenwoordigen; de rechter-commissaris heeft uiteengezet dat deze crediteuren slechts 12% van de concurrente vorderingen en 6% van de volledige schuldenlast vertegenwoordigen.

De rechtbank volgt het hiervoor uiteengezette standpunt van schuldenaren en de rechter-commissaris niet en overweegt daartoe het volgende.

Artikel 153, tweede onder sub 2, Fw bepaalt (voor zover hier van belang)

"2. Zij zal de homologatie weigeren:

1o indien de baten des boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan;

2o (...)"

Gelet op de imperatieve bewoordingen van de wet ("zal") alsook de wordingsgeschiedenis van deze bepaling heeft de wetgever niet willen weten van enige beoordelingsmarge voor de rechtbank bij de toerpassing van dit criterium in het geval vast staat dat de baten des boedels het aangeboden bedrag aanmerkelijk te boven gaan. De enige ruimte die de rechtbank wordt gelaten heeft betrekking op de beoordeling of sprake is van een aanmerkelijke overschrijding van het aangeboden bedrag. Dat daarvan in dit geval sprake is (uitgaande van de boedel zoals door de rechtbank tot uitgangspunt genomen) staat evenwel vast.

De rechtbank is op grond van deze imperatieve bepaling gehouden de homologatie te weigeren indien de beschreven situatie zich voordoet. Voor de rechter geldt dit imperatief voorgeschreven toetsingskader zelfs indien het akkoord is aangenomen en geen van de crediteuren zich verzet tegen homologatie. De imperatieve weigeringsgronden van artikel 153 Fw staan immers niet ter vrij beschikking van partijen en belanghebbenden, maar zijn van openbare orde. De rechter verleent of weigert zijn goedkeuring van het akkoord zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen de bewindvoerder, schuldenaren en schuldeisers als hun standpunt naar voren brengen.

De omstandigheid dat er voor de ter verificatie verschenen schuldeisers, zoals de rechter-commissaris en schuldenaren betogen, geen behoefte is aan een rechterlijk ingrijpen teneinde een rechtvaardige uitkomst te bewerkstelligen, kan er derhalve niet toe leiden dat de rechtbank voorbij kan gaan aan de primaire vraag of de baten des boedels de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan. Deze weigeringsgrond is, zoals hiervoor overwogen, imperatief voorgeschreven en de rechtbank is gehouden deze bepaling toe te passen zonder acht te slaan op het standpunt van schuldeisers. Bij dit alles dient overigens bedacht te worden dat een viertal crediteuren niet voor het akkoord hebben gestemd en dat de imperatieve weigeringsgrond (mede) ook ertoe strekt hun belangen bij een evenwichtige verdeling van het beschikbare actief veilig te stellen. De ratio van het criterium van artikel 153 lid 2 aanhef onder 1o Fw is daarin gelegen dat een minderheid van schuldeisers alleen dán gedwongen kan worden toe te treden tot een contractuele relatie indien deze schuldeisers via een reguliere uitdeling niet méér tegemoet kunnen zien dan hetgeen hen in het kader van het aangenomen akkoord is aangeboden. Volgens opgave van de bewindvoerder ter zitting hebben drie van de betrokken vier schuldeisers laten weten niet met het akkoord in te stemmen. De omstandigheid dat zij zulks niet ter zitting tot uitdrukking hebben gebracht komt, anders dan door de rechter-commissaris en schuldenaren betoogd, geen bijzondere betekenis toe, zulks in verband met het hiervoor aangehaalde bijzondere dwingendrechtelijke karakter van de homologatietoetsing. De passieve opstelling van genoemde vier crediteuren acht de rechtbank gerechtvaardigd, indien tot uitgangspunt wordt genomen dat in het licht van art. 153 lid 2 aanhef en onder 1o Fw sprake is van een niet-homologeerbaar akkoord.

Het wettelijke toetsingskader brengt derhalve met zich dat het advies van de rechter-commissaris en het standpunt van schuldenaren om - niettegenstaande de weigeringsgrond van artikel 153, tweede lid, aanhef en onder 1o, Fw - toch tot homologatie van het akkoord over te gaan niet kan worden gevolgd..

Derhalve dient met toepassing van de in artikel 153, tweede lid, onder 1o, Fw vastgestelde grond de homologatie van het aan de orde zijnde akkoord te worden geweigerd.

Beoordeling schone lei

Vervolgens is de vraag aan de orde of de schuldenaren in aanmerking komen voor de schone lei. Aangezien de looptijd van de regelingen krachtens het op 7 januari 2003 vastgestelde saneringsplan - waarin de looptijd is bepaald op 3 jaar te rekenen vanaf de datum waarop de regeling is uitgesproken, derhalve tot 6 januari 2006 - is verstreken dient de rechtbank immers te beoordelen of schuldenaren zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun uit de regeling voortvloeiende verplichtingen.

Door de bewindvoerder is schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregelingen. Het verslag houdt onder meer in dat naar het oordeel van de bewindvoerder schuldenaren hun uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen. De rechter-commissaris heeft zich bij dit oordeel aangesloten.

Nu de rechtbank is gebleken dat schuldenaren niet zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, is de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringen dienen te worden beëindigd met de toekenning van de schone lei.

Het salaris van de bewindvoerder zal separaat bij beschikking worden vastgesteld.

De kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties komen ten laste van de Staat, indien en voor zover blijkt dat deze niet geheel uit de boedel kunnen worden voldaan.

Gelet op de artikelen 338 jo 153 en 339 jo 354, eerste lid, Fw beslist de rechtbank als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- weigert de homologatie van het op 10 januari 2006 aangenomen akkoord;

- stelt vast dat de schuldenaren niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende

verplichtingen zijn tekortgeschoten;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is

geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaren eindigen op 6 januari 2006;

- bepaalt dat de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties ten laste van de Staat komen, indien en voor

zover deze niet uit de boedel kunnen worden voldaan.

Gedaan door mr. W. Schoorlemmer, lid van de eerste enkelvoudige kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2006 in tegenwoordigheid van mr. G. Tajjiou, griffier.