Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT9495

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
01/025312-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van seksueel binnendringen bij iemand met gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/025312-04

Uitspraakdatum: 19 juli 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [woonplaats] [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juli 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 juni 2005.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2004, in elk geval op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 mei 2004 tot en met 20 mei 2004 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) zijn/hun penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of daarmee op en neer gaande bewegingen gemaakt;

(artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.

De verdediging heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen aangezien bij de verdachte de wetenschap ontbrak dat het slachtoffer lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens die van zodanige aard was dat zij niet of niet voldoende in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen kenbaar te maken. Verdachte stelt zich op het standpunt dat in zijn algemeenheid niet, laat staan voor hem, waarneembaar was dat de geestvermogens van het slachtoffer dusdanig gebrekkig waren dat zij niet in staat was haar wil te bepalen. Vanuit het referentiekader van verdachte heeft het slachtoffer een normale geestelijke ontwikkeling, zij was iemand van gelijk niveau, aldus de verdediging. Derhalve heeft de verdediging geconcludeerd dat niet aan het wetenschapsvereiste is voldaan en dat ten gevolge daarvan het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank oordeelt dat, gezien het verslag beeldvorming betreffende het slachtoffer, d.d. 11 juni 2004, opgemaakt door de orthopedagogen A. Smits en M. Looijschelder, gesproken moet worden van een slachtoffer met een grote verstandelijke beperking, dat functioneert op een ontwikkelingsniveau schommelend (afhankelijk van de competentie) tussen de 4 jaar en 9 jaar. In voornoemd rapport is onder meer opgenomen dat: 'Sociale vaardigheden die een beroep doen op het onderscheiden van emoties, wederkerigheid in relaties, omgaan met afspraken, aangaan van vriendschappen, inleven in de ander, omgaan met kritiek en complimenten, behoren niet tot haar mogelijkheden. De omgang met leeftijdsgenoten zal vooral gebaseerd zijn op erbij willen horen, aardig gevonden worden, de ander het naar de zin maken en niet zozeer vanuit de eigen behoefte (wat wil ik) worden ingevuld. (..) In de praktijk uit zich dit bij [slachtoffer] ten eerste in een lage zelfwaardering. (..) Ten tweede uit zich dit in onvoldoende autonomie. (..) Ten slotte uit de hechtingsproblematiek zich bij [slachtoffer] in een angst voor afwijzing. [slachtoffer] heeft er moeite mee om te vertrouwen op volwassenen die zij niet kent. Ten aanzien van relaties met leeftijdsgenoten is [slachtoffer] niet in staat aan te geven wat zij zelf leuk of fijn of niet prettig vindt. Zij schikt zich naar de ander, vertoont gewenst gedrag vanuit een behoefte aan aardig gevonden willen worden of erbij willen horen. [slachtoffer] is niet in staat om zich weerbaar op te stellen of situaties juist in te schatten.' Dit beeld van het slachtoffer wordt bevestigd in verslag van het studioverhoor (pagina 56 ev. in het dossier) waar duidelijk blijkt dat ze het niet leuk vond dat ze van [medeverdachte 1] met de beide andere verdachten naar bed moest, maar dit toch heeft gedaan. Dit komt omdat ze moeilijk nee kan zeggen.

De rechtbank oordeelt dat verdachte op de hoogte was van deze wilsonbekwaamheid van het slachtoffer en baseert zich daarbij op zijn verklaring ter terechtzitting waar hij heeft verklaard: "Ik wist dat ze gehandicapt was, [slachtoffer] wilde het eigenlijk niet. Ze kon tegen niemand nee zeggen."

De rechtbank kan zich niet verenigen met het standpunt van de verdediging dat verdachte wist noch kon weten dat het slachtoffer onvoldoende in staat was haar wil te bepalen, mede omdat zij iemand van gelijk niveau is. De rechtbank acht een verschil aanwezig in de ontwikkeling van enerzijds het slachtoffer en anderzijds de verdachten. Daarbij beschouwt de rechtbank verdachten, mede op basis van de omtrent hen opgemaakte rapporten, als meer capabel om hun wil kenbaar te maken dan het slachtoffer. Dit verschil is kenbaar geweest, of had dat in ieder geval moeten zijn.

Derhalve concludeert de rechtbank dat aan het wetenschapsvereiste is voldaan en verwerpt het verweer van de verdediging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op een tijdstip gelegen omstreeks de periode van 15 mei 2004 tot en met 20 mei 2004 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) zijn/hun penis in de vagina en de mond van die [slachtoffer] gebracht en gehouden en/of daarmee op en neer gaande bewegingen gemaakt.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de dader.

De verdediging heeft aangevoerd dat de gedragingen niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het schuldverband bij de betreffende delictsomschrijving is opzet, waarvoor voorwaardelijk opzet voldoende is. Dat opzet moet echter zijn gericht op de wetenschap. Zulk een opzet had verdachte niet en kon dit ook niet hebben. Verdachte kon zelfs niet vermoeden dat het slachtoffer onvoldoende in staat was haar wil te bepalen, aangezien zij aan een vergelijkbare geestesstoornis als verdachte zelf lijdt. Van voorwaardelijk opzet blijkt, in de ogen van de verdediging, derhalve evenmin. Daarenboven blijkt uit de rapportage aan de hand van het psychologisch onderzoek dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar was. De verdediging heeft geconcludeerd dat het verdachte aan schuld ontbreekt. Verdachte is niet strafbaar, hem komt een beroep op art. 39 Sr toe en moet derhalve worden ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtbank oordeelt, verwijzend naar de eerdere overwegingen ten aanzien van het bewijs, dat er wel sprake was van wetenschap van de geestestoestand van het slachtoffer bij verdachte. Ondanks dat er sprake is van een zekere beperking aan de zijde van verdachte, wist verdachte van de (sterk) beperkte geestelijke weerstand van het slachtoffer en had hij zich deze - zo blijkt uit diens verklaring - terdege gerealiseerd. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte in elk geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken of tegen de gedraging weerstand te bieden. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte een beroep zou toekomen op artikel 39 Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid.

Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 47, 243.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarde: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering.

Werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot de strafmaat.

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet binnen de voorgeschreven termijn is overgegaan tot dagvaarding van verdachte. Na sluiting van het GVO op 6 oktober 2004 verstreken ruim 3 maanden voordat er iets van de officier werd vernomen. De belangenafweging tussen verdachtes belangen en die van maatschappelijke of strafvorderlijke aard kan in de aanvankelijke beschikking ex artikel 255 lid 4 SV dan wel niet ten voordele van verdachte zijn uitgevallen, in de huidige stand van het geding zal zulks wel zijn neerslag op de hoogte van een eventueel aan verdachte op te leggen straf moeten krijgen. Immers: verdachte heeft inmiddels met hulp van de Reclassering en andere hulpverleners hard zijn best gedaan om de omstandigheden die deels hebben bijgedragen aan zijn gedrag te kenteren. Er lopen een aantal trajecten, met name gericht op verdachtes verslavingsproblematiek en huisvesting, die bij onderbreking ernstig inboeten aan kans van slagen. Bovendien is verdachte in de tussenliggende periode niet één keer in aanraking geweest met Justitie.

De rechtbank oordeelt dat gezien de ontwikkelingen rond [medeverdachte 1], die in de periode tussen het begaan van onderhavig feit en de terechtzitting verdachte is geworden inzake een ander feit in dezelfde sfeer, en het belang van het openbaar ministerie om alle medeverdachten op één zitting te laten berechten begrijpelijk is dat er daardoor enige vertraging is ontstaan.

De rechtbank oordeelt dat de zaak binnen een redelijke termijn is afgedaan en dat er geen reden is voor mindering van de straf.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate van het leed dat aan het slachtoffer is aangedaan, te weten een ernstige aantasting van lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte is niet de initiatiefnemer van het mede door hem gepleegde strafbare feit geweest, maar heeft zich door [medeverdachte 1] laten leiden;

- uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door drs. J.M.C. Lensen van 21 september blijkt, dat het door hem gepleegde strafbare feit in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Dit rapport houdt onder meer zakelijk weergegeven in:

Betrokkene is lijdende aan een beperkte ontwikkeling van zijn geestvermogens. Hij is namelijk fors verstandelijk gehandicapt en heeft antisociale persoonlijkheidstrekken. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was genoemde gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens aanwezig en deze beïnvloedde zijn gedragskeuzen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde daaruit kan worden verklaard. De reeds eerder door hulpverleners besproken, mede door het gebrek aan structuur in het gezin van herkomst gevormde extraverte en onrustige persoonlijkheid, kan in combinatie met zijn zwakke verstandelijke vermogens en zijn gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie en empathische vermogens, zoals reeks bij herhaling is gebleken, voor grensoverschrijdend gedrag zorgen.

Ondanks zijn forse verstandelijke handicap en antisociale persoonlijkheidstrekken ontbrak het betrokkene niet volledig aan keuzevrijheid. Hij had toen hij merkte dat het slachtoffer het niet wilde kunnen stoppen en vertrekken. Tevens was er verder ook geen enkele psychische noodzaak die het gedrag van betrokkene zou kunnen verklaren.

Op grond van bovenstaande adviseer ik om betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht.

- verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit bij de aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek toegegeven en tevens zijn volledige medewerking aan dat onderzoek en aan zijn behandeling verleend;

- verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van met iemand van wie de dader weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

(artikel 243 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarde: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 14 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

Werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 11 juni 2004 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. W.J. Kolkert, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mandemakers, griffier

en is uitgesproken op 19 juli 2005.

Parketnummer: 01/025312-04 pag. 7