Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT9086

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
Awb 04 / 1708
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb blijft verweerder verplicht om een beslissing op de aanvraag te nemen, als deze beslissing niet alsnog is genomen bij de beslissing op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Artikel 7:11 van de Awb verplicht niet tot het nemen van een dergelijk besluit bij de beslissing op het bezwaar. Van herroeping van het in bezwaar bestreden besluit en het nemen in de plaats daarvan van een nieuw besluit is in dat geval namelijk geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 04/1708

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiser], wonende te Eindhoven, eiser,

[gemachtigde], advocaat te Eindhoven,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser heeft op 14 februari 2003 een verzoek om naturalisatie ingediend.

Eiser heeft bij brief van 7 mei 2004 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Daarbij heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

Verweerder heeft bij brief van 13 mei 2004 het bezwaar van eiser gegrond verklaard, aangegeven binnen vier weken te beslissen op het verzoek om naturalisatie en voorts een vergoeding in de proceskosten geweigerd.

Eiser heeft bij brief van 21 juni 2004, ter griffie ontvangen op gelijke datum, tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 30 juni 2004 het verzoek van eiser om naturalisatie buiten behandeling gelaten.

Eiser heeft bij brief van 19 juli 2004 de beroepsgronden aangevuld.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 april 2005. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Eisers bezwaar van 7 mei 2004 is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:20, eerste lid, van de Awb blijft verweerder in een dergelijk geval verplicht om een besluit op de aanvraag te nemen.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit wetsartikel geldt deze verplichting echter niet gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig blijft.

In artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb geldt de verplichting om een besluit op de aanvraag te nemen evenmin na de beslissing op het bezwaar, indien de indiener van de aanvraag als gevolg van die beslissing geen belang meer heeft bij een besluit op de aanvraag.

De ratio van deze bepalingen is dat het bezwaarschrift kan leiden tot het bij de beslissing op het bezwaar nemen van een reëel besluit.

Of verweerder bij de beslissing op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit een reëel besluit op de aanvraag neemt, staat verweerder op zichzelf vrij. Als verweerder bij de beslissing evenwel niet alsnog een reëel besluit op de aanvraag neemt, blijft verweerder verplicht om alsnog op die aanvraag te beslissen.

In dit geval, zo leidt de rechtbank uit de gedingstukken af, heeft verweerder bij zijn beslissing op bezwaar van 13 mei 2004 niet alsnog naar aanleiding van eisers aanvraag om naturalisatie een reëel besluit genomen. Gelet op de hiervoor weergegeven wetssystematiek moest verweerder derhalve nog een beslissing op de aanvraag nemen.

De rechtbank deelt niet eisers opvatting dat verweerder, bij de heroverweging op de grondslag van eisers bezwaar van 7 mei 2004, een beslissing op eisers aanvraag had dienen te nemen.

Op grond van artikel 7:11 van de Awb dient, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het in bezwaar bestreden besluit te worden herroepen en moet, voorzover nodig, in de plaats daarvan een nieuw besluit worden genomen.

De heroverweging geeft naar het oordeel van de rechtbank in casu geen aanleiding voor het herroepen van het besluit en voor het nemen van een nieuw besluit.

Omdat in casu het bezwaar niet is gericht tegen een reëel besluit, kan van een herroeping van het besluit geen sprake zijn. Verder is het nemen van een nieuwe besluit in dit wetsartikel afhankelijk gesteld van de herroeping van het besluit waartegen het bezwaar zich richt. Het artikel biedt derhalve geen grondslag voor het los van een herroeping nemen van een beslissing op eisers aanvraag. De verwijzing door eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 mei 1999, gepubliceerd in JB 1999/153, is derhalve niet adequaat.

Ten aanzien van eisers grieven met betrekking tot het niet vergoeden van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, overweegt de rechtbank dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, uitsluitend voorziet in de mogelijkheid van vergoeding indien het bezwaar leidt tot een herroeping van het primaire besluit. Aangezien van een herroeping in casu geen sprake kan zijn, is vergoeding van de kosten op grond van artikel 7:15 van de Awb niet mogelijk (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juni 2004, gepubliceerd in

JB 2004/289).

Bij besluit van 30 juni 2004 heeft verweerder alsnog een reële beslissing op eisers naturalisatieaanvraag genomen.

Eiser heeft in verband hiermee gesteld dat het door hem ingestelde beroep tegen verweerders besluit van 13 mei 2004 moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 juni 2004. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat het besluit van 30 juni 2004 moet worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu van het intrekken of wijzigen van een besluit waartegen reeds een beroep aanhangig is, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, geen sprake, alleen al omdat bij het besluit van 13 mei 2004 geen reëel besluit op eisers aanvraag is genomen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het beroep, overeenkomstig artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede is gericht tegen het besluit van 30 juni 2004.

Het beroep is, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond. Het bestreden besluit dient derhalve in stand te blijven.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Brouwers als griffier op 6 juli 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

1

3

AWB 04/1708