Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AV7158

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2005
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
426906
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 84
Prg. 2006, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K 's - H E R T O G E N B O S C H

KANTONRECHTER te EINDHOVEN

VONNIS EX ARTIKEL 254 VAN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING:

in de zaak van:

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV Bondgenoten,

gevestigd te Utrecht,

2. [eiser],

wonende te [adres]

3. [eiser],

wonende te [adres],

4. [eiser],

wonende te Bladel,

5. [eiser],

wonende te [adres],

6. [eiser]

wonende te [adres]

eisers,

gemachtigde: mevrouw mr. A.M. Dielemans-Buiteman, verbonden aan FNV Bondgenoten, Individuele Dienstverlening te Weert,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Philips Enabling Technologies Group Nederland B.V., handelend onder de naam Philips ETG,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde.

1. De procedure.

Deze blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief d.d. 2 december 2005, met bijlagen, van de gemachtigde van gedaagde;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling op 7 december 2005, met daaraan gehecht de pleitnota's van de gemachtigden van beide partijen.

Eiseres sub 1 zal hierna FNV worden genoemd, terwijl eisers sub 2 tot en met 6 ook als [eisers]. worden aangeduid. Gedaagde wordt aangeduid als Philips.

2. De feiten.

2.1. Philips kent sinds jaar en dag een zogeheten Groepsvervoerregeling, waarbij (groepen) werknemers voor hun woon-werkverkeer gebruik kunnen maken van door Philips ingezette en betaalde (touringcar-)bussen. Hoogtepunt in het bestaan van het groepsvervoer waren de begin jaren '70 van de vorige eeuw, toen krachtens deze regeling ca. 11.000 Philips- (en DAF)-medewerkers naar en van hun werk in Eindhoven en direct aangrenzende gemeenten werden vervoerd.

[eisers]. zijn in dienst bij Philips. Eiser sub 6 maakt het langst gebruik van de regeling: reeds 43 jaar, en eiser sub 3 het kortst: ongeveer 15 jaar. Een substantieel aantal van de werknemers die gebruik maken van de regeling is woonachtig in België in de grensstreek met Nederland.

Sedert de jaren '70 is sprake van een dalende tendens in het aantal deelnemers dat van deze regeling gebruik maakt. Oorzaken daarvan zijn o.m. de invoering van flexibele werktijden, het toenemende autobezit, de afnemende werkgelegenheid bij Philips en het toenemend belang van individuele keuzevrijheid. In verband met het gestaag dalende aantal deelnemers zijn in de loop der jaren allerlei organisatorische maatregelen genomen. Zo is o.m. tweemaal (in 1999 en 2003) onderzoek gedaan naar de mogelijkheid en haalbaarheid van het vervoer met kleine busjes en hebben in de periode van 2001 tot heden voortdurend aanpassingen in het buslijnen-netwerk plaatsgevonden. Voormelde onderzoeken wezen uit, dat het vervoer met kleine busjes geen alternatief was.

Thans maken minder dan 200 Philips-werknemers nog gebruik van deze regeling, onder wie [eisers].. Ongeveer 76 van de huidige gebruikers zijn woonachtig in België. De deelnemers aan de regeling komen (vanzelfsprekend) niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer.

2.2. De Groepsvervoerregeling is neergelegd in de Richtlijn Arbeidsvoorwaarden (RAV), nr. 107.

Artikel 4 van deze regeling luidt, voorzover thans van belang, als volgt:

"Indien zich omstandigheden voordoen waardoor van de onderneming redelijkerwijs niet gevraagd kan worden het groepsvervoer in stand te houden, kan de deelname worden opgeheven of tijdelijk worden geschorst."

2.3. Bij brief van 19 januari 2005 (prod. 3 dagv.) heeft Philips de deelnemers schriftelijk meegedeeld, dat het lopende contract met de busmaatschappij per 31 december 2005 zou eindigen en dat een werkgroep is ingesteld die de gevolgen van het aflopen van het contract en de teruglopende deelname zal onderzoeken. Bij brief van 14 april 2005 heeft Philips de deelnemers bericht, dat het groepsvervoer per 1 januari 2006 zal worden afgeschaft en dat de deelnemers een financiële compensatieregeling wordt geboden. Op 16 februari 2005 had Philips de Centrale Ondernemings Raad (COR) reeds ingelicht over haar besluit tot afschaffing van de regeling. Door eisers, noch door de (C)OR is met dit besluit ingestemd.

3. Het geschil.

3.1. Eisers maken bezwaar tegen het eenzijdig afschaffen door Philips van de hierbedoelde groepsvervoerregeling en stellen daartoe als volgt.

3.2.1. FNV stelt zich ten doel de belangen van de bij haar aangesloten werknemers te behartigen en omdat het groepsvervoer een bedrijfseigen-regeling van Philips betreft kan FNV namens haar leden in onderhavige procedure als eisende partij optreden. [eisers]. treden als eisers op, omdat zij direct door de afschaffing van de regeling worden getroffen en het hier een wijziging van arbeidsvoorwaarden betreft waarmee zij niet akkoord gaan.

3.2.2. De besluitvorming rond het afschaffen van de regeling is onzorgvuldig geweest. Toen de COR op 16 februari 2005 werd geïnformeerd was het besluit al genomen en onomkeerbaar. Philips heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met mogelijke inbreng vanuit de COR en Philips heeft niet willen ingaan op het voorstel van de COR om met de betrokkenen te overleggen en de knelpunten te bekijken. De COR, noch FNV, noch de betrokken werknemers hebben invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming, terwijl Philips ook niet met hen heeft willen spreken over mogelijke alternatieven en/of oplossingen. Bij de eenzijdige afschaffing is het beginsel van hoor en wederhoor dus niet (voldoende) toegepast. Reeds het niet betrekken van de (Centrale) Ondernemingsraad en de vakorganisaties bij de besluitvorming is voldoende voor de conclusie dat Philips niet tot eenzijdige afschaffing van de regeling kan overgaan. Weliswaar heeft er eind juni 2005 alsnog informeel overleg plaatsgevonden tussen de vakorganisaties en Philips, hetgeen heeft geleid tot verruiming van de afkoopregeling, doch daarmee zijn de bezwaren tegen de gevolgde procedure en de afschaffing van de regeling niet weggenomen.

3.2.3. Bij het merendeel van de gebruikers is de toepassing van de Groepsvervoerregeling, c.q. de toepassing van de RAV 107, niet schriftelijk in hun arbeidsovereenkomst opgenomen. Derhalve is geen sprake van een wijzigingsbeding als bedoeld in art. 7:613 BW. De regeling is automatisch onderdeel gaan uitmaken van de arbeidsvoorwaarden. Er dient getoetst te worden aan het criterium van art. 6:248 lid 2 BW. Uitsluitend wanneer voortzetting van de regeling in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor Philips onaanvaardbaar zou zijn, is een wijziging van de regeling (eventueel) mogelijk. Die situatie is hier niet aan de orde.

3.2.4. Bij de eenzijdige afschaffing heeft Philips onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de deelnemers. Philips heeft ook geen zwaarwegend belang bij wijziging van de regeling. Er is geen financiële noodzaak voor afschaffing, want het gaat financieel goed met Philips.

De geboden financiële compensatie weegt niet op tegen de consequenties van het afschaffen van de regeling. Bovendien geldt voor sommige gebruikers van de regeling, dat zij niet over een rijbewijs en/of geschikt vervoermiddel beschikken, zodat zij zijn aangewezen op het openbaar vervoer. In een aantal gevallen (in het bijzonder voor de in België woonachtige deelnemers) biedt dat echter geen soelaas, omdat er op de betreffende tijdstippen geen openbaar vervoer rijdt en/of omdat de daarmee gemoeide tijd onaanvaardbaar lang is. Eiser sub 6 bijvoorbeeld is thans ongeveer 1,5 uur per dag onderweg voor woon-werk-verkeer; indien hij gebruik moet gaan maken van openbaar vervoer is hij dagelijks ongeveer 4 uur onderweg.

3.3. Op voormelde gronden vorderen eisers, dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening:

primair: Philips veroordeelt tot handhaving van de groepsvervoerregeling in zijn huidige vorm dan wel een soortgelijke feitelijke vervoersvoorziening op en na 1 januari 2006 onder verbeurte van een dwangsom van ? 4.500,00 netto per dag voor iedere dag dat Philips hiermee na de datum van dit vonnis in gebreke blijft;

subsidiair: Philips veroordeelt tot een volledige financiële compensatie van de door de gebruikers van de groepsvervoerregeling te maken kosten voor het woon-werkverkeer;

een en ander met veroordeling van Philips in de proceskosten.

3.4. Philips bepleit afwijzing van de vorderingen en voert daartoe -kort samengevat- het volgende aan.

Over haar besluit tot afschaffing van het groepsvervoer is wel degelijk tijdig overleg met de COR en de vakbonden gevoerd.

Het groepsvervoer is geen arbeidsvoorwaarde, maar een faciliteit waarvan aan de werknemers duidelijk was en is dat deze slechts tot nader order zou gelden. In de arbeidsovereenkomsten met sommige werknemers is dat met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht, in andere arbeidsovereenkomsten wordt het groepsvervoer niet eens genoemd. Omdat geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde maar van een faciliteit, heeft Philips ten aanzien van de beëindiging daarvan in beginsel beoordelingsvrijheid. Aan de eisen van goed werkgeverschap is voldaan, doordat sprake is geweest van tijdige aankondiging van de maatregel en een alleszins redelijke financiële compensatieregeling is getroffen. De kosten voor het instandhouden van de regeling zijn daarentegen onevenredig hoog geworden.

Bij Philips gelden drie soorten Richtlijnen Arbeidsvoorwaarden (RAV's):

a. RAV's die uitvoeringsmaatregelen van de CAO zijn en ter goedkeuring aan de vakorganisaties worden voorgelegd;

b. RAV's waarover de COR (mede-)zeggenschap heeft, voortvloeiend uit de WOR of als historisch gegeven;

c. RAV's waarover de onderneming zelf zeggenschap heeft en waarvan de bedrijfsonderdelen kunnen afwijken.

Aan de twee eerstgenoemde categorieën kan de werknemer rechten ontlenen, aan de laatste categorie niet. De onderhavige RAV 107 berust niet op de CAO en valt in de laatstgenoemde categorie.

In het subsidiaire geval dat wel van een arbeidsvoorwaarde gesproken zou moeten worden geldt, dat in een aantal van de arbeidsovereenkomsten en in de RAV zelf is voorzien in de mogelijkheid van eenzijdige wijziging c.q. beëindiging van de voorziening.

Bij het groepsvervoer gaat het om een naar zijn aard collectieve voorziening. Van Philips kan in redelijkheid niet worden gevergd, dat zij voor een enkele werknemer nog een bus laat rijden. Gezien het relatief erg lage aantal deelnemers is het financieel niet meer verantwoord de regeling nog langer voort te zetten, niet alleen uit kostenoogpunt maar ook omdat er een wanverhouding is ontstaan tussen de voorziening die geldt voor werknemers die wèl van het groepsvervoer gebruik maken en werknemers die dat niet doen.

Tot slot geldt, dat Philips een alleszins redelijke financiële overgangs- c.q. compensatieregeling heeft ontworpen en bereid is om daarnaast in individuele, echt schrijnende gevallen een (overigens nog niet vastgestelde) hardheidsclausule toe te passen waarbij een verdergaande compensatie aan de orde kan zijn. Dat dient echter op individuele basis te worden beoordeeld. Of in die gevallen sprake moet zijn van een volledige financiële compensatie, zoals subsidiair door eisers gevorderd, of van een andere, minder vergaande tegemoetkoming, zal van geval tot geval moeten worden bezien.

Philips heeft bovendien voor medewerkers voor wie het openbaar vervoer geen alternatief is op haar intranet een carpoolprogramma geplaatst.

4. De beoordeling.

4.1. Eisers hebben een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening omdat [eisers]., als het aan Philips ligt, op zeer korte termijn verstoken zullen zijn van het tot 1 januari 2006 verzorgde vervoer naar en van het werk.

4.2. Een voorlopige voorziening kan slechts worden toegewezen, indien er met een redelijke mate van waarschijnlijkheid van kan worden uitgegaan, dat een dienovereenkomstige vordering in een bodemprocedure voor toewijzing in aanmerking komt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is die situatie hier aan de orde.

4.3. De eerste vraag is, of sprake is van een arbeidsvoorwaarde, zoals door eisers wordt gesteld, of van een door Philips als zodanig aangeduide 'faciliteit': een voorziening waarop door de werknemer in beginsel voor de toekomst geen aanspraak kan worden gemaakt.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ligt het gelijk aan de zijde van eisers. Vast staat dat [eisers]. reeds langer dan 15 jaar van de groepsvervoerregeling gebruik maken. De omstandigheid, dat de regeling bij sommige deelnemers niet is vastgelegd in de individuele arbeidsovereenkomsten betekent naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet, dat deze regeling geen onderdeel van de arbeidsovereenkomsten is gaan uitmaken. Het is immers vaste jurisprudentie, dat niet doorslaggevend zijn de aanvankelijk overeengekomen arbeidsvoorwaarden, maar dat mede betekenis toekomt aan de wijze waarop partijen in de praktijk aan de arbeidsovereenkomst uitvoering hebben gegeven. Voor een aantal van de deelnemers geldt, dat ze voor hun vervoer van en naar het werk nagenoeg volledig of in hoge mate afhankelijk zijn van het door Philips geboden groepsvervoer. Door het jarenlang bestendige gebruik, dat de gebruikers van deze regeling hebben gemaakt, is de vervoersvoorziening onderdeel gaan uitmaken van de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten verplichtingen. Het standpunt van Philips, dat sprake zou zijn van een "faciliteit" en niet van een arbeidsvoorwaarde, is in dit verband opmerkelijk, omdat Philips de regeling heeft neergelegd in een "Richtlijn Arbeidsvoorwaarden" (cursivering kantonrechter) en daarmee in feite ook zelf aangeeft dat de richtlijn ziet op aanspraken die de gebruikers van de regeling aan hun arbeidsovereenkomst kunnen ontlenen. De vraag of sprake is van een primaire, secundaire of tertiaire arbeidsvoorwaarde kan in dit verband in het midden blijven.

4.4. De volgende vraag is, of Philips in deze arbeidsvoorwaarde een eenzijdige wijziging mag aanbrengen als door haar gewenst, te weten afschaffing van de regeling.

Eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden is in beginsel niet geoorloofd. Philips kan zich in dit verband niet beroepen op de wijzigingsmogelijkheid van art. 4 van RAV 107 omdat deze bepaling, naar tussen partijen vaststaat, eenzijdig door Philips is vastgesteld en niet in de schriftelijke arbeidsovereenkomsten van [eisers]. is opgenomen, niet haar grondslag vindt in een (Philips-)CAO en ook niet in overleg met de vakorganisaties tot stand is gekomen. De bepaling is derhalve niet in de arbeidsverhouding tussen partijen geïncorporeerd en kan dus ook niet dienen als basis voor de toepassing van art. 7:613 BW. Daarvoor is vereist dat duidelijk kenbaar is dat de werknemer schriftelijk akkoord is gegaan met de opname van een eenzijdig wijzigingsbeding in zijn arbeidscontract. Die situatie is hier niet aan de orde.

4.5. Door Philips is aangevoerd, dat in een aantal gevallen (bij indiensttreding van de werknemer) in de individuele arbeidsovereenkomst is opgenomen, dat de werknemer "tot nader order" van de groepsvervoerregeling gebruik kan maken en dat haar dat de vrijheid geeft de regeling eenzijdig te beëindigen met inachtneming van de vereisten van goed werkgeverschap. Die stelling kan haar niet baten, reeds omdat tussen partijen vast staat, dat deze clausule niet bij alle deelnemers in hun arbeidsovereenkomst is opgenomen. Bovendien hebben zowel eisers als Philips bij de grondslagen van hun vordering c.q. verweer geen strikt individueel onderscheid gemaakt tussen deelnemers aan de regeling bij wie deze clausule wèl en deelnemers bij wie de clausule niet in hun contract is opgenomen. Het gaat partijen in dit geding kennelijk om een duidelijk antwoord op de vraag of de groepsvervoerregeling als geheel kan worden afgeschaft of niet.

4.6. Aan Philips kan worden toegegeven dat, naar zij onweersproken heeft gesteld, in het verleden in verband met het dalende aantal deelnemers reeds meermalen organisatorische maatregelen zijn getroffen alsmede aanpassingen in het buslijnen-netwerk hebben plaatsgevonden en dat in zoverre de deelnemers niet zonder meer op ongewijzigde instandhouding van het groepsvervoer tot in de verre toekomst mogen en kunnen vertrouwen. Dat neemt echter niet weg, dat bij de huidige stand van zaken naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet kan worden gezegd, dat handhaving van het groepsvervoer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.7. Philips heeft vier argumenten genoemd op grond waarvan zij meent dat afschaffing van de regeling gerechtvaardigd is: a. de kosten, zowel absoluut als relatief d.w.z. gerelateerd aan de vergoeding voor andere werknemers, b. organisatorische (on-)beheersbaarheid, c. belemmeringen m.b.t flexibiliteit, en d. eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers.

4.8. Met betrekking tot de kosten heeft Philips er zich op beroepen, dat de overheidssubsidie op het groepsvervoer (meer dan € 300.000,= per jaar) mogelijk in 2006 en uiterlijk per 1 januari 2007 zal komen te vervallen. Dat betekent (het woord 'mogelijk' zegt dat reeds), dat het intrekken van de subsidie nog niet zeker is en in elk geval thans nog niet aan de orde is. Het betekent voorts, dat uitgegaan moet worden van het door Philips genoemde en door eisers niet bestreden bedrag van

€ 4.000,00 aan kosten per deelnemer bij het huidige aantal van ca. 165 deelnemers en € 4.600,00 per deelnemer bij het medio 2006 te verwachten lagere aantal deelnemers van ca. 145. De kosten voor woon-werkverkeer voor de overige medewerkers bedragen ongeveer € 1.747,00 per werknemer per jaar. De groepsvervoerregeling is derhalve per werknemer ongeveer twee- tot driemaal zo duur als de 'gewone' reiskostenregeling.

Het vorenstaande impliceert, dat Philips het komende jaar ongeveer € 413.500,00 aan meerkosten kwijt is voor het groepsvervoer ([4600 -/- 1750] x 145). Voorshands oordeelt de kantonrechter deze meerkosten niet zodanig hoog, dat in de gegeven omstandigheden het laten voortbestaan van de groepsvervoerregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Niet uitgesloten is dat, indien in de toekomst de subsidie inderdaad komt te vervallen en het aantal gebruikers nog verder zal dalen, een andere beoordeling op zijn plaats is.

De omstandigheid, dat een deelnemer aan het groepsvervoer geen kosten hoeft te maken voor woon-werkverkeer en de overige werknemers de kosten voor woon-werkverkeer slechts voor een deel vergoed krijgen (Philips spreekt in dit verband van een wanverhouding), legt onvoldoende gewicht in de schaal, nu overige werknemers óf geen aanspraak hebben op het gebruik van de regeling óf daarvan niet (langer) gebruik kunnen of willen maken.

4.9. Het argument van Philips, dat thans sprake zou zijn van 'organisatorische onbeheersbaarheid' is door haar niet nader onderbouwd anders dan met een verwijzing naar in het verleden getroffen maatregelen en kan dan ook als zodanig geen gewicht in de schaal leggen. Zo is het de kantonrechter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk waarom het merendeel van het vervoer via de toevoerlijnen, dat nu nog kennelijk met grote bussen gebeurt, niet zou kunnen worden uitgevoerd met mini-busjes of taxi's. Uit bijlage 25 van Philips blijkt immers, dat zeven van de acht toevoerlijnen een maximale bezetting hebben van vier personen. Kennelijk is uitsluitend het per 31 december 2005 eindigen van het huidige contract met de busmaatschappij de directe aanleiding geweest voor afschaffing van de regeling, terwijl niet blijkt dat eventuele alternatieven in voldoende mate zijn onderzocht.

Ook het standpunt van Philips, dat het streven naar flexibiliteit een onoverkomelijke drempel zou vormen voor handhaving van de collectieve regeling, is door Philips niet nader toegelicht of onderbouwd, noch in haar brief van 14 april 2005 (bijlage 11 van Philips), noch bij gelegenheid van de mondelinge behandeling.

4.10. Waar Philips decennia lang het groepsvervoer heeft verzorgd en daarmee de gebruikers daarvan in feite in belangrijke mate van haar afhankelijk heeft gemaakt waar het betreft het vervoer van en naar het werk, gaat het niet aan deze regeling thans af te schaffen met een beroep op de "eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers" en zonder dat sprake is van een adequaat alternatief. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat tussen partijen onbetwist is dat [eisers]. een zwaarwegend belang hebben bij handhaving van het groepsvervoer. Philips heeft niet weersproken dat bij het wegvallen daarvan het voor sommige deelnemers niet of slechts onder zeer moeilijke omstandigheden en met onaanvaardbaar lange reistijden mogelijk zal zijn per openbaar vervoer tijdig naar en van het werk te komen. Philips heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat de in het leven geroepen financiële compensatieregeling en/of het gecreëerde "carpoolprogramma" voor deze ernstige vervoersproblemen een adequate oplossing bieden.

4.11. De slotsom is, dat onvoldoende is gebleken van zodanige zwaarwegende omstandigheden aan de zijde van Philips dat handhaving van de groepsvervoerregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De overige stellingen van partijen, in het bijzonder omtrent de beweerdelijke (on-)zorgvuldigheid van de besluitvorming c.q. het gebrek aan voldoende overleg met vakbonden en (C)OR, behoeven geen bespreking meer.

4.12. De primaire vordering is toewijsbaar met dien verstande dat de eventueel te verbeuren dwangsommen zullen worden gemaximeerd.

4.13. Philips dient, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden verwezen.

5. De beslissing.

De kantonrechter, een voorlopige voorziening treffende als bedoeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

veroordeelt Philips tot handhaving van de groepsvervoerregeling in zijn huidige vorm dan wel een soortgelijke feitelijke vervoersvoorziening op en na 1 januari 2006 onder verbeurte van een dwangsom van € 4.500,00 netto per dag voor iedere dag dat Philips hiermee na dit vonnis in gebreke blijft, echter met dien verstande dat aan dwangsommen maximaal een bedrag van € 1.000.000,00 kan worden verbeurd en dat deze dwangsomsanctie vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt Philips in de kosten van het geding, voorzover aan de zijde van FNV en [eisers]. zijn gevallen en tot op heden begroot op € 85,60 wegens dagvaardingskosten, € 276,00 wegens griffierecht en € 500,00 wegens gemachtigdensalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 20 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.

1

8

426906/VV05/11267