Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AU3327

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2005
Datum publicatie
28-09-2005
Zaaknummer
130193 FT-RK 05.1312 en 05.1314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

'toepassing Noodregeling o.g.v. Wet Toezicht Kredietwezen'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

BESCHIKKING

Zaaknummer : 130193 /FT-RK 05.1312 en 05.1314

Datum beschikking : 22 september 2005

Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het op 21 juli 2005 ter griffie ingediende verzoekschrift met producties ex artikel 71 lid 2 Wet Toezicht Kredietwezen 1992 (Wtk 1992) namens:

De naamloze vennootschap De Nederlandse Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam

verzoekster, hierna te noemen "de bank"

procureur mr. J.E. Lenglet te 's-Hertogenbosch

advocaat mr. D.A. van der Stelt te Amsterdam

gericht tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uveco Groep B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Veghel,

verweerster sub 1, hierna te noemen "Uveco"

en

2. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hampsink Holding B.V.,

statutair gevestigd te Veghel, kantoorhoudend te Helmond,

verweerster sub 2, hierna te noemen "Hampsink"

gezamenlijk aan te duiden als verweersters

advocaat en procureur mr. M.J.G. Pennings te Mariaheide (Veghel)

1. procesverloop

Het verzoek van de bank, ertoe strekkende dat de noodregeling, bedoeld in artikel 71 Wtk 1992 van toepassing wordt verklaard ten aanzien van verweersters, is behandeld ter terechtzitting van 28 juli 2005. Verweersters zijn met het oog op deze behandeling opgeroepen bij deurwaardersexploot van 21 juli 2005, waarbij tevens een afschrift van het ingediende verzoekschrift is betekend. Verweersters hebben per post en per telefax van 26 juli 2005 24 producties op voorhand aan de rechtbank en de advocaat van de bank toegezonden. Bij brief van 26 juli 2005 heeft de bank een akte houdende producties ingezonden, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan (de advocaat van) verweersters.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn namens de bank verschenen de heren Nagtegaal en Demenint, als accountant respectievelijk jurist verbonden aan de bank alsmede mr. Van der Stelt voornoemd en zijn kantoorgenoot mr. Nijboer. Namens verweersters waren aanwezig de heer [...................], bestuurder van zowel Uveco als Hampsink, de heer Van Zoggel, extern accountant van verweersters alsmede mr. Pennings voornoemd en zijn kantoorgenoot mr. Soupart. Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van door hen overgelegde pleitnota's. Daarbij heeft mr Pennings nog een productie overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Na afloop van de zitting is de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot 8 september teneinde partijen nog gelegenheid te bieden een regeling te treffen voor de ter zitting besproken problemen op basis waarvan de bank haar verzoek zou kunnen intrekken. De bank is verzocht voor of uiterlijk op 8 september 2005 te doen weten of zij haar verzoek handhaaft dan wel intrekt. Bij brief van 8 september 2005 hebben verweersters bij monde van mr. Pennings een nadere aanhouding van 2 weken gevraagd; de bank heeft zich daar bij brief van haar procureur van 8 september 2005 met bijlagen tegen verzet. Vervolgens is partijen bij brief van 14 september 2005 medegedeeld dat de uitspraak op heden is bepaald. Nader, bij telefaxbericht van 21 september 2005 heeft mr. Pennings namens verweersters de rechtbank verzocht de uitspraak met (nog eens) 2 weken aan te houden. Bij telefaxbericht van gelijke datum heeft mr. Van der Stelt zich daartegen verzet.

Tenslotte heeft de rechtbank nog kennis genomen van een brief van mr Van der Stelt, gedateerd 19 juli 2005, met als bijlage een map waarin opgenomen alle aan de bank bekende rechtspraak op het gebied van de noodregeling ingevolge de Wtk 1992. Mr. Pennings heeft ter zitting verklaard ook hiervan een afschrift te hebben ontvangen.

2. Het verzoek

2.1

De bank heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 21 juli 2005 verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad volgens de wet (artikel 71 lid 12 Wtk 1992), met vermelding van het tijdstip der beschikking tot op de minuut nauwkeurig (art. 71 lid 12 Wtk 1992) te verklaren dat Uveco en Hampsink, althans Uveco verkeren/verkeert in een toestand, welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft, met benoeming van een of meer bewindvoerders en voorts met zodanige beslissing omtrent de duur als de rechtbank zal vermenen te behoren. De bank verzoekt op grond van artikel 71 lid 7 Wtk 1992 de rechtbank voorts één van haar leden tot rechter-commissaris te benoemen en draagt mr. A.A.M. Deterink, advocaat en procureur te Eindhoven, voor als te benoemen bewindvoerder. Tenslotte verzoekt de bank, zo haar verzoek tot toepassing van de noodregeling wordt toegewezen, het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven nauwkeurig te vermelden en op voet van artikel 71 lid 8 Wtk 1992 een uittreksel van de beschikking onverwijld door de bewindvoerder dan wel de griffier van de rechtbank bekend te doen maken in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in een tweetal door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.

2.2

De bank legt aan het verzoek het volgende ten grondslag.

Verweersters (althans Uveco) drijven tezamen (materieel) één onderneming die zich bedrijfsmatig bezig houdt met - kort gezegd - de uitoefening van het kredietbedrijf, doordat verweersters (althans Uveco) in de periode van 15 juni 2000 tot en met 31 december 2004 op grond van een door verweersters ontwikkeld product, rendementsovereenkomst geheten, van tenminste 145 inleggers een bedrag van € 3.665.735,- hebben aangetrokken, van welk bedrag verweersters (althans Uveco) per 31 december 2004 € 2.066.735 nog niet hebben terugbetaald. Per 31 december 2004 hebben verweersters (althans Uveco) voorts een bedrag van € 2.053.392,- uitgeleend aan diverse particulieren, ondernemingen en Hampsink. Laatstgenoemde is per 31 december 2004 nog € 1.842.391,- verschuldigd aan Uveco. Dit bedrag heeft Hampsink zelf weer (deels) uitgeleend aan haar bestuurder, de heer [...................], in privé en aan Weslin Holding B.V.. Hampsink heeft tevens gelden belegd in Weslin Holding B.V. en Meibree B.V.

Verweersters (althans Uveco) beschikken niet over een vergunning ex artikel 6 lid 1 Wtk 1992 en handelen daarmee in strijd met het verbod op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling. Verweersters zijn niet vrijgesteld of ontheven van het in artikel 6 lid 1 Wtk 1992 bedoelde verbod.

Omdat op verweersters gezamenlijk (maar op Uveco ook afzonderlijk) het verbod van artikel 6 lid 1 Wtk 1992 van toepassing is én hun solvabiliteit en liquiditeit van dien aard is dat te voorzien is dat zij hun verplichtingen ter zake de aangetrokken gelden niet of slechts gedeeltelijk zullen kunnen nakomen bestaat aanleiding ten aanzien van verweersters, althans Uveco, vast te stellen dat zij in een toestand verkeren welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.

3. Het verweer

Verweersters voeren het volgende aan.

3.1

De bank dient in haar verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de reeds sedert maart 2004 tussen partijen lopende discussie in verband met het vermeend handelen in strijd met de Wtk 1992 heeft de bank zich voortdurend op het standpunt gesteld dat het gebruik van de rendementsovereenkomst gestaakt diende te worden en dat op korte termijn de reeds aangetrokken gelden terugbetaald dienden te worden. In de correspondentie tussen partijen heeft de bank telkens aangegeven voornemens te zijn om zo nodig een last onder dwangsom op te leggen, gericht op het op zo kort mogelijke termijn terugbetalen van de aangetrokken gelden. Verweersters hebben laten weten het gebruik van het gewraakte product te zullen staken en gestaakt te houden en hebben de bank desverzocht telkens van de nodige informatie voorzien. Aangezien de bank tot 18 juli 2005 nimmer heeft aangegeven dat een verzoek tot toepassing van de noodregeling zelfs maar werd overwogen heeft de bank aldus het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat van die bevoegdheid geen gebruik zou worden gemaakt. Voorts is het verzoek van de bank in strijd met het evenredigheidsbeginsel, doordat er een wanverhouding dreigt te ontstaan tussen enerzijds de (betrekkelijk geringe) ernst van de overtreding (en de gunstige vooruitzichten om de gevolgen daarvan binnen een redelijke termijn te redresseren) en anderzijds de ingrijpende gevolgen die toewijzing van het verzoek voor de totale bedrijfsvoering zal hebben (en waarvan de gewraakte handelingen slechts een ondergeschikt deel uitmaken). De bank handelt voorts ook onzorgvuldig door onaangekondigd en op zo korte termijn haar verzoek om toepassing van de noodregeling in te dienen, terwijl hetzelfde doel kan worden bereikt middels de aangekondigde - en met meer waarborgen omkleedde - procedure waarbij een last onder dwangsom wordt opgelegd.

3.2

Voorts betwisten verweersters dat zij gezamenlijk, dan wel afzonderlijk een onderneming drijven die het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, ook al omdat zij nimmer de intentie gehad dit te doen. Om die reden gelden voor hen ook niet de liquiditeits- en solvabiliteitseisen waaraan door de bank wordt gerefereerd. Er behoeft slechts nog een bedrag van € 1.7 miljoen terugbetaald te worden; daarvoor is geen eigen vermogen van € 5 miljoen nodig.

De bedragen die met de rendementsovereenkomsten waren gemoeid zijn zeer bescheiden, afgezet tegen de hoofdactiviteiten. Met slechts 0,4% van het klantenbestand werd een rendementsovereenkomst gesloten. Er is geen sprake van een zelfstandig identificeerbare activiteit.

Aangezien verweersters voorts met alle klanten met wie een rendementsovereenkomst is gesloten (uitgezonderd 4) hebben afgesproken dat de rendementsovereenkomsten tussentijds worden beëindigd en verweersters met de betrokken crediteuren terzake de terugbetalingsverplichting nadere betalingsregelingen hebben getroffen - uitgezonderd de 4 genoemde gevallen - is thans sprake van ongedaanmakingsverplichtingen, welke ingevolge artikel 7 lid 2 sub b van de Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 (hierna de Beleidsregel) zijn uitgezonderd van het begrip 'al dan niet op termijn opvorderbare gelden'.

Verder is geen sprake van het uitzetten van kredieten in de zin van artikel 1 Wtk 1992. Er zijn weliswaar gelden bij derden uitgezet, maar dit betrof veelal personen die in een persoonlijke of arbeidsrechtelijke relatie stonden tot verweersters (of haar bestuurders). Verweersters hebben bovendien nimmer financieel voordeel beoogt met deze uitzettingen. Indien de uitzetting van gelden bij Hampsink ad € 1.842.391,- buiten beschouwing wordt gelaten dan resteert per 31 december 2004 slechts nog een bedrag van € 211.001,-, welk bedrag per 30 juni verder is teruggebracht tot ruim € 200.000,-.

3.3

Voorts bestaat gezien de financiële stand van zaken per 30 juni 2005 geen aanleiding tot toepassing van de noodregeling. Waar de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van verweersters noch haar eigen vermogen medio 2004 de bank aanleiding gaven toepassing van de noodregeling te overwegen bestaat daar thans evenmin aanleiding toe nu die positie niet wezenlijk is veranderd, integendeel: de eerste halfjaarcijfers over 2005 laten een sterke positieve ontwikkeling zien. De cijfers waarvan de bank zich bediend zijn verouderd en achterhaald door de als productie 24 door verweersters overgelegde cijfers. De verslechtering van de liquiditeits- en solvabiliteitsratio's en het eigen vermogen over 2004 valt terug te voeren op de correcties die de huidige accountant heeft doorgevoerd. Er was sprake van eenmalige (hoge) kostenposten die in één keer ten laste van het resultaat zijn gebracht. Voorts is de balans opgeschoond in verband met afboekingen wegens oninbare vorderingen. Operationeel lopen de zaken echter voorspoedig en zijn ook de prognoses voor de periode 2005 - 2010 rooskleurig. Uit de door de accountant opgestelde prognose blijkt dat verweersters ook in de toekomst aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen.

Er is geen sprake van dat toepassing van de noodregeling het belang van de schuldeisers dient; uit een enquête onder 67 klanten met wie een rendementsovereenkomst is gesloten blijkt dat van de respondenten (39) er 35 tevreden zijn met de rendementsovereenkomst en geen prijs stellen op terugbetaling ineens.

Door toepassing van de noodregeling zullen verweersters geconfronteerd gaan worden met een groot aantal schadeclaims wegens de niet-nakoming van afspraken, hetgeen forse negatieve gevolgen zal hebben.

3.4

Zo toch toepassing van de noodregeling zou worden overwogen hebben verweersters een korte termijn nodig om externe herfinanciering aan te trekken met het oog op de terugbetalingsverplichtingen jegens de klanten met wie een rendementsovereenkomst is gesloten. Verweersters zijn daartoe bereid en ook in staat maar hebben daar tot nog toe geen werk van gemaakt, gegeven het feit dat met de bank nog volop werd gedebatteerd over de modaliteiten waaronder een last onder dwangsom zou worden opgelegd. Verweersters stellen de termijn die zij denken hiervoor nodig te hebben veiligheidshalve op 3 maanden en vragen - uiterst subsidiair - om aanhouding van het verzoek met die termijn.

4. De beoordeling

4.1

De rechtbank verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid. Niet aannemelijk is geworden dat de bank onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet heeft kunnen beslissen om een verzoek in te dienen strekkende tot toepasselijk verklaring van de noodregeling. De enkele omstandigheid dat verweersters daar tot voor kort - kennelijk - in het geheel geen rekening mee hebben gehouden kan daar niet aan af doen, althans dient geheel voor hun rekening te blijven. Verweerders hadden zich sedert maart 2004, toen zij voor het eerst door de bank werden aangeschreven, dienen te realiseren dat zij door de bank als kredietinstelling werden beschouwd en dienden vanaf dat moment rekening te houden met de wettelijke taken en bevoegdheden die de bank (als aangewezen toezichthouder) in dat kader toekomen. Bovendien gaan verweersters er aan voorbij dat het besluit van de bank tot indiening van het onderhavige verzoek genomen is ná de hoorzitting in het kader van het voornemen een dwangsom op te legen. Bij gelegenheid van die hoorzitting is namens verweersters aangevoerd (vide productie 17, p. 4, onderdeel 13):

'Mocht uw instelling evenwel gelasten om de aangetrokken gelden vóór 1 september 2005 terug te betalen, brengt zulks Uveco in grote financiële problemen. Een faillissement van Uveco is in voorkomend geval niet uit te sluiten. Het behoeft weinig betoog dat de gevolgen van het aangekondigde besluit eveneens de klanten die het betreffende product hebben gesloten zullen treffen. Te vrezen valt dat Uveco in voorkomend geval niet in staat zal zijn aan haar verplichtingen te voldoen waardoor de klanten gedupeerd worden'.

In het licht van deze mededeling moet het opleggen van een last als een gepasseerd station worden beschouwd (er werd immers aangekondigd dat deze niet nagekomen zou kunnen worden) en stond de bank als prudent toezichthouder in feite geen andere keuze meer open dan een verzoek ex artikel 72 lid 2 Wtk 1992 in te dienen, te meer ook omdat verweersters ter hoorzitting op geen enkele wijze een opening hadden geboden om de inmiddels met de betrokken schuldeisers getroffen terugbetalingsregelingen, die zich uitstrekten over een periode van 5 jaar, te beperken tot een termijn die meer tegemoet kwam aan de - gerechtvaardigde - wensen van de bank.

Verweersters zijn deugdelijk en tijdig opgeroepen in verband met de behandeling van het onderhavige verzoek en zijn ook door de rechtbank gehoord, zodat ook uit dien hoofde geen sprake kan zijn van een onzorgvuldige procedure. De omstandigheid dat verweersters slechts een korte termijn (7 dagen) vergund was om hun verdediging voor te bereiden maakt dit niet anders.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van schendingen van in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur door de bank die aan haar ontvankelijkheid in het onderhavige verzoek in de weg staan.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat (de ondernemingen van) Uveco en Hampsink bij de beoordeling van de vraag of het bedrijf van kredietinstelling in de zin van artikel 1 Wtk 1992 wordt uitgeoefend als één onderneming dienen te worden aangemerkt. Zulks is gemotiveerd door de bank gesteld (vide onderdeel 1.3 van het inleidend verzoek, onderdeel 1.7 van haar pleitnota en het door de bank aangehaalde arrest) en niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken door verweersters.

4.3

De rechtbank is verder van oordeel dat verweersters op bedrijfsmatige wijze gelden hebben aangetrokken in de zin van artikel 1 onder a Wtk 1992 en licht dit als volgt toe.

Vast staat (verweersters hebben dit erkend) dat verweersters gelden van derden hebben aangetrokken. Dat deze activiteit een bedrijfsmatig (en dus niet toevallig, incidenteel of bijkomend) karakter draagt blijkt uit het feit dat verweersters voor deze activiteit een speciaal product hebben ontwikkeld, 'rendementsovereenkomst' geheten, en dit product kennelijk zonder enige promotie bij 154 relaties hebben afgezet, op basis waarvan in een periode van ruim 4 jaar een bedrag van € 3.665.737,- is aangetrokken. Ook de omstandigheid dat zowel de geldschieters alsook de aangetrokken bedragen in administratief opzicht identificeerbaar zijn duidt op het bedrijfsmatige, niet uitsluitend aan de hoofdactiviteit ondergeschikte karakter van de aantrekkingen.

Dat verweersters dusdoende evenwel nimmer de intentie hebben gehad om het kredietbedrijf in de zin van artikel 1 onder a Wtk 1992 uit te oefenen kan daar niet aan afdoen.

De rechtbank verwerpt het verweer als zouden de terugbetalingsverplichtingen van verweersters jegens haar klanten met een rendementsovereenkomst kwalificeren als ongedaanmakingsverplichtingen. Volgens hun eigen stellingen hebben verweersters de overeenkomsten (op 4 na) met wederzijds goedvinden beëindigd en ter zake de terugbetalingsverplichtingen contractuele afspraken gemaakt, waarvan de inhoud kort beschreven wordt in productie 10, p. 2, derde alinea. Reeds op grond van deze met de betrokken schuldeisers gemaakte afspraken is onverminderd sprake van 'op termijn opvorderbare gelden' in de zin van art. 7 lid 1 van de Beleidsregel, en niet, zoals verweersters ten onrechte stellen, van ongedaanmakingsverplichtingen.

Verweersters erkennen dat thans nog sprake is van kredietuitzettingen tot een beloop van ruim € 200.000,-, waarbij zij evenwel nog buiten beschouwing laten de kredietuitzettingen die via Hampsink hebben plaatsgevonden aan de bestuurder van verweersters en Weslin Holding B.V. en de beleggingen participaties Weslin Holding BV en Meibree BV. Indien ook deze vorderingen in aanmerking worden genomen - en de rechtbank ziet in het licht van hetgeen zij hiervoor sub 4.2 heeft overwogen geen aanleiding zulks niet te doen - dan resteert thans in te vorderen een bedrag van (ruim) € 2 miljoen.

Uit de stukken blijkt dat deze gelden in ieder geval voor een gedeelte tegen commerciële voorwaarden zijn uitgezet, zodat ook in die zin sprake is van kredietuitzettingen in de zin van artikel 1 Wtk.

4.4

Onweersproken staat vast dat verweersters noch een vergunning ex artikel 6 lid 1 Wtk 1992 noch een ontheffing of vrijstelling ex artikel 6 lid 2 of 3 Wtk 1992 hebben, en dat daarmee op verweersters het verbod in het eerste lid van artikel 6 Wtk 1992 onverkort van toepassing is.

Bij haar beoordeling van de vraag in hoeverre verweersters voldoen aan de eisen die gesteld worden aan de financiële soliditeit van kredietinstellingen zoals nader uitgewerkt in het Besluit vaststelling minimum eigen vermogen en de Solvabiliteitsrichtlijnen van de bank is de bank uitgegaan van de opgave zoals verweersters die onlangs nog aan de bank hebben gedaan.

Daarvan uitgaande blijkt dat Uveco en Hampsink zowel afzonderlijk, maar ook geconsolideerd ruimschoots onder de voor kredietinstellingen geldende solvabiliteitsnorm blijven en daarmee niet (althans niet in de mate die voor kredietinstellingen noodzakelijk c.q. wenselijk wordt geacht) in staat zijn op langere termijn aan haar verplichtingen te voldoen. Uitgaande van de cijfers zoals door verweersters aangeleverd voldoen verweersters evenmin aan de liquiditeitseisen zoals die voor kredietinstellingen worden gehanteerd en blijft ook het eigen vermogen (ruimschoots) beneden de voor kredietinstellingen geldende ondergrens van € 5 miljoen.

Verweersters hebben niet (althans onvoldoende) weersproken dat zij, getoetst aan de door de bank aangelegde criteria, niet voldoen aan de voor kredietinstellingen geldende ratio's betreffende liquiditeit, solvabiliteit en garantievermogen. Zij stellen slechts dat die eisen voor hen niet gelden omdat zij niet als kredietinstelling kwalificeren. Met de verwerping van dit verweer (onderdeel 4.3) komt ook de basis voor het verweer met betrekking tot de financiële soliditeit te vervallen. De omstandigheid dat de ratio's met betrekking tot de financiële soliditeit de bank eerder geen aanleiding gaven tot ingrijpen leidt niet tot een ander oordeel.

Ook de resultaten van de enquête onder de klanten met wie een rendementsovereenkomst is gesloten kunnen, wat daar overigens ook van gezegd kan worden, niet tot het oordeel leiden dat toepassing van de noodregeling niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers moet worden geacht. Deze belangen komen (mede) geobjectiveerd tot uitdrukking in de eisen die worden gesteld aangaande de financiële soliditeit van kredietinstellingen, waaraan verweersters - zoals reeds vastgesteld - bij lange na niet voldoen.

Of en in welke mate toepassing van de noodregeling tot gevolg zal hebben dat verweersters geconfronteerd gaan worden met schadeclaims laat zich thans slechts raden; veel zal daarin afhangen van de maatregelen die de bewindvoerder in het licht van de hem toevertrouwde belangen noodzakelijk c.q. wenselijk voorkomen.

4.5

De rechtbank heeft met haar beslissing tot aanhouding reeds enigermate tegemoet willen komen aan de wens van verweersters om respijt teneinde een oplossing (lees: herfinanciering) te bewerkstelligen voor het probleem van de terugbetaling van de uitgezette gelden op korte termijn. Deze beslissing was - mede - gebaseerd op de bewering van verweersters dat een dergelijke herfinanciering, gegeven de financiële positie van verweersters, op zeer korte termijn gerealiseerd zou kunnen worden. Uit de verzoeken om nadere aanhouding van verweersters, ingekomen na het sluiten van de mondelinge behandeling, blijkt evenwel dat herfinanciering kennelijk aanmerkelijk problematischer is dan verweersters aanvankelijk wilden doen geloven. In dat licht ziet de rechtbank thans geen termen haar beslissing nog langer aan te houden, in aanmerking nemende de op zichzelf vaststaande wenselijkheid de noodregeling van toepassing te verklaren, teneinde in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de activiteiten van verweersters door een bewindvoerder af te laten wikkelen onder toezicht van een rechter-commissaris. Zulks lijkt op dit moment de beste vooruitzichten te bieden dat aan de schuldeisers hun tegoeden geheel of gedeeltelijk kunnen worden gerestitueerd.

4.6

Gezien al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweersters verkeren in een toestand welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft. Met het oog hierop zal de rechtbank een bewindvoerder benomen. De bank heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid ter zake een voordracht te doen en voorgesteld mr. A.A.M. Deterink, advocaat en procureur te Eindhoven, tot bewindvoerder te benoemen. De rechtbank zal deze voordracht volgen.

De looptijd van de thans te treffen voorziening zal worden gesteld op anderhalf jaar, ingaande heden en derhalve eindigend op 22 maart 2006.

De beslissing

De rechtbank:

1.

verklaart dat Uveco Groep B.V. en Hampsink Holding B.V. verkeren in de toestand welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft;

2.

benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. F.H.E. Boerma en tot bewindvoerder mr. A.A.M. Deterink, advocaat en procureur te Eindhoven;

3.

bepaalt dat de voorziening voortduurt tot 22 maart 2007;

4.

bepaalt dat de griffier onverwijld zal overgaan tot publicatie van een uittreksel van deze beschikking in de Nederlandse Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, de Telegraaf en het Brabants Dagblad;

5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag van de uitspraak.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Schoorlemmer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2005 om 12.00 uur in tegenwoordigheid van de griffier.