Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AU9246

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
AWB 05 / 1034 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het recht op bijstandsuitkering met ingang van 24 september 1998 herzien en met ingang van 1 januari 2002 beëindigd, kort gezegd, omdat eiser onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt omtrent de teelt van hennep en het hiermee behaalde financieel gewin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-Hertogenbosch, zittinghoudende te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 1034 NABW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Eindhoven (Dienst Werk, Zorg en Inkomen),

gevestigd te Eindhoven, verweerder.

Datum bestreden besluit: 3 augustus 2004

Kenmerk: 1153787/BB/21628

Behandeling ter zitting: 2 november 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 11 november 2002, gericht tegen een door verweerder genomen besluit van 5 november 2002, gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juni 2004 heeft de rechtbank het namens eiser ingestelde beroep tegen het besluit van 4 maart 2003, inzake Reg.nr. 03/ 1073 NABW, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 3 augustus 2004 heeft verweerder opnieuw op het bezwaarschrift beslist. Daarnaast is op het verzoek om vergoeding van de kosten die in de bezwaarprocedure zijn gemaakt afwijzend beslist.

Bij brief van 9 september 2004 is op de daartoe bij brief van 7 oktober 2004 aangevoerde gronden namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 3 augustus 2004 door zijn gemachtigde mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 2 november 2005, waar eiser is verschenen bij voornoemde gemachtigde en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Eiser ontving sinds 1987 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 8 februari 2002 heeft verweerder het recht op die uitkering met ingang van 24 september 1998 herzien en met ingang van 1 januari 2002 beëindigd, kort gezegd, omdat eiser onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt omtrent de teelt van hennep en het hiermee behaalde financieel gewin. Vervolgens is het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar waarbij het besluit van 8 februari 2002 in stand is gelaten door deze rechtbank bij uitspraak van 4 juni 2003, inzake Reg.nr. 02/ 1449 NABW, ongegrond verklaard.

Voorts is bij besluit van 7 maart 2002 de tengevolge van het besluit van 8 februari 2002 ten onrechte genoten bijstandsuitkering over de periode 24 september 1998 tot 1 januari 2002 van eiser teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Eiser heeft op 27 augustus 2002 een nieuwe bijstandsaanvraag ingediend.

Bij besluit van 5 november 2002 heeft verweerder die aanvraag gehonoreerd met dien verstande dat daarbij een maatregel is toegepast van een korting van 20% voor de duur van twee jaar. Bij die maatregel is verweerder uitgegaan van het standpunt dat eiser door middel van de hennepkwekerij op 1 januari 2002 een vermogen zou hebben vergaard van € 110.813,13 en dat eiser daarvan (na aftrek van schulden en van het vrij te laten vermogen) een aanmerkelijk deel op onverantwoord snelle wijze had ingeteerd. Naar aanleiding van het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het besluit op bezwaar van 4 maart 2003 het te snel ingeteerde deel van het vermogen nader vastgesteld op een (lager) bedrag van € 33.752,96 en is in overeenstemming met het door verweerder ter zake gevoerde beleid de maatregel terug gebracht tot een korting van 20% voor de duur van anderhalf jaar.

Tegen het besluit van 4 maart 2003 is namens eiser beroep ingesteld. Bij de in rubriek 1. genoemde uitspraak van deze rechtbank van 24 juni 2004 is dat beroep gegrond verklaard, onder de overweging dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het recht op bijstand door schending van de informatieplicht op en na 1 januari 2002 niet was vast te stellen en dat op geen enkele wijze is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden en/of van nieuwe door eiser verstrekte informatie waardoor dat recht op en na 27 augustus 2002 wèl zou zijn vast te stellen. Aldus heeft verweerder een onjuiste motivering aan het besluit van 4 maart 2003 ten grondslag gelegd.

2.2. Het besluit

Bij het thans bestreden besluit van 3 augustus 2004 heeft verweerder, uitleg en uitvoering gevend aan de uitspraak van de rechtbank, besloten de opgelegde maatregel niet langer te handhaven. Daarnaast heeft verweerder besloten om de als gevolg van het niet handhaven van de maatregel te veel ingehouden uitkering te verrekenen met nog openstaande vorderingen. Tegelijkertijd heeft verweerder het verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten afgewezen, omdat niet kan worden staande gehouden dat verweerder tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen.

2.3. Het beroep

In beroep is namens eiser aangevoerd, kort samengevat, dat de nabetaling van dat gedeelte van de uitkering waarop eiser als gevolg van het niet handhaven van de maatregel alsnog aanspraak kon maken, ten onrechte niet aan hem is uitbetaald, maar in plaats daarvan zonder meer is aangewend tot verrekening met openstaande vorderingen. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet de kosten in verband met de bezwaarprocedure voor vergoeding in aanmerking gebracht. Het primaire besluit is per slot van rekening herroepen omdat het inhoudelijk onjuist was.

2.4. De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

2.4.1. De verrekening

Nu het bezwaarschrift, gericht tegen het primaire besluit van 5 november 2002, op 11 november 2002 en derhalve vóór de peildatum 1 januari 2004 is ingediend, dient daarop, gelijk verweerder heeft gedaan, ingevolge artikel 21, eerste lid en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, te worden beslist met toepassing van de Abw.

Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat een juiste uitleg van de uitspraak van deze rechtbank van 24 juni 2004 zou inhouden dat de aanvraag van eiser om hem met ingang van 27 augustus 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Abw had behoren te worden geweigerd. Enkel omdat een dergelijke beslissing zou neerkomen op een schending van het in artikel 7:11 Awb neergelegde verbod van reformatio in peius heeft verweerder gemeend bij het bestreden besluit de opgelegde maatregel niet te kunnen handhaven. De uitkering waarop eiser dientengevolge alsnog aanspraak kon maken is vervolgens niet aan eiser betaalbaar gesteld, maar door verweerder aangewend ter verrekening van openstaande vorderingen op eiser.

Hoewel verweerder in het bestreden besluit heeft verzuimd concreet aan te geven om welke openstaande vorderingen het hier gaat, kan er in het onderhavige geval redelijkerwijs van worden uitgegaan dat verweerder daarmee het oog heeft gehad op de vordering op eiser uit hoofde van de aan hem gedurende de periode van 24 september 1998 tot 1 januari 2002 onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering. Die terugvordering en, naar de rechtbank aanneemt ook de wijze van invordering, is overeenkomstig het bepaalde in artikel 86 van de Abw neergelegd in het besluit van 7 maart 2002 en staat rechtens vast.

Ingevolge artikel 86, eerste lid, van de Abw vermeldt het besluit tot terugvordering hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, op de wijze als omschreven in artikel 87 zal worden tenuitvoergelegd.

Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Abw levert het besluit tot terugvordering een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In het tweede lid van dit artikel wordt artikel 14f van de Abw van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze laatste bepaling regelt - voor zover ter zake doende - dat, indien degene van wie wordt teruggevorderd algemene bijstand ontvangt, het besluit tot terugvordering tenuitvoer wordt gelegd door verrekening met die bijstand.

Buiten dat de wet of de aard van de rechtsverhouding zich daartegen zou verzetten, wat hier niet het geval is, is naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen enkele redelijke grond te bedenken waarom verweerder een aan de terugvordering accessoire vordering niet zou mogen invorderen door deze met algemene bijstand te verrekenen. Daarop gelet, en mede gelet op de imperatieve formulering van artikel 14f, tweede lid, van de Abw, kan dan ook niet worden volgehouden dat de bij het bestreden besluit aangekondigde verrekening een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert. Het betoog van eiser dat erop was gericht de rechtsgrond van die verrekening aan te tasten, moet dan ook worden verworpen.

Overigens wil de rechtbank hierbij aantekenen dat de mogelijkheid om aldus algemene bijstand te verrekenen niet meer is teruggekeerd in de Wet werk en bijstand (Wwb), behoudens de in tijd beperkte mogelijkheid tot verrekening van artikel 58, derde lid, van de Wwb. Dat betekent dat het bestuursorgaan bij de huidige stand van zaken (wél) is gehouden gebruik te maken van de mogelijkheden tot verrekening die op grond van het Burgerlijk Wetboek ten dienste staan.

Desalniettemin kan het bestreden besluit op het door eiser bestreden aspect van de verrekening geen stand houden. De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat het gebruikmaken van de bevoegdheid tot invordering op de wijze als in het bestreden besluit verwoord, te weten: het eenmalig, en dus niet structureel, verrekenen met de hoofdsom van een substantieel bedrag aan nabetaalde bijstand, op zichzelf geen wijziging brengt in de tot dan ingevolge het besluit tot terugvordering geldende betalingsmodaliteit. Van een door veranderde omstandigheden ingegeven - en blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 86 Abw ook door de wetgever gewilde - aanpassing van de wijze van invordering van kosten van bijstand is hier derhalve geen sprake.

Deze eenmalige verrekening, mogelijk geworden doordat verweerder bij het bestreden besluit de aan eiser bij besluit van 5 november 2002 opgelegde maatregel heeft laten vallen, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als het verrichten van een handeling die afwijkt van het besluit inzake terugvordering van kosten bijstand, zijnde een handeling als bedoeld in artikel 138 van de Abw. Op grond van deze bepaling wordt een dergelijke handeling voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld met een besluit. Dat eiser een rechtsmiddel, om te beginnen een bezwaarschrift, heeft aangewend tegen de als zodanig te kwalificeren handeling is de rechtbank nochtans niet gebleken. Dientengevolge en in zoverre is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Het beroep van eiser dient op dat punt dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank zal wél, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, het beroepschrift ter verdere behandeling als bezwaarschrift aan verweerder doorzenden.

2.4.2. De kosten in verband met de behandeling van het bezwaar

Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of eiser aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is niet of verweerder tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen maar of, voor zover in dit geding ter zake doende, sprake is van een herroeping van het aangevochten besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. In zoverre heeft verweerder derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd.

Uit het bestreden besluit valt op te maken dat verweerder tot het inzicht is gekomen de bij het primaire besluit aan eiser opgelegde maatregel te laten vallen en eiser per 27 augustus 2002 in aanmerking te brengen voor een ongekorte bijstandsuitkering. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat een juiste uitleg van de uitspraak van deze rechtbank van 24 juni 2004, althans in zijn ogen, erop neerkomt dat de aanvraag van eiser alsnog had behoren te worden geweigerd, maar dat hiertegenover staat het in artikel 7:11 van de Awb neergelegde verbod op reformatio in peius, dat eraan in de weg staat dat eiser door het maken van bezwaar en het instellen van beroep in een nadeligere positie belandt dan zonder het aanwenden van rechtsmiddelen het geval zou zijn geweest.

Gelet daarop moet worden geoordeeld dat, de herroeping van het in bezwaar aangevochten besluit door het niet handhaven van de bij dat primaire besluit opgelegde maatregel, niet zozeer het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, maar veeleer een gevolg van de uitleg die verweerder geeft aan het verbod op reformatio in peius en de consequenties daarvan bij schending van dat verbod, namelijk dat eiser door het maken van bezwaar uiteindelijk in een nadeligere positie zou zijn beland. Dat brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder het verzoek om vergoeding van de in bezwaar door eiser gemaakte kosten dan ook terecht, zij het op een onjuiste grond, heeft afgewezen. Het beroep dient derhalve in dit opzicht voor ongegrond te worden gehouden.

Nu de rechtbank uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken, dat het bestreden besluit anderszins in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, moet het beroep van eiser ook overigens voor ongegrond worden gehouden.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank ’s-Hertogenbosch:

1. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de als handeling als bedoeld in artikel 138 van de Abw aangemerkte eenmalige verrekening, niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2005

door mr. Geisel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kessels w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 13 december 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.