Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT7805

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
01/840236-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Treinpassagier is begonnen met instappen in een trein op een moment dat de trein al in beweging is. Treinpassagier komt vastgeklemd te zitten tussen treindeuren. Zij raakt daardoor gewond. Gelet op de in het vonnis vermelde omstandigheden heeft verdachte als chef van de trein, dan wel zijn collega, in strafrechtelijke zin niet verwijtbaar gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/840236-05

Uitspraakdatum: 21 juni 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1959,

wonende te (woonplaats), (adres).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juni 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 mei 2005.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2003 te Oss, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of

onachtzaam en/of nalatig, althans onoordeelkundig heeft gehandeld als volgt:

verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben, gelet op ieders

verantwoordelijkheid, in onderling verband met elkaar, althans ieder van hen

persoonlijk voor zich,

terwijl zij/hij werkzaam waren/was als chef van de trein en/of als

hoofdconducteur en/of in die hoedanigheid (mede) verantwoordelijk voor en/of

belast met het vertrekproces van de trein,

(terwijl die trein gestopt was op het station in Oss)

aan de machinist van die trein een vertrekbevel gegeven (middels een daarvoor

bestemde lamp) en/of

(vervolgens) niet een zogenaamd derde kijkmoment (voorschrift

vertrekprocedure) uitgevoerd, althans zich (op dat en/of enig moment en/of

vervolgens) er onvoldoende (blijvend) van vergewist en/of overtuigd of/dat er

nog (een) passagier(s) doende was/waren met instappen, althans of/dat de trein

veilig kon vertrekken en/of blijven doorrijden en/of de snelheid verhogen, op

een moment dat [slachtoffer] doende was een treinstel binnen te gaan, althans

in te stappen,

en/of (waarbij) afdoende coördinatie en/of afstemming tussen beiden ontbrak

en/of waardoor onduidelijkheid bestond, althans kon bestaan omtrent volledige

en/of adequate uitvoering van de voorgeschreven vertrekprocedure,

waardoor, althans mede waardoor, het aan hun/zijn schuld te wijten is geweest

dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) breuk(en) in de

bovenkaak en/of het aangezicht en/of het jukbeen en/of tandletsel en/of (een)

breuk(en) van het middenvoetsbeentje en/of (een) wond(en) aan een/de elleboog,

heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke

ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden

van deze is ontstaan;

terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig ambt en/of beroep

(te weten: als chef van de trein en/of als hoofdconducteur)

[artikel 308, 309 en 47 van het Wetboek van Strafrecht];

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 7 juni 2005 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een werkstraf van 50 uren, indien deze niet (goed) wordt uitgevoerd te vervangen door een hechtenis van 25 dagen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Op basis van hetgeen ter terechtzitting en voorts uit het dossier naar voren is gekomen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten:

- Treindeuren zoals de onderhavige zijn voorzien van een ‘inklembeveiliging’, welke ervoor zorgt dat de deur opengaat bij inklemming van een voorwerp groter dan 3 centimeter. De inklembeveiliging werkt totdat de trein na vertrek een snelheid heeft bereikt van 5 km/uur. Op dat moment vervalt de inklembeveiliging, worden de reeds gesloten treindeuren vergrendeld en krijgen eventueel nog openstaande deuren alsnog een sluitcommando.

- Het vervallen van de inklembeveiliging bij de 5 km/uur-grens is onafhankelijk van menselijke handelingen.

- De 5 km/uur-functie van het betreffende rijtuig werkte naar behoren.

- Nadat de trein in beweging komt, duurt het gemiddeld 4,2 seconden voordat bovengenoemd sluitcommando komt. Het duurt vervolgens maximaal 5 seconden voordat een nog openstaande deur van een BKD-rijtuig (een zgn. pakwagen) helemaal gesloten is.

- Het slachtoffer is vastgeklemd komen te zitten tussen de deuren van het BKD-rijtuig.

De rechtbank leidt hieruit af dat het slachtoffer is begonnen met instappen op een moment dat de trein al in beweging was gekomen en dat zij daarmee nog doende was op het moment dat de trein de grenssnelheid van 5 km/uur bereikte en daarmee de inklembeveiliging verviel. De verklaring van getuige [getuige] dat zij, nadat de trein zich al in beweging had gezet, iemand zag aarzelen om in te stappen en die persoon vervolgens toch nog zag instappen, is hiermee in overeenstemming.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte, dan wel de collega/ medeverdachte voor wiens gedragingen verdachte als chef van de trein verantwoordelijkheid droeg, in strafrechtelijke zin verwijtbaar heeft gehandeld. Bij de beantwoording van deze vragen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Tijdens het testen van de zijwandschuifdeuren van het betrokken BKD-rijtuig is gebleken dat deze deuren een defect vertoonden. Doordat de inklembeveiliging te gevoelig stond afgesteld, sloten de deuren tijdens het testen slechts één keer op de juiste wijze. Alle andere keren dat tijdens het testen een sluitcommando werd gegeven (via het bedienen van de zogeheten driekantsleutel) gingen de deuren ‘pendelen’: ze maakten een sluitbeweging totdat de deurdelen bijna tegen elkaar kwamen en gingen vervolgens weer open, alsof de inklembeveiliging in werking trad.

- Bij de overdracht van de trein hebben noch verdachte, noch zijn medeverdachte, een melding gekregen dat de zijwandschuifdeuren van het BKD-voertuig defect waren. De betreffende deuren waren ook niet voorzien van een zogenaamde ‘defect’-sticker.

- Verdachten zijn voor het ongeluk nog langs de deuren gelopen en hebben toen geen defect aan de zijwandschuifdeuren gesignaleerd.

- Voor zijwandschuifdeuren gelden dezelfde veiligheidsinstructies als voor andere deuren van een rijtuig van een reizigerstrein.

- De vertrekprocedure van reizigerstreinen omvat (tenminste) drie zogenaamde kijkmomenten. Het eerste kijkmoment vindt plaats vanaf het perron, nadat het attentiesein (een fluitsignaal) is gegeven. Vervolgens worden de deuren gesloten, behalve de eigen deur (de bediende deur). Het tweede kijkmoment valt op het moment waarop de hoofdconducteur zelf in de trein stapt en is onder meer bedoeld om te kijken of de deuren sluiten. Na het geven van het vertrekbevel aan de machinist (in dit geval middels een groene meldlamp) volgt nog een derde kijkmoment vanuit de deuropening van de trein. Op het derde kijkmoment is de trein al in beweging gekomen.

- Blijkens de verklaring van de deskundige [deskundige], inspecteur bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, is het niet uitgesloten dat medeverdachte [medeverdachte] zich op het tweede kijkmoment in een positie bevond van waaruit hij de deuren van het BKD-rijtuig kon zien. Evenmin is, aldus [deskundige] voornoemd, uitgesloten dat [medeverdachte] heeft waargenomen dat deze deuren helemaal gesloten waren, gelet op voornoemd defect aan de betreffende deuren.

- Blijkens de verklaringen van de verdachten en de deskundige [deskundige] ter terechtzitting komt het regelmatig voor dat verlate reizigers trachten om, na het sluiten van de deuren, alsnog via de bediende - en enige nog geopende - deur in de trein te stappen, waardoor veiligheidsrisico’s ontstaan. Op die grond alsmede ten behoeve van de veiligheid van verdachte zelf is het gebruikelijk dat de chef van de trein na het derde kijkmoment de bediende deur zo snel mogelijk (binnen 1 à 2 seconden na het in beweging komen van de trein) sluit.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet uitgesloten dat medeverdachte [medeverdachte] op het tweede kijkmoment de zijwandschuifdeuren van het BKD-rijtuig als gesloten heeft waargenomen. Evenmin acht de rechtbank uitgesloten dat verdachte een derde kijkmoment heeft uitgevoerd en aansluitend zijn eigen deur heeft gesloten voordat het - volgens getuige [getuige]t aarzelende - slachtoffer zich in de directe nabijheid van de trein had begeven en vervolgens was begonnen met instappen. Dit derde kijkmoment hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet te duren totdat de trein volledig het perron heeft verlaten. Zulks zou immers betekenen dat de bediende deur gedurende een langere tijd geopend zou moeten blijven, hetgeen gelet op voornoemd feit dat reizigers vaak via de bediende deur nog in een heel laat stadium proberen in te stappeen en daardoor veiligheidsrisico’s ontstaan voor zowel reizigers als personeel, als onwenselijk moet worden beschouwd. De chef van de trein kan tenslotte, nadat hij zijn eigen deur heeft gesloten, geen waarnemingen langs de buitenkant van de trein meer doen.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. R.C. Stijnen en mr. I.L.P. Crombeen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. drs. R.H. den Haan, griffier

en is uitgesproken op 21 juni 2005.