Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AU6141

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
01/889010-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Familie veroordeeld voor vermogensdelicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/889010-05

Uitspraakdatum: 15 november 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [woonplaats], [adres].

Thans uit andere hoofde gedetineerd te Tilburg, P.I. Koning Willem II te Tilburg

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2005, 3 augustus 2005, 31 oktober 2005 en 1 november 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 april 2005.

Nadat de tenlastelegging conform artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering op de terechtzitting van 3 augustus 2005 is aangepast, wordt verdachte thans tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 september 2004 in de gemeente Papendrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kluis in een kantoor

van een winkelpand gelegen aan de Jan Van Goijenstraat heeft weggenomen

ongeveer Euro 5462.-, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan Marskramer, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die kluis

heeft/hebben verschaft en/of dat geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door een tot dat kantoor toeganggevende deur open te breken, althans

te forceren, en die kluis te openen met een valse sleutel;

(zaak DEL-BF-008, blad 373 t/m 478)

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2004 in de gemeente Ede

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening uit een kantoor van een winkelpand gelegen aan

de Keesomstraat weg te nemen een hoeveelheid geld en/of wat van zijn/hun

gading was, geheel of ten dele toebehorende aan Blokker, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de

toegang tot dat kantoor te verschaffen door middel van braak,

met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans

alleen, een tot dat kantoor toeganggevende deur heeft opgebroken, in elk geval

heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak DEL-BF-019, blad 1073 t/m 1217)

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 31 januari 2005

in de gemeente Best en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [verdachte] (verdachte)

en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachtee 12],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van (gekwalificeerde) diefstal(len) in Nederland en/of in

Duitsland en/of in Frankrijk en/of

- van het plegen van opzetheling een gewoonte maken en/of

- het plegen van opzetheling en/of

- van het plegen van witwassen van geld een gewoonte maken en/of

- het plegen van witwassen van geld;

(blad 4231 t/m 4568)

(artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ten aanzien van de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie acht de rechtbank zich bevoegd nu het begin van uitvoering van de (beoogde) misdrijven in Nederland is gelegen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de aangepaste dagvaarding. (zie hierna)

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Algemene bewijsoverweging

Ten aanzien van een belangrijk deel van de bij de onderscheiden verdachten ten laste gelegde feiten blijkt uit de aanwezige bewijsmiddelen een zeer specifieke modus operandi bij de diefstallen en inbraken in vereniging. In essentie geven getuigen en/of beeldmateriaal het beeld van een groep van 6 tot 8 personen, bestaande uit mannen en vrouwen. Men stelt in bijna alle zaken in het Engels vragen aan het aanwezige winkelpersoneel. Indien er geen ontdekking op heterdaad is, wordt vaak door getuigen beschreven dat de groep ineens weer vertrekt uit de winkel waarna men ontdekt dat geld en/of goederen zijn weggenomen. Hierna volgt per feit een meer precieze opsomming van de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewijsbeslissingen van de rechtbank.

BF 008 Papendrecht, 15 september 2004, Marskramer

Uit de beschrijving van aangever en getuigen in de winkel volgt een modus operandi die past binnen die van de overige bewezen verklaarde feiten: een grotere groep personen van wie een groot deel veel en rare vragen, in het Nederlands en in het Engels, stelt over producten in de winkel. De beschrijvingen die de getuigen geven omtrent de personen die zij “niet vertrouwen”, passen binnen de bij andere feiten gegeven beschrijvingen van leden van de familie [familienaam]. Voor de deur van het magazijn werd een personeelslid “opgevangen” door een man en een oudere vrouw, die genoemd personeelslid tegen hielden. Na vertrek uit de winkel rennen de leden van de groep naar twee auto’s. Van de kentekens van deze twee auto’s is er een rechtstreeks en de tweede met aanpassing van een letter herleid naar [medeverdachte 3]. De rechtbank kent eveneens relevante bewijswaarde toe aan de inhoud van de tapgesprekken die korte tijd later worden gevoerd, waaruit naar het oordeel van de rechtbank precies kan worden afgeleid dat men bijna betrapt is en wie bij dit feit aanwezig zijn geweest.

BF 019 Ede, 11 maart 2004, Blokker (poging)

Met betrekking tot dit feit bestaan bewegende beelden waarop duidelijk te zien is dat de verdachten

[medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 6] ter plaatse zijn.

De rechtbank onderschrijft het betreffende beschrijvende proces-verbaal op basis van haar eigen waarneming van het bij het dossier gevoegde beeldmateriaal.

Uit de inhoud van de aangifte en het beeldmateriaal kan niet anders worden afgeleid dan dat leden van deze groep in het gedeelte van de winkel dat is bestemd voor het personeel zijn geweest en daar de deur van een kantoorruimte hebben geforceerd. Uit deze gang van zaken kan, mede gelet op de uit andere zaken bekende modus operandi, worden afgeleid dat het hele optreden van een deel van de groep (het vragen stellen) er toe strekte andere leden van de groep in staat te stellen geld of andere waardevolle goederen te stelen. De rechtbank betrekt bij deze duiding het gegeven dat de verdachte, nadat hij werd geconfronteerd met deze voor hem belastende feiten en omstandigheden, zich is blijven beroepen op zijn zwijgrecht.

Ten aanzien van de criminele organisatie (feit 3)

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient er sprake te zijn van deelname aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake indien men behoort tot het samenwerkingsverband en de deelnemer (tenminste) wetenschap heeft dat er misdrijven worden gepleegd door/binnen het samenwerkingsverband waar hij of zij deel van uitmaakt, waarbij om iemand te kunnen aanmerken als deelnemer iemand tenminste hetzij een aandeel heeft in, hetzij ondersteunt, de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de betreffende organisatie. Om te kunnen spreken van een organisatie is verder nodig dat blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, hetgeen kan blijken uit gemeenschappelijke regels en doelstellingen, maar ook uit een zekere gelaagdheid van het samenwerkingsverband en/of een rolverdeling tussen en positie van de individuele deelnemers binnen het samenwerkingsverband. Ook interne vormen van sanctioneren van overtreden van die regels of een gezamenlijk optreden naar buiten kunnen wijzen op het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband.

Voor een familie geldt dat de eigen juridische en sociale structuur, ondanks grote verschillen tussen families onderling, op een aantal punten overeenkomsten vertoont met de hierboven genoemde, in eerdere jurisprudentie strafrechtelijk relevant beoordeelde, aspecten van een criminele organisatie. Dit betekent echter niet dat reeds sprake is van een criminele organisatie indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen. Daarvan is slechts sprake indien komt vast te staan dat door die familieleden die deze misdrijven begaan of die deze misdrijven doelbewust ondersteunen, de in die familie bestaande gezagsverhoudingen, relaties, rolverdeling, structuur en regels doelbewust en met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid worden ingezet om te kunnen komen tot het plegen van deze misdrijven. In dat geval is immers bij die personen sprake van het oogmerk tot het plegen van misdrijven aanwezig binnen een familiestructuur die dan voor die betrokken personen tevens is aan te merken als een criminele organisatie.

In deze zaak is duidelijk gebleken van een dergelijke aanwending van de reeds bestaande familiestructuur door een aantal verdachten. Gedurende een langere periode en bij een behoorlijk aantal gekwalificeerde diefstallen is telkens -in wisselende samenstelling, maar met een min of meer vaste werkwijze- een aantal familieleden betrokken. Verder blijkt uit onder andere de verhoren en afgeluisterde telefoongesprekken dat het voor een aanzienlijk deel van de familieleden (niet alleen de bij de dan te plegen strafbare feiten betrokken personen, maar ook een aantal andere familieleden) volstrekt helder was wat men ging doen wanneer men met een aantal van hen in Nederland of (later) daarbuiten een of meer dagen op “Gav” ging, te weten dat men dan letterlijk en figuurlijk “op dievenpad” ging. Alle personen van wie vast is komen te staan dat zij met die wetenschap “op Gav” gingen en/of later vanuit die wetenschap welbewust deelden in de tijdens die “Gav”-feiten gemaakte buit, zijn daarmee deel gaan uitmaken van deze criminele organisatie.

In onderhavige zaak is uit de resultaten van het onderzoek gebleken dat zeker niet alle familieleden bij de strafbare feiten waren betrokken, terwijl tevens is vastgesteld dat er duidelijke onderlinge verschillen zijn aan te wijzen in de mate waarin de individuele verdachten zijn betrokken bij de gepleegde misdrijven en de verdere (familie)setting waarbinnen deze misdrijven hebben plaatsgehad.

Het gegeven dat de verdachten in deze strafzaak als bloed- of aanverwant deel uitmaken van een hechte Roma-familie doet aan het vorenstaande niet af. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging aangevoerde stelling dat een dergelijke veroordeling mogelijk bij derden vooroordelen of negatieve gevoelens op zou kunnen wekken ten opzichte van Roma-families of andere, vergelijkbare, statenloze (familie)groepen. De rechtbank stelt op dit punt slechts vast dat een dergelijke algemene gevolgtrekking bij die derden onjuist zou zijn, en heeft er zich verder toe beperkt de resultaten van het onderzoek in deze zaak op de eigen merites te beoordelen binnen het hiervoor door haar geschetste toetsingskader.

Bij de bestraffing van dit feit zal de rechtbank aan de rol van [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en

[medeverdachte 2] een zwaarder gewicht toekennen, aangezien de rechtbank ten aanzien van deze drie personen een zwaarder aandeel en rol bewezen acht binnen de hier bedoelde criminele organisatie.

Ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] volgt uit de tapgesprekken en de veelheid aan strafbare feiten waarbij zij bij betrokken zijn geweest dat deze drie verdachten een zware, vooral uitvoerende, rol hebben gehad binnen de organisatie.

[verdachte] zal eveneens worden veroordeeld ter zake de hem ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. Uit hetgeen bewezen is verklaard in zijn strafzaak blijkt reeds zijn meer dan incidentele deelname aan Gav-gerelateerde, gekwalificeerde, diefstallen. Zijn rol binnen de organisatie beoordeelt de rechtbank als lichter dan die van de hiervoor genoemde deelnemers.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45, 57, 140, 310, 311.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 260 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gestructureerde en georganiseerde verband waarin verdachte de feiten pleegden heeft impact gehad op de samenleving en met name op de betrokken winkeliers, waarbij in sommige gevallen zelfs de woning annex aan de winkel van de betreffende winkelier werd doorzocht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- de zwaarte van de detentie, namelijk dat gedurende de gehele detentietijd bezoek door familieleden en/of andere personen niet was toegestaan, naar de rechtbank begrijpt vanwege het ontbreken van identiteitsdocumenten;

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Bij de bepaling van die vrijheidsstraf heeft de rechtbank geen acht geslagen op de uitleveringsdetentie nu deze uit andere hoofde en voorafgaande aan de thans tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten heeft plaatsgevonden en nu geen rechtsregel de rechtbank noopt tot verrekening.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

valse sleutels

T.a.v. feit 2:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige

zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van

braak

T.a.v. feit 3:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 260 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. drs. W.A.F. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier

en is uitgesproken op 15 november 2005.