Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AV1039

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
344596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks de door partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk gemaakte afspraak dat op de overeenkomst het Duitse recht van toepassing zou zijn, is werkgeefster van mening dat op grond van de bepalingen van het Europese Overeenkomstenverdrag (EVO) thans toch voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht dient te worden gekozen.

Aan de hand van de bepalingen van het EVO stelt de kantonrechter vast dat het Duitse recht van toepassing blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K 's - H E R T O G E N B O S C H

KANTONRECHTER te 's-HERTOGENBOSCH

Zaaknummer : [nummer]

Rolnummer : [04-]

Uitspraak : 15 december 2005

VONNIS

in de zaak van:

mevrouw [eiseres]

wonende te Boxtel ,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.F. de Koning,

advocaat te 's-Hertogenbosch ,

t e g e n :

de rechtspersoon [gedaagde] GmbH,

gevestigd te Mönchengladbach (Duitsland) ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.N. van Geenen,

advocaat te Venlo.

1. DE PROCEDURE

Op 25 augustus 2005 is door de kantonrechter een tussenvonnis gewezen, waarbij de zaak is verwezen naar een nadere rolzitting om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten omtrent de toepasselijkheid van het Nederlandse of Duitse recht, een en ander zoals in dat vonnis omschreven.

Beide partijen hebben hierop een akte genomen.

Daarna is vonnis bepaald.

Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als '[eiseres]' en '[[gedaagde]].

2. DE BEOORDELING

2.1 Volhard wordt bij hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist.

Bij gemeld tussenvonnis is de vordering van [eiseres] tegen de Nederlandse vennootschap afgewezen.

Verder heeft de kantonrechter aan partijen de vraag voorgelegd of , nu de procedure nog enkel voortduurt tegen de Duitse vennootschap, het Nederlandse of Duitse recht van toepassing is.

2.2 Allereerst verwijst de kantonrechter naar hetgeen hij daaromtrent heeft overwogen onder rechtsoverweging "2.4" bij meergemeld tussenvonnis.

[eiseres] erkent dat partijen bij het aangaan van hun overeenkomst uitdrukkelijk hebben gekozen voor de toepasselijkheid van het Duitse recht op die overeenkomst.

In weerwil daarvan is [eiseres] echter van oordeel dat zulks niet automatisch dient te leiden tot de vaststelling dat terzake het Duitse recht van toepassing is, doch dat de vraag welk recht van toepassing is, dient te worden beantwoord aan de hand van de belangrijkste regelgeving, het EVO, het Europees Overeenkomstenverdrag. [eiseres] verklaart voorts dat daarnaast van belang is het BBA , omdat op grond daarvan een werkgever, al dan niet in Nederland gevestigd, voorafgaand toestemming van het CWI nodig heeft, voordat hij tot opzegging kan overgaan.

De kantonrechter deelt deze mening in zoverre niet, daar eerst aan de hand van de bepalingen van het EVO dient te worden beoordeeld of de destijds door partijen uitdrukkelijk gedane keuze al dan niet leidt tot de vaststelling dat terzake het Duitse recht van toepassing is, en eerst daarna mogelijkerwijze de bepalingen van het BBA aan de orde komen.

2.3 Als onweersproken is zijdens [eiseres] aangevoerd dat het EVO in artikel 3 bepaalt dat partijen voor de toepassing van een bepaald recht kunnen kiezen. Zulks is uitdrukkelijk geschied met de rechtskeuze voor het Duitse recht.

Vervolgens wordt verwezen naar het bepaalde bij artikel 6 lid 2 EVO .

Dit artikel vermeldt in lid 1: "Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn".

Het aldus bepaalde betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat indien zonder rechtskeuze op grond van het bepaalde bij lid 2 van artikel 6 het Nederlandse recht van toepassing zou dienen te worden verklaard, conform het bepaalde bij lid 1 de wel gedane uitdrukkelijke rechtskeuze er niet toe kan leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij zou hebben conform de bepalingen van in casu het BBA.

Aldus komt aan de orde het bepaalde bij lid 2: "Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:

a. het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land te werk is gesteld, of:

b. het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht.,

tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is".

In dat kader heeft [gedaagde] in het bijzonder aangevoerd dat [eiseres] in dienst is getreden bij een Duitse vennootschap op grond van een arbeidsovereenkomst naar Duits recht, dat [eiseres] haar instructies rechtstreeks vanuit Duitsland ontving en nimmer werkzaamheden op het grondgebied van Nederland verrichtte, maar op Belgisch grondgebied.

2.4 Bij het tussenvonnis van 25 augustus 2005 is reeds overwogen dat de Nederlandse vennootschap terzake slechts heeft gediend als een tussenpersoon voor de salarisbetalingen. Dat betekent dus ook dat er geen sprake is van het in dienst zijn gekomen bij een vestiging in Nederland. Verder is alsdan van belang waar de arbeid "ter uitvoering van de overeenkomst" gewoonlijk werd verricht. Volgens [gedaagde] betrof zulks in ieder geval niet Nederland. [eiseres] zegt hierover niet meer dan dat haar werkgebied zich richtte op de markten in België en Nederland. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord daarover verklaard dat het weliswaar in oorsprong de bedoeling was dat [eiseres] vanaf juli 2002 ook de Nederlandse markt zou gaan bewerken, maar dat het zover nooit is gekomen. In reactie hierop verwijst [eiseres] naar het in het arbeidscontract opgenomen voornemen dat zij later ook de Nederlandse markt zou gaan bewerken, doch zulks is in zoverre niet van belang, nu slechts dient te worden gekeken naar de plaats van de uiteindelijk daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Uit hetgeen [eiseres] daarover nog verder heeft verklaard leidt de kantonrechter af dat [eiseres] in den beginne weliswaar regelmatig heeft vertoefd op de vestiging van de Nederlandse vennootschap, doch dat zulks was om haar in te werken, c.q. om inzicht te verkrijgen in de producten, werkwijze en klantenbestand. Hiermede is naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans onvoldoende weersproken de uitdrukkelijke stelling van [gedaagde] dat [eiseres] slechts de Belgische- en in ieder geval niet de Nederlandse markt heeft bewerkt.

In het kader van het gestelde bij voormeld artikel acht de kantonrechter van geen belang dat [eiseres] woonachtig was in Nederland en vanuit haar woonplaats naar haar werkgebied ging.

Tenslotte is er ook geen aanleiding om terzake aan te nemen dat uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met Nederland: genoegzaam staat in rechte vast dat [eiseres] in dienst is getreden van een Duitse vennootschap, haar instructies rechtstreeks vanuit Duitsland ontving en de werkzaamheden zich richtten op het grondgebied van België.

De kantonrechter komt aldus tot het oordeel dat uit het bepaalde bij lid 2 van artikel 6 EVO de toepasselijkheid van het Nederlandse recht niet voortvloeit, weshalve ook het bepaalde bij lid 1 van dat artikel buiten toepassing blijft.

Vastgesteld wordt aldus dat op de onderhavige arbeidsovereenkomst het Duitse recht van toepassing is. Nu de vorderingen van [eiseres] zijn gebaseerd op de bepalingen en toepassing van het Nederlandse recht, dient zulks te leiden tot een ongegrondheid van de vorderingen en een afwijzing ervan.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen.

3. DE BESLISSING

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op 3.625,-- euro, als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met B.T.W. belast).

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.Lührman, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

15 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.