Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AU7918

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
133743 KG ZA 05-729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overschrijding termijn van zes maanden alvorens een terbeschikkinggestelde in een tbs-kliniek wordt geplaatst is onrechtmatig. Passende sanctie. Overmacht aan de zijde van de Staat. Systeem van wachtlijsten niet onredelijk of onbehoorlijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 133743 / KG ZA 05-729

Datum uitspraak: 13 december 2005

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

[eiser],

verblijvende te [............],

eiser bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2005,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. B.M. Speel-van Dijk te Nijmegen,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (DIENST JUSTITIËLE INRICHTINGEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE),

zetelende te Den Haag,

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur mr. H.E.G. van der Flier,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke, te Den Haag.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "de Staat" worden genoemd.

1. De procedure

1.1. [eiser] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van [eiser] heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties.

1.3. De advocaat van de Staat heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

1.5. In weerwil van de toezegging zijdens de Staat (zie hierover nader in r.o. 2.8) nog een nader bericht te zullen inzenden, is tot op heden niets van hem vernomen.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van 12 januari 2005 van de rechtbank te Arnhem is [eiser] ter zake van doodslag ontslagen van alle rechtsvervolging in verband met ontoerekeningsvatbaarheid en is hem tbs met dwangverpleging opgelegd.

2.2. Op 27 januari 2005 is voornoemd vonnis onherroepelijk geworden. Door de Staat is de wachtlijstdatum van [eiser] in verband met plaatsing in een tbs-kliniek bepaald op dezelfde datum.

2.3. Bij brief van 29 juli 2005 heeft de Staat erkend dat de passantentermijn de zes maanden overschreden is en [eiser] derhalve een financiële tegemoetkoming aangeboden wordt vanaf de zevende maand van de passantentermijn tot het moment van plaatsing in een tbs-inrichting.

2.4. Bij brief van 19 september 2005 heeft de Staat aangegeven dat de gemiddelde wachttijd voor opname vijftien maanden bedraagt en dat geen meer specifieke inschatting voor [eiser] te maken is.

2.5. Op 5 oktober 2005 is namens [eiser] verzocht om hem niet vijftien maanden te laten wachten op plaatsing, maar om hem per direct, althans op zeer korte termijn, te plaatsen in een tbs-kliniek.

2.6. Bij brief van 10 oktober 2005 is hierop door de Staat wederom geantwoord dat de gemiddelde wachttijd vijftien maanden bedraagt en dat geen zekerheid geboden kan worden omtrent plaatsing per direct of op zeer korte termijn.

2.7. Ter terechtzitting is namens de Staat aangegeven dat [eiser] waarschijnlijk half januari 2006 in de een van de behandelplaatsen van de Pompekliniek, die in Nieuw Vosseveld te Vught worden gerealiseerd, geplaatst kan worden. Voorwaarde is dat de door de psychiater van het Pieter Baan Centrum gestelde diagnose wordt bevestigd in een te houden onderzoek van [eiser]. Indien die bevestiging niet gegeven wordt, zal [eiser] naar verwachting vóór het tweede kwartaal van 2006 in een tbs-kliniek geplaatst worden.

2.8. Het onderzoek waarvan hierboven sprake is zou worden gehouden in de week van 21 november. Omdat de uitkomst van dat onderzoek van belang kan zijn voor de thans te nemen beslissing, heeft de voorzieningenrechter de uitspraak op een termijn van drie weken bepaald nadat de Staat had toegezegd die uitkomst meteen aan de rechter schriftelijk mede te delen. Vervolgens is de uitspraak nader bepaald op heden. Tot op heden is evenwel niets van de Staat vernomen, zodat de rechter aanneemt dat de uitslag van het onderzoek negatief voor [eiser] is uitgevallen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert in dit kort geding, kort weergegeven, om de Staat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:

- om [eiser] binnen zeven dagen, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, na betekening van het te wijzen vonnis, in een tbs-kliniek te plaatsen;

- om, indien [eiser] niet in een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn in een tbs-kliniek is geplaatst, [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen;

- dan wel tot het verbeuren van een dwangsom ten bedrage van EUR 250,- per dag, althans een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen bedrag;

- in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] legt daaraan het navolgende ten grondslag. Hij verblijft sinds het onherroepelijk worden van het vonnis van de rechtbank te Arnhem in een huis van bewaring ([............]) in afwachting van plaatsing ter behandeling in een tbs-kliniek. Op grond van uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, alsmede op grond van de daaropvolgende uitspraken van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming is een verblijf van zes maanden of meer in een huis van bewaring als tbs-passant in het licht van artikel 5 lid 1 EVRM als onrechtmatig te beschouwen. Het uitblijven van plaatsing in een tbs-kliniek kan niet meer door de omstandigheden worden gewettigd, derhalve is thans sprake van onrechtmatige detentie.

Voorts dient het belang van [eiser] om op een zo kort mogelijke termijn geplaatst te worden in een tbs-kliniek te prevaleren boven het belang van de tbs als beschermingsmaatregel.

Aldus kan aan het onrechtmatig overheidshandelen een eind komen door plaatsing in een tbs-kliniek. Kennelijk als stok achter de deur wordt de onmiddellijke invrijheidsstelling gevorderd, danwel een dwangsom.

3.3. Het verweer van de Staat tegen de vordering komt zakelijk weergegeven - voor zover relevant - op het volgende neer.

3.3.1. Door het uitblijven van behandeling wordt de titel van de vrijheidsbeneming niet aangetast. De band tussen de aard van de vrijheidsbeneming en de plaats van detentie en de inrichting daarvan bestaat wel degelijk bij tenuitvoerlegging in een huis van bewaring. Een tbs met dwangverpleging is een vrijheidsbenemende maatregel met als doel de beveiliging van de samenleving tegen ernstige recidive.

3.3.2. De Staat aanvaardt de uitspraken van het Europese Hof met betrekking tot de passantentermijn en de consequenties daarvan. Het bestaande capaciteitstekort staat er echter aan in de weg dat passanten binnen de door het Europese Hof nog rechtmatig te achten wachttijd worden geplaatst. Dit kan niet worden opgelost met een invrijheidstelling van de betrokkene. Invrijheidsstelling is maatschappelijk onverantwoord en komt in strijd met de rechtelijke beslissing waarbij de tbs is opgelegd.

In dit geval zal de voorzieningenrechter, conform bestaande jurisprudentie, in verband met de gevraagde voorrang een belangenafweging moeten maken, waarbij [eiser] aannemelijk zal hebben te maken dat op grond van bijzondere omstandigheden zijn belang vergt dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt op de regel dat plaatsing geschiedt in de volgorde van de wachtlijst. De omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd zijn niet zwaarwegend genoeg om hem met voorrang te plaatsen.

3.3.3. Tenslotte heeft de Staat aangevoerd dat, gezien het stelsel van gesloten rechtsmiddelen, slechts de gang naar de burgerlijke rechter openstaat indien er sprake is van ernstige onregelmatigheden tijdens de tenuitvoerlegging. De Staat beschouwt het uitblijven van plaatsing in een tbs-kliniek niet als zodanig en als dat al het geval zou zijn wijst zij erop dat er reeds compensatie wordt aangeboden en dat invrijheidsstelling geen passende vorm van rechtsherstel c.q. schadevergoeding vormt.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft een klaarblijkelijk spoedeisend belang bij zijn vordering.

4.2. De burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - is bevoegd tot kennisneming daarvan, nu [eiser] stelt dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt door hem in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek in een huis van bewaring gedetineerd te houden. Er bestaat voor de behandeling van deze vordering geen andere met gelijke rechtwaarborgen omklede rechtsgang, zodat [eiser] in zijn vordering kan worden ontvangen.

4.3. Voorzover de Staat heeft willen betogen dat het gesloten systeem van rechtsmiddelen - dat alleen bij ernstige onregelmatigheden (waarvan in deze geen sprake is, aldus de Staat) kan worden doorbroken - aan behandeling van de vordering in de weg staat, overweegt de rechter dat de gevraagde voorziening niet is te beschouwen als een zojuist bedoelde doorbreking aangezien het hier niet gaat om de aantasting van de beslissing waarbij de tbs-maatregel werd opgelegd, maar juist om de uitvoering daarvan.

4.4. Het vonnis waarbij [eiser] tbs met dwangverpleging opgelegd heeft gekregen geldt als voldoende rechtmatige titel voor de huidige vrijheidsbeneming. Het beveiligingskarakter van de maatregel maakt dat [eiser] in detentie zijn plaatsing in een tbs-kliniek dient af te wachten. Invrijheidstelling kan ook daarom niet aan de orde komen omdat het niet als een passende vorm van herstel voor de thans optredende onrechtmatigheid van de detentie kan worden beschouwd. Niet alleen uit een oogpunt van beveiliging voor de maatschappij, maar waarschijnlijk ook voor [eiser] zelf, die voor zijn terugkeer in de maatschappij immers eerst behandeling behoeft. Mitsdien zal de vordering tot invrijheidsstelling in elk geval worden afgewezen.

4.5. Nu de passantentermijn van [eiser] conform de jurisprudentie als te lang beschouwd moet worden, is de detentie onrechtmatig geworden. De Staat heeft dat ook erkend en [eiser] wordt voor die onrechtmatigheid door de Staat geldelijk gecompenseerd.

4.6. Directe plaatsing in een tbs-kliniek, zoals thans door [eiser] gevorderd, is echter, behoudens bijzondere omstandigheden, niet mogelijk. De Staat komt in dat opzicht naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een beroep op overmacht toe. De Staat is reeds bezig de capaciteit uit te breiden maar heeft te maken en had te maken met enerzijds keuzes die de begrotingswetgever in het verleden heeft gemaakt bij de financiering van het sanctiestelsel en anderzijds met een veel hogere instroom, langere behandelduur en lagere uitstroom dan op grond van eerdere prognoses werd aangenomen. Bovendien is er een tekort aan vakbekwaam personeel.

4.7. Het door de Staat met het oog op dat capaciteitsgebrek gevoerde beleid met betrekking tot de wachtlijst van tbs-passanten, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk en evenmin onbehoorlijk. Dit betekent dat een tbs-passant in principe op zijn beurt moet wachten en de passanten die boven hem op de lijst staan voor moet laten gaan indien er een plaats in een tbs-kliniek vrijkomt. Hiervan wordt slechts afgeweken indien zwaarwegende omstandigheden (zoals detentieongeschiktheid van de passant) dit rechtvaardigen.

4.8. In onderhavig geval is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die een doorkruising van het algemene beleid rechtvaardigen c.q. aanspraak kunnen maken op de uitzonderingsmogelijkheid waarin het beleid voorziet. In vergelijking met andere passanten verblijft [eiser] niet onredelijk lang in detentie.

De overweging van de rechtbank in het veroordelend vonnis, dat zij in het algemeen van oordeel is dat de behandeling van een terbeschikkinggestelde aan wie geen straf is opgelegd (of die zijn straf heeft uitgezeten) snel moet aanvangen, is eveneens van toepassing op veel passanten en vormt derhalve geen bijzondere omstandigheid als hier bedoeld.

Voor het overige heeft [eiser] geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht.

4.9. Het bovenstaande neemt niet weg dat [eiser] onderhand een groot en rechtmatig belang heeft op een concreet uitzicht op het tijdstip waarop zijn behandeling zal aanvangen. [eiser] heeft daarom recht op een daartoe strekkende voorziening voorzover het belang van de Staat zich daartegen niet te zeer verzet. De voorzieningenrechter zal dit tijdstip bepalen op 1 april 2006, omdat volgens de eigen stellingen van de Staat dat haalbaar moet zijn.

4.10. Aan deze veroordeling zal geen sanctie worden verbonden. Een dwangsom zou in de rede liggen, maar daarvan ziet de voorzieningenrechter voorshands af omdat een dergelijke sanctie de wettelijke strekking heeft van prikkel tot nakoming en niet van - zoals de Staat lijkt te betogen - vervangende vorm van schadevergoeding. Een daadwerkelijke prikkel tot nakoming zou een zo hoog bedrag vergen dat het op dit moment, mede gelet op het feit dat het bij de Staat niet een kwestie is van niet willen maar van niet kunnen, niet als passend kan worden aangemerkt. Van de Staat mag worden verwacht dat hij zich tot het uiterste inspant om rechterlijke beslissingen uit te voeren.

4.11. De Staat heeft gelet op het bovenstaande als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal daarom in de kosten van [eiser] worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.1. beveelt De Staat om [eiser] vóór 1 april 2006 daadwerkelijk te plaatsen in een tbs-kliniek;

5.1.2. veroordeelt de Staat in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op EUR 1.145,60 waarvan EUR 816,- salaris procureur en EUR 329,60 aan verschotten;

5.1.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.1.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.