Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT9113

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
AWB 05/1843 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening, wegens ontbreken spoedeisend belang. De voorzieningenrechter wil er met nadruk op wijzen dat het onaanvaardbaar moet worden geacht dat – vanwege een niet strikt handhaven van de eis van het bestaan van een acute noodsituatie – het middel van een verzoek om een voorlopige voorziening (steeds vaker) oneigenlijk wordt gebruikt in wezen slechts ter verkrijging van een zeer snel rechterlijk oordeel over een bepaald (vaak schrijnend geacht) besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

AWB 05/1843 WVG

Uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

wettelijk vertegenwoordigd door haar vader en bewindvoerder [vader], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. T.A.M. van den Ende, advocaat te Zwolle,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel, verweerder,

gemachtigden P.R. Mullié, juridisch adviseur te Montfoort, en J.H.M. Peters, werkzaam bij verweerders gemeente.

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster is lichamelijk en psychisch gehandicapt. Zij woont in een AWBZ-instelling in verweerders gemeente. Sinds 2002 ontvangt zij van verweerders gemeente uit hoofde van de Wet voorzieningen gehandicapten een vervoersvoorziening teneinde elk weekend haar ouders te [plaats] te kunnen bezoeken. Bij besluit van 6 juni 2005 heeft verweerder die voorziening aldus gewijzigd dat verzoekster nog slechts in staat wordt gesteld om gemiddeld 23,5 keer per jaar in het weekend (per rolstoeltaxi) naar en van [plaats] te reizen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt. Tevens is aan de voorzieningen-rechter verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar verzoekster en haar ouders zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich daar door zijn gemachtigden laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, lid 1, van de Awb kan er tijdens een bodemprocedure een voorlopige voorziening worden getroffen “indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist”. Deze laatste eis dient aldus te worden opgevat dat er sprake moet zijn van een acute noodsituatie waardoor het resultaat van de bodemprocedure absoluut niet kan worden afgewacht. Bij de beoordeling hiervan speelt uiteraard (nog) geen rol of en zo ja in hoeverre het in de bodemprocedure bestreden besluit onrechtmatig zou zijn.

In het onderhavige geval is geen acute noodsituatie aanwezig. De gestelde vervoersproblemen kunnen namelijk - indien het inderdaad ook thans medisch noodzakelijk zou zijn dat verzoekster ieder weekend in [plaats] verblijft - voorlopig worden opgelost door haar, bijvoorbeeld om de twee weken, met de eigen auto van haar ouders tussen [woonplaats] en [plaats] te vervoeren.

De voorzieningenrechter wil er met nadruk op wijzen dat het onaanvaardbaar moet worden geacht dat - vanwege een niet strikt handhaven van de eis van het bestaan van een acute noodsituatie - het middel van een verzoek om een voorlopige voorziening (steeds vaker) oneigenlijk wordt gebruikt in wezen slechts ter verkrijging van een zeer snel rechterlijk oordeel over een bepaald (vaak schrijnend geacht) besluit. Indien hieraan wordt toegegeven zou dit ten koste gaan van de behandelingsduur van reguliere - niet zelden eveneens op schrijnende gevallen betrekking hebbende - beroepszaken. Dit zou ook het streven van de rechtbank(en) doorkruisen om juist die behandelingsduur te bekorten.

Voorts wil de voorzieningenrechter nog uitspreken dat het enige verbazing wekt dat zijdens verweerder in deze procedure geen enkele aandacht is besteed aan de vraag of is voldaan aan de hierboven genoemde eis. De voorzieningenrechter meent dat ook bestuursorganen de plicht hebben om, voorzover dat redelijkerwijs geacht kan worden binnen hun vermogen te liggen, het hierboven genoemde oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Dit betekent bijvoorbeeld ook dat bij onder besluiten geplaatste rechtsmiddelenclausules en in door bestuursorganen verspreide folders juiste voorlichting moet worden verstrekt over de zeer beperkte mogelijkheid tot het verkrijgen van een inhoudelijk rechterlijk oordeel in voorlopige voorziening. Overigens is niet gebleken dat in het onderhavige geval verweerder op dit laatste punt iets zou zijn te verwijten.

Gezien het vorenstaande moet het verzoek om een voorlopige voorziening wegens het ontbreken van voldoende spoedeisend belang worden afgewezen. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier op 29 juni 2005.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.