Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AU5542

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
341384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Overeenkomst betreffende de WinstVerDriedubbelaar voldoet aan alle vereisten die gesteld worden aan een huukoopovereenkomst. Toestemming echtgenoot vereist op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Verklaring voor recht dat de overeenkomst door het schrijven van de echtgenoot is vernietigd. Dexia dient hetgeen op grond van de overeenkomst is betaald als onverschuldigd terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KANTONRECHTER TE HELMOND*

Zaaknummer : 341384

Rolnummer : 1405/04

Uitspraak : 12 oktober 2005

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V,,

rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V.,

tevens h.o.d.n. Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: N.A. Hofman,

[adres]

t e g e n :[gedaagde]]

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

met rechtsbijstand procederende ingevolge voorwaardelijke toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand d.d. 6 mei 2004, nr. 4ET1998,

gemachtigde: aanvankelijk mr. S. Sanders,

thans mr. drs. K.S. Loilargosain,

[adres]

Dit vonnis is een vervolg op een op 9 maart 2005 door de kantonrechter te Helmond tussen partijen (hierna ook te noemen "Dexia" en "[gedaagde]") gewezen tussenvonnis, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor het verstrekken van inlichtingen zoals in dat vonnis nader omschreven. De inhoud van dat vonnis, waarvan zich een authentiek afschrift onder de stukken bevindt, moet als hier overgenomen worden beschouwd.

1. Het verdere verloop van de procedure.

Naar aanleiding van voormeld tussenvonnis heeft [gedaagde] een akte genomen. Daarop heeft Dexia bij akte gereageerd, waarbij zij een productie in het geding heeft gebracht. [gedaagde] heeft daar bij antwoordakte op gereageerd. Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

Naar aanleiding van het tussenvonnis, waarin enkel een beslissing is gegeven met betrekking tot het verder verloop van de onderhavige zaak, heeft [gedaagde] bij akte gemotiveerd betoogd dat en waarom zij belang heeft bij een beslissing in de onderhavige zaak. Uit ambtshalve bekomen informatie is de kantonrechter bekend dat nog geen zaken betreffende de onderhavige problematiek in cassatie aan de Hoge Raad zijn voorgelegd, zodat een arrest van die instantie op korte termijn niet valt te verwachten. Voorts is de kantonrechter op grond van de inhoud van de akten van [gedaagde] duidelijk dat [gedaagde] niet wenst in te gaan op het schikkingsvoorstel, zoals dat door bemiddeling van de heer Duisenberg tot stand is gekomen. Gegeven die nadere stellingname van [gedaagde], gegeven de omstandigheid dat binnen de termijn van aanhouding geen uitspraken van de Hoge Raad vallen te verwachten en gegeven de uitdrukkelijke wens van [gedaagde] om een beslissing ten gronde, zal de kantonrechter thans overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

2. Het geschil: in conventie en in reconventie.

1.Dexia vordert in conventie betaling van ? 3.478,35, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

Dexia legt daaraan ten grondslag dat zij de rechtsopvolgster is van de naamloze vennootschap Bank Labouchere N.V., welke eveneens handelde onder de naam Legio en welke op haar beurt de rechtsopvolgster was van de besloten vennootschap Legio Lease B.V.. [gedaagde] is, onder toepasselijkheid van overgelegde Bijzondere Voorwaarden, met Dexia, althans met haar rechtsvoorgangster, een overeenkomst aangegaan met betrekking tot het product "WinstVerDriedubbelaar" onder contractnummer 29401755. Op grond van deze overeenkomst was [gedaagde] gehouden om Dexia in staat te stellen de verschuldigde maandelijkse termijnen tijdig te incasseren, dan wel deze tijdig te voldoen. Vanaf 24 januari 2003 is [gedaagde] met regelmaat in gebreke gebleven om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, ondanks schriftelijke aanmaning zijdens Dexia. Uiteindelijk is [gedaagde] bij brief aangezegd dat Dexia op grond van de toepasselijke voorwaarden zou overgaan tot verkoop van de aandelenportefeuille, waarbij haar een pro forma berkening van de gevolgen daarvan ter hand is gesteld. Desondanks bleef betaling uit en daarop heeft Dexia de aandelen verkocht en de opbrengst in mindering gebracht op de overeengekomen hoofdsom. Op grond van de opgemaakte eindafrekening is [gedaagde] aan Dexia nog een bedrag verschuldigd van ? 2.909,87.

Op grond van de toepasselijke voorwaarden is [gedaagde] een rente verschuldigd van 0,96% per maand, welke tot en met 10 december 2003 is berekend op een bedrag van ? 82,48.

Dexia heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven, hetgeen kosten tot gevolg heeft gehad. [gedaagde] is gehouden de redelijke kosten tot verkrijging van betaling buiten rechte, door Dexia gesteld op ? 486,= inclusief BTW, te voldoen.

2.1[gedaagde] heeft hiertegen bij antwoord in conventie primair tot verweer aangevoerd dat de overeenkomst is vernietigd, doordat haar echtgenoot bij brief van 10 februari 2003 tegenover Dexia een beroep heeft gedaan op het ontbreken van toestemming zijnerzijds tot het aangaan van de overeenkomst. Omdat de desbetreffende overeenkomst gekwalificeerd dient te worden als een huurkoopovereenkomst, een bijzondere vorm van koop op afbetaling, had [gedaagde] tot het aangaan daarvan de toestemming van haar echtgenoot moeten hebben. Deze heeft hij niet verleend en om die reden heeft hij de nietigheid, althans vernietiging van de overeenkomst ingeroepen.

Het is juist dat een aantal termijnen niet aan Dexia zijn betaald. Bij brief van 5 mei 2003 werd [gedaagde] op de hoogte gesteld van het bestaan van een saldotekort. Omdat [gedaagde] en haar echtgenoot zich niet konden verenigen met de aandelenleaseovereenkomst, hebben zij dit saldo niet aangevuld. Pas na verkoop van de aandelenportefeuille door Dexia kwam [gedaagde] er achter dat een negatief resultaat was bereikt. [gedaagde] is door Dexia nimmer gewezen op de mogelijkheid dat een dergelijk negatief resultaat zou kunnen optreden.

Subsidiair voert [gedaagde] tot verweer aan dat Dexia jegens haar wanprestatie heeft gepleegd door enerzijds haar niet deugdelijk voor te lichten en anderzijds door haar contractuele zorgplicht jegens haar niet na te komen nu zij, in strijd met het bepaalde in artikel 28 en/of 33 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer (verder te noemen "Nrte"), heeft nagelaten om voorafgaand aan het totstandkomen van de overeenkomst te informeren naar haar financiële positie, haar ervaringen met beleggingen en haar beleggingsdoelstellingen.

2.2Voorts betwist [gedaagde] de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, welke onvoldoende zijn gespecificeerd en waarvan bij gebreke aan onderbouwing niet is gebleken dat zij daadwerkelijk zijn gemaakt en redelijkerwijs ook gemaakt konden worden.

Ten aanzien van de gevorderde contractuele rente merkt [gedaagde] op dat deze - gegeven het beroep op vernietiging dan wel (partiële) ontbinding van de overeenkomst - niet van toepassing kan zijn.

2.3[gedaagde] vordert in reconventie op de door haar bij wijze van verweer in conventie aangevoerde gronden primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen haar en Dexia is vernietigd, althans deze alsnog te vernietigen, bij gebreke aan instemming tot het aangaan van die overeenkomst zijdens haar echtgenote, één en ander op voet van het bepaalde in artikel 1:89 BW, met veroordeling van Dexia tot terugbetaling van de reeds betaalde termijnen ad in totaal ? 626,64.

Subsidiair vordert zij dat de kantonrechter de overeenkomst in geding te ontbinden met veroordeling van Dexia tot vergoeding van de door [gedaagde] geleden schade, door haar begroot op ? 4.104,59.

In beide gevallen vordert [gedaagde] voorts de veroordeling van Dexia tot vergoeding van de wettelijke rente over de gevorderde bedragen en tot vergoeding van de kosten van het geding.

3.1Dexia heeft daarop bij repliek/antwoord het verweer van [gedaagde] in conventie bestreden op gronden als vermeld in die conclusie. Meer in het bijzonder merkt zij op dat zij kort na 6 november 2000, en vóór het totstandkomen van de overeenkomst, aan [gedaagde] de navolgende bescheiden heeft doen toekomen:

* een brochure betreffende het product (productie 2 conclusie van antwoord/eis);

* een akte houdende de overeenkomst (in tweevoud);

* de daarop toepasselijke Bijzondere Voorwaarden;

* een fiscale opinie (productie 7);

* een rekenvoorbeeld.

Deze bescheiden bevatten alle relevante informatie, ook de informatie dat bij tegenvallende verkoopopbrengsten het risico bestond dat [gedaagde] nog een bedrag aan Dexia zou hebben te voldoen. Voorts betwist zij dat zij gehouden was een risicoprofiel op te stellen, dat zij verplicht was nadere informatie met betrekking tot (de vermogenspositie van) [gedaagde] in te winnen of dat zij anderszins haar zorgplicht tegenover [gedaagde] zou hebben verzaakt.

3.2Ook betwist Dexia dat de onderhavige overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een huurkoop. Voor het aangaan van de overeenkomst was geen toestemming van de echtgenoot van [gedaagde] vereist en om die reden heeft Dexia de vernietiging in 2003 niet geaccepteerd en hoefde zij die ook niet te accepteren. Bovendien kan [gedaagde] geen beroep op die vernietiging doen, doch dient dat door haar echtgenoot te geschieden. Het overleggen van de brief van haar echtgenoot maakt hem nog niet tot procespartij in de onderhavige procedure. Bij gebrek aan wetenschap betwist Dexia dat de echtgenoot van [gedaagde] zijn toestemming tot het aangaan van de overeenkomst heeft onthouden. Dexia wijst er op dat de maandelijks verschuldigde termijnen zijn afgeschreven van een "en/of rekening" op naam van [gedaagde] en haar echtgenoot en wijst op de omstandigheid dat onder normale gezinsomstandigheden over dit soort transacties pleegt te worden gesproken. Bij dupliek in reconventie merkt Dexia nog op dat [gedaagde] stelt dat zij gehuwd was, maar heeft nagelaten om dat te bewijzen.

Voorts heeft Dexia betwist dat zij wanprestatie zou hebben gepleegd door te handelen in strijd met de door [gedaagde] genoemde bepalingen van het Nrte.

3.3Dexia heeft haar eis in conventie (voorwaardelijk, voor het geval enig deel van de vordering in reconventie toewijsbaar zou zijn) aangevuld c.q. gewijzigd in die zin, dat zij heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Dexia van het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van die effecten op de datum van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst, althans minus de waarde van de effecten op de datum van verkoop.

4.Partijen hebben in de daarop volgende stukkenwisseling volhardt in hun standpunten. Dexia heeft daarbij in haar laatste akte nog gewezen op de omstandigheid dat onder leiding van de heer Duisenberg een schikkingsvoorstel is uitonderhandeld met belangenbehartigers van haar cliënten. Voorts heeft zij gewezen op het thans bij de Eerste Kamer van de Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel nummer 29414. Voor de verdere onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de inhoud van de processtukken, die, voor zover hierna niet nader aan te halen, als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

3. De beoordeling: in conventie en in reconventie.

5.Nu de vordering in reconventie voortvloeit uit en direct samenhangt met het verweer in conventie, zal de kantonrechter beide tezamen behandelen.

6.In rechte dient uitgegaan te worden van de navolgende feiten. Omstreeks 14 november 2000 is [gedaagde] met Dexia een overeenkomst aangegaan, door Dexia aangeduid als een aandelenleaseovereenkomst, onder de naam WinstVerDriedubbelaar, contractnummer 29401755. Deze overeenkomst is niet ten teken van goedkeuring mede-ondertekend door de echtgenoot van [gedaagde]. Vanaf 24 januari 2003 is [gedaagde] (herhaaldelijk) haar verplichting tot betaling van de maandelijks verschuldigde termijnen niet nagekomen. De echtgenoot van [gedaagde] heeft bij brief van 10 februari 2003 (waarvan de ontvangst wordt bevestigd in een brief van Dexia aan [gedaagde] d.d. 21 februari 2003, productie II bij antwoord/eis) de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd wegens het ontbreken van toestemming van zijn zijde tot het aangaan van de overeenkomst als bedoeld in artikel 1:88 BW. Dexia heeft niet in deze vernietiging berust.

Nadat [gedaagde] in gebreke was gebleven met de voldoening van de volgens Dexia door haar verschuldigde termijnen, heeft Dexia de voor [gedaagde] aangeschafte aandelen verkocht. Na aftrek van de opbrengst van deze aandelen van het voor de aankoop te leen gegeven bedrag, voor zover nog niet terugbetaald, resteerde per saldo een schuld van [gedaagde] aan Dexia van ? 2.909,87.

7.Op de gronden als aangegeven in de arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 1 februari 2005, welke de kantonrechter hier overneemt en tot de zijne maakt, moet worden aangenomen dat de onderhavige overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als huurkoop, een bijzondere vorm van koop op afbetaling. Ingevolge artikel 1:88, lid 1 sub d BW behoefde [gedaagde] de toestemming tot het aangaan van deze overeenkomst, nu het hier geen overeenkomst betreft die strekte tot de normale uitoefening van haar beroep of bedrijf. Ingevolge artikel 1:89, lid 1 BW kon haar echtgenoot bij gebreke aan deze toestemming de rechtshandeling (acceptatie van het aanbod zijdens Dexia) van [gedaagde] vernietigen.

8.Bij dupliek in reconventie heeft Dexia aangevoerd dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat zij gehuwd was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en dat zij dat heeft te bewijzen. Dexia ziet daarmee echter voorbij aan het feit dat [gedaagde] slechts bewijs hoeft bij te brengen ten aanzien van door haar gestelde feiten, wanneer die feiten in rechte deugdelijk worden betwist. Dat is in elk geval met betrekking tot het feit dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst gehuwd zou zijn geweest niet gebeurd.

Dat [gedaagde] in deze zaak bij wijze van verweer de stelling zou poneren dat haar echtgenoot de ingevolge artikel 1:88 BW benodigde toestemming niet had verleend en om die reden de overeenkomst buitengerechtelijk had vernietigd, moet Dexia reeds bij aanvang van de procedure duidelijk zijn geweest. Daarover is immers reeds in februari 2003 gecorrespondeerd. Desondanks laat Dexia na om in reactie op dat verweer bij dagvaarding te betwisten dat [gedaagde] gehuwd zou zijn geweest. In dit verband zij overigens opgemerkt dat Dexia, in strijd met het bepaalde in artikel 111, lid 3 Rv., heeft nagelaten de kantonrechter bij dagvaarding van dit verweer op de hoogte te stellen. Sterker nog: ten onrechte en in strijd met de waarheid voert zij in de dagvaarding aan dat in de correspondentie voorafgaande aan deze procedure (waaronder ook dient te worden begrepen de door Dexia zelf met [gedaagde] gevoerde correspondentie in de periode van aanmaning en sommatie) geen verweer tegen de vordering zou zijn gevoerd.

Evenmin voert Dexia bij repliek in conventie aan dat [gedaagde] mogelijk ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet gehuwd zou zijn geweest. Eerst bij dupliek in reconventie voert zij dit als verweer op en dan nog slechts bij gebrek aan wetenschap omtrent dit feit. Dit verweer wordt naar het oordeel van de kantonrechter tardief gevoerd en alleen al daarom dient daaraan voorbij te worden gegaan. Bovendien geldt voor wat betreft de onderbouwing dat enkel en alleen een gebrek aan wetenschap ten aanzien van een feit als het onderhavige niet kan gelden als een deugdelijke grond voor betwisting van het feit, nu daarnaast geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan aan de juistheid van de mededeling dienaangaande van [gedaagde] zou moeten of kunnen worden getwijfeld.

9.Bij repliek in conventie heeft Dexia gesteld dat [gedaagde] de toestemming wel heeft verleend en heeft zij expliciet aangevoerd zulks te willen bewijzen door het doen horen van de echtgenoot van [gedaagde] en eventuele andere familieleden. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op een aantal omstandigheden die volgens haar maken dat [gedaagde] op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van de overeenkomst. De enkele omstandigheid dat de echtgenoot van [gedaagde] met het bestaan van de overeenkomst op de hoogte is geweest, is echter ten deze niet relevant. Ingevolge artikel 1:88, lid 3 BW dient de toestemming van de echtgenoot schriftelijk te worden gegeven, indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft. Ingevolge artikel 7a:1576i, lid 1 BW wordt de overeenkomst van huurkoop aangegaan bij authentieke of onderhandse akte, die moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 7A:1576j BW. Nu dus voor het aangaan van de huurkoop een vormvoorschrift bestaat, had de toestemming van de echtgenoot schriftelijk gegeven moeten worden. Uit de door Dexia overgelegde akte van de thans in geding zijnde overeenkomst blijkt niet van de toestemming zijdens de echtgenoot. Het verweer van Dexia berust ook op de door haar genoemde omstandigheden, die - zo leest de kantonrechter het verweer - maken dat Dexia er op mocht vertrouwen dat de echtgenoot van [gedaagde] had ingestemd met het aangaan van de overeenkomst. Dat de echtgenoot van [gedaagde] deze toestemming ook expliciet en schriftelijk heeft gegeven, is echter zijdens Dexia niet gesteld. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat hetgeen Dexia in dit verband ter onderbouwing van haar verweer heeft aangevoerd suggestief is en onvoldoende ter onderbouwing van het verweer dat de benodigde toestemming wel en ook op de formeel juiste wijze is gegeven. Om die reden passeert de kantonrechter ook dit verweer en het in dat verband gedane bewijsaanbod.

10.Het voorgaande voert tot de slotsom dat de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst op 11 februari 2003 (buitengerechtelijk) is vernietigd. De omstandigheid dat de echtgenoot van [gedaagde] geen partij is in dit geding, doet aan de vernietiging niet af, omdat deze immers ook buiten de rechter om kan plaatsvinden. Reeds enkel het beroep op vernietiging in de brief van 10 februari 2003 is daartoe voldoende. Gegeven het feit dat de echtgenoot van [gedaagde] bij die brief de nietigheid heeft ingeroepen, en gegeven het oordeel dat hij daartoe op dat moment gerechtigd was, moet die nietigheid als vaststaand worden aangenomen, heeft de onderhavige overeenkomst nimmer bestaan en bestaan thans geen gronden meer om [gedaagde] op basis daarvan gehouden te achten nog iets aan Dexia te betalen. De in reconventie primair gevorderde verklaring voor recht kan dan ook worden afgegeven.

11.Voorts volgt hieruit dat achteraf dient te worden vastgesteld dat hetgeen door [gedaagde] op grond van de aangegane overeenkomst is betaald onverschuldigd is betaald en dat Dexia gehouden is het betaalde om die reden aan [gedaagde] terug te betalen, eventueel na verrekening van de opbrengst van het verkochte aandelenpakket met de door [gedaagde] gedane betalingen. Zijdens Dexia is niet weersproken dat [gedaagde] nog een bedrag van ? 626,64 tegoed heeft, zodat ook dat onderdeel van het in conventie primair gevorderde toegewezen kan worden.

Ten aanzien van de daarover gevorderde rente volgt de kantonrechter Dexia in het door haar bij dupliek in reconventie gevorderde verweer, dat terecht en op goede gronden wordt gevoerd. Nu daaruit volgt dat in de vernietigingsbrief van 10 februari 2003 aanspraak is gemaakt op rente vanaf 14 dagen na ontvangst van die brief - hetgeen door [gedaagde] niet is weersproken - zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf 25 februari 2003.

12.Het door Dexia in conventie gevorderde (voor zover dat na wijziging/aanvulling van eis bij repliek primair is gevorderd) dient haar derhalve te worden ontzegd. Tevens volgt uit het voorgaande dat de voorwaarde in vervulling is gegaan voor het wijzigen van de eis in conventie. Voor dit geval heeft Dexia betoogd dat op voet van het bepaalde in artikel 6:278 BW [gedaagde] gehouden zou zijn om haar de door haar als gevolg van de vernietiging geleden schade in de vorm van het verschil tussen de waarde van de aandelen bij aankoop en de waarde van de aandelen bij verkoop te vergoeden.

13.Het beroep van Dexia op toepassing van artikel 6:278 BW wordt echter verworpen. Daargelaten of in dit geval wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in dat artikel, verdragen de gevolgen van toepassing van dat artikel zich niet met de door de wetgever beoogde bescherming van de echtgenoot die geen partij was bij de overeenkomst en daarvoor evenmin toestemming heeft gegeven. Dat de echtgenoot van [gedaagde] of [gedaagde] pas een beroep op de nietigheid heeft/hebben gedaan nadat de koersverliezen waren opgetreden doet daar niet aan af, nu die koersverliezen nu juist behoren tot het soort omstandigheden die aanleiding plegen te zijn voor een beroep op de door de wetgever beoogde bescherming. Het voorgaande voert tot de slotsom dat ook het na wijziging van eis in conventie subsidiair gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking komt.

14.1Bij antwoordakte heeft Dexia nog verwezen naar het resultaat dat is bereikt in het overleg onder leiding van de heer Duisenberg. Daarbij heeft zij gewezen op het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel nummer 29414 tot wijziging van het BW en Rv. teneinde de collectieve afwikkeling van massaschades te vergemakkelijken. De kantonrechter gaat hier echter aan voorbij. Het overleg onder leiding van de heer Duisenberg was er op gericht om te komen tot een voorstel voor een schikking dat de individuele klant van Dexia kon accepteren of verwerpen. Dat een dergelijk voorstel tot stand is gekomen, betekent dan ook niet dat [gedaagde] daar ook aan gebonden is, te minder nu uit het feit dat zij wenst voort te procederen volgt dat zij het voorstel niet wil accepteren. Dat is ook niet onredelijk, omdat het voorstel voor cliënten van Dexia die zich kunnen beroepen op vernietiging van de overeenkomst bij gebreke aan toestemming van hun echtgenoot minder ver strekt dan hetgeen hun op basis van hun verweer zou toekomen, zodat zij ontegenzeggelijk een belang houden bij voortprocederen. De kantonrechter acht de inhoud van het resultaat van die onderhandelingen overigens als algemeen bekend, nu daaraan ruimschoots aandacht is besteed in de media, zodat hij zich vrij acht die inhoud bij dit oordeel te betrekken.

14.2Het wetsvoorstel 29414 is niet meer dan dat, een wetsvoorstel. Het beoogt een ingrijpende wijziging van één van de basisbeginselen van het overeenkomstenrecht, te weten: dat overeenkomsten tussen partijen slechts tot stand komen op basis van aanbod door de ene partij en aanvaarding van dat aanbod door de wederpartij. Het wetsvoorstel beoogt immers - heel verkort weergegeven - de mogelijkheid in het leven te roepen dat een gelaedeerde gebonden wordt aan een vaststellingsovereenkomst die een belangenbehartigende persoon of instantie met de aansprakelijke schadeveroorzaker treft en bij de totstandkoming van welke vaststellingsovereenkomst de gelaedeerde zelf niet betrokken hoeft te zijn geweest, mits die vaststellingsovereenkomst verbindend wordt verklaard. Nu het wetsvoorstel beoogt een mogelijkheid in het leven te roepen die afwijkt van het hiervor genoemde basisbeginsel en evenmin kan worden geoordeeld dat het codificatie betreft van een thans (buiten de insolventiepraktijk en het arbeidsrecht om) reeds gebruikelijke gang van zaken, is de kantonrechter van oordeel dat op deze ontwikkeling in de wetgeving niet geanticipeerd kan worden, nog daargelaten dat niet is gebleken dat de bereikte overeenstemming de goedkeuring zou kunnen verkrijgen van een "verbindend verklarende rechter".

15.Omdat op grond van het voorgaande dient te worden beslist als na te melden, kan hetgeen partijen verder nog hebben betoogd met betrekking tot het toerekenbaar tekortschieten van Dexia onbesproken blijven. Dexia heeft zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beslissing.

De kantonrechter:

In conventie:

Wijst de vorderingen van de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V. af;

Veroordeelt de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V. in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op ? 562,50, waarvan te voldoen aan:

A. de griffier, door overschrijving op rekeningnummer [nummer] t.n.v. MvJ Arrondissement Den Bosch (536), Postbus 90155, 5200 MG 's-Hertogenbosch, onder vermelding van het zaaknummer en rolnummer van deze zaak:

- ? 517,50 wegens salaris gemachtigde (niet met B.T.W. belast);

B. gedaagde,

- ? 45,= wegens eigen bijdrage aan het salaris van de gemachtigde;

In reconventie:

Verklaart voor recht dat de tussen partijen onder nummer 29401755 totstandgekomen overeenkomst onder de naam WinstVerDriedubbelaar door het schrijven van de echtgenoot d.d. 10 februari 2003 is vernietigd;

Veroordeelt de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V. om ter zake voormeld tegen kwijting aan Dexia te betalen de somma van ? 626,64 (zegge: zeshonderdzesentwintig euro, vierenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 februari 2003 tot aan de dag der voldoening;

Veroordeelt de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V. in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op ? 225,=, te voldoen aan de griffier, door overschrijving op rekeningnummer [nummer] t.n.v. MvJ Arrondissement Den Bosch (536), Postbus 90155, 5200 MG 's-Hertogenbosch, onder vermelding van het zaaknummer en rolnummer van deze zaak;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen te Helmond door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en aldaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.

Typ: RC/Coll.:

* De kantonrechter te Helmond maakt vanaf 1 januari 2002 bestuurlijk onderdeel uit van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

1

6

341384 CV EXPL 1405/04