Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT7532

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
01/049068-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in dronken toestand een aanrijding veroorzaakt, ten gevolge waarvan een persoon die zich in de laadbak van de door verdachte bestuurde terreinauto bevond, is overleden.

De rechtbank acht doodslag bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer in een volstrekt kwetsbare en niet weerbare positie gebracht door hem toe te laten tot de laadbak, terwijl verdachte als bestuurder (mede) verantwoordelijk is voor (het bewaken) van de veiligheid van de passagier(s).Het in de laadbak aanwezige slachtoffer bevond zich in een aanmerkelijk gevaarlijkere situatie dan verdachte als bestuurder. Verdachte reed met zeer hoge snelheid op een daarvoor totaal niet ingerichte weg (camping). Het was verdachte kennelijk om het even of hij in de bewuste nacht, rijdend in zijn auto een botsing zou veroorzaken waarbij zijn kwetsbare passagier gewond zou raken of het leven zou laten. Dit gevolg heeft verdachte kennelijk op de koop toegenomen.

Verdachte heeft willens en wetens - zowel op zichzelf als in verhouding tot het door hem zelf, verdachte, gelopen risico - de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer bij een botsing dodelijk zou worden getroffen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 156
Jwr 2005/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/049068-03

Uitspraakdatum: 6 juni 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1981,

wonende te (woonplaats), (adres).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 21 maart 2005 en 23 mei 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 februari 2005.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 april 2003 te Aalst, gemeente Zaltbommel, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, over een weg gereden waar de

maximaal toegestane (dan wel door de beheerder/eigenaar van die weg

voorgeschreven/geadviseerde) snelheid 5, althans 10 kilomter per uur bedroeg,

terwijl hij (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcohol (en/of van (een)

andere stof(fen) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het

gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere

stof - de rijvaardigheid kon verminderen) verkeerde en/of met een snelheid van

(ongeveer) 75 kilometer per uur, althans met een zeer hoge snelheid, althans

met een (veel, althans aanzienlijk) hogere snelheid dan ter plaatse is

toegestaan (althans voorgeschreven), althans met een (veel) hogere snelheid

dan ter plaatse is gerechtvaardigd met het oog op een veilige

verkeersafwikkeling (althans, met het oog op de aard en vorm van de aldaar

aangelegde weg(en) en omgeving), en heeft hij (vervolgens), terwijl het

weggedeelte dat hij naderde een

(scherpe) bocht naar rechts maakte, met dat motorrijtuig (krachtig) geremd

en/of is hij de conrole over dat motorrijtuig kwijtgeraakt en/of is hij met

dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een of twee (gezien zijn,

verdachtes, rijrichting:) links naast die weg staande bomen gereden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] (die zich in de voor goederen bestemde

ruimte achterin de auto bevond) is overleden;

(artikel 287 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 april 2003 te Aalst, gemeente Zaltbommel, als

verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, te weten een weg die deel uitmaakt van en/of gelegen is

op campingterrein De Rietschoof (welk terrein is gelegen aan de Maasdijk

aldaar), op welke weg de maximaal toegestane (dan wel door de

beheerder/eigenaar van die weg voorgeschreven/geadviseerde) snelheid 5,

althans 10 kilometer per uur bedroeg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, dat

voertuig over genoemde weg te besturen, terwijl hij (in aanmerkelijke mate)

onder invloed van alcoholhoudende drank (en/of van (een) andere stof(fen)

waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan - al

dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid

kon verminderen) verkeerde, met een snelheid van (ongeveer) 75 kilometer per

uur, althans met een zeer hoge snelheid, althans met een (veel, althans

aanzienlijk) hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan (althans

voorgeschreven), althans met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse is

gerechtvaardigd met het oog op een veilige verkeersafwikkeling (althans, met

het oog op de aard en vorm van de aldaar aangelegde weg(en) en omgeving)

en (vervolgens), terwijl het weggedeelte dat hij naderde een (scherpe) bocht

naar rechts maakte, met dat motorrijtuig (krachtig) te remmen en/of de conrole

over dat motorrijtuig kwijt te raken en/of met dat door hem bestuurde

motorrijtuig tegen een of twee (gezien zijn, verdachtes, rijrichting:) links

naast die weg staande bomen te rijden, waardoor een botsing/aanrijding is

ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die bo(o)m(en),

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] (die zich in de voor goederen

bestemde ruimte achterin de auto bevond)) werd gedood,

terwijl hij (verdachte) verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet

heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,

achtste of negende lid van genoemde wet en

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij (verdachte)

een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in

ernstige mate heeft overschreden;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2003 tot en met 31 maart 2003 te

Zaltbommel tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een bouwmarkt heeft

weggenomen diverse (tuin)houtsoorten en/of tuinartikelen (ter waarde van

ongeveer 5.599,66 Euro, waaronder vlonderplanken en/of schuttingen en/of

tuinhekken en/of (tuin)vazen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde ], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking, te weten door het

forceren van een (of meer) hek(ken) (op het terrein van het aangrensende pand

van [naam aangrenzend pand] en/of op het terrein van [benadeelde]) en / of inklimming; (delict 3 p-v)

(artikel 310 juncto 311 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2003 tot en met 22 mei 2003 te

Zaltbommel en/of Kerkwijk en/of Aalst, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, diverse

(tuin)houtsoorten en/of tuinartikelen (ter waarde van ongeveer 5.599,66 Euro,

waaronder vlonderplanken en/of schuttingen en/of tuinhekken en/of (tuin)vazen)

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen

van die (tuin)houtsoorten en/of tuinartikelen wist(en), althans redelijkewijs

had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

(artikel 415 cq 417bis Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2003 tot en met 27 maart 2003 te

Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een transportbedrijf heeft weggenomen een hoeveelheid

(van ongeveer 40) beeldschermen en/of een hoeveelheid (van ongeveer vier

pallets met in totaal ongeveer 1829 stuks) scheerapparaten (merk Braun) en/of

een hoeveelheid (van ongeveer 447) elektrische tandenborstels (merk Braun), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking, te weten door het

forceren van een (of meer) slot(en) en/of deur(en) en / of inklimming;

(delict 4 p-v)

(artikel 311 juncto 310 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2003 tot en met 8 april 2003 te

Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, en/of Kerkwijk, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

een hoeveelheid (van ongeveer 40) beeldschermen en/of een hoeveelheid (van

ongeveer 4 pallets met in totaal ongeveer 1829 stuks) scheerapparaten (merk

Braun) en/of een hoeveelheid (van ongeveer 447) elektrische tandenborstels

(merk Braun) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die beeldschermen en/of scheerapparaten en/of

tandenborstels wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 cq 417bis Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2003 tot en met 27 maart 2003 te

Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit / vanaf een bedrijfsterrein heeft weggenomen een

bedrijfsauto (Mitsubischi Canter, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en /

of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft /

hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun

bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking te weten door

het forceren (van een slot) van een hek van dat bedrijfsterrein en/of het

forceren van een (contact)slot van die bedrijfsauto en / of inklimming;

(delict 5 p-v)

(artikel 311 juncto 310 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2003 tot en met 2 april 2003 te

Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, en/of Kerkwijk en/of Zaltbommel, in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, een bedrijfsauto (Mitsubischi Canter, kenteken [kenteken]) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

die bedrijfsauto wist(en), althans rederlijkewijs had(den) moeten vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 cp 417bis Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 30 mei 2002 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een bedrijf van [benadeelde] heeft weggenomen

een hoeveelheid (van ongeveer 1000) (zonne)brillen (van de merken Bolle en/of

Serengeti en/of Fossil en/of Celine Dion en/of Caroline Herrer) en/of een

hoeveelheid (van ongeveer 65) verrekijkers (van het merk Bushnell), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde]., in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van

braak, verbreking te weten door het forceren van (een slot van) een hek en/of

een raam en/of een (archiefbrand)kast van dat bedrijf en / of inklimming;

(delict 12 p-v)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2003 te Aalst, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een hoeveelheid

(van ongeveer 17) (zonne)brillen (van de merken Bolle en/of Serengeti en/of

Fossil en/of Celine Dion) en/of een hoeveelheid (van ongeveer 7) verrekijkers

(van het merk Bushnell en/of Trophy en/of Paralux) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die zonnebrillen en/of

verrekijkers wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 cq 417bis Wetboek van Strafrecht)

6.

hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2002 tot en met 23 mei 2002 te

Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een

bedrijf van [benadeelde] heeft weggenomen zeven, althans een of meer

lamp(en) en/of een boormachine en/of een schroefboormachine en/of een

gereedschapskoffer (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking te weten door het

forceren van een (rol)deur van dat bedrijf en / of inklimming; (delict 13 p-v)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2003 te Aalst, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zes, althans een of

meer lamp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die lamp(en) wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

(artikel 416 cq 417bis Wetboek van Strafrecht)

7.

hij op of omstreeks 03 juli 2002 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de

[adres]) heeft weggenomen autosleutels, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking te weten door het

forceren van een raam van die woning en / of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 03 juli 2002 te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto

(Audi Avant RS 2, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde] in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten door de

sleutel van die personenauto, tot welk gebruik verdachte en/of zijn

mededader(s) niet gerechtigd was/waren); (delict 15 p-v)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 03 juli 2002 tot en met 03 januari 2003 te

Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, en/of Hintham, gemeente 's-Hertogenbosch,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, een personenauto (Audi Avant RS 2, kenteken [kenteken]) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

die personenauto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 cq 417bis Wetboek van Strafrecht)

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 23 mei 2005 gewijzigd.

Van deze wijziging is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft in zijn pleidooi - kort gezegd - aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig behoort te worden verklaard. In de onder feit 1 tenlastegelegde varianten maakt de officier van justitie verdachte het verwijt dat hij op 21 april 2003 onder invloed van “andere stoffen” zou hebben gereden die de rijvaardigheid zouden kunnen beïnvloeden. Dit kwalificatieve tenlastegelegde bestanddeel is volgens de raadsman ten onrechte niet nader feitelijk omschreven. Volgens de raadsman is de enkele vermelding van het woord “stoffen” zonder nadere omschrijving te vaag om als grondslag voor de tenlastelegging te kunnen fungeren. Verdachte begrijpt niet waartegen hij zich op dit specifieke punt te verdedigen heeft.

De raadsman heeft in zijn pleidooi verder aangevoerd dat ditzelfde te gelden heeft met betrekking tot de bestanddelen “verbreking” en “inklimming” zoals vermeld in de feiten 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 primair. Ook dit betreffen niet nader ingevulde begrippen die onvoldoende zelfstandige betekenis hebben en daarom is de dagvaarding op deze onderdelen dan ook nietig.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door de raadsman aangevoerde bestanddelen “stoffen, verbreking en inklimming” naast kwalificatieve betekenis ook een feitelijke betekenis en is de dagvaarding voldoende duidelijk.

Het is overigens ook niet mogelijk om het verzamelbegrip “stoffen” nader te preciseren nu verdachte om hem moverende redenen zijn medewerking niet heeft verleend aan een bloedonderzoek.

Voor verdachte is voldoende duidelijk waartegen hij zich te verdedigen heeft.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de dagvaarding partieel nietig zou moeten worden verklaard.

De dagvaarding voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Overweging met betrekking tot de bewijsmiddelen.

De raadsman heeft –kort gezegd- gesteld dat gehandeld is in strijd met artikel 151b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, immers van verdachte is celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek afgenomen, zonder dat de verdediging op toereikende wijze in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord terwijl onvoldoende verdenking bestond om toepassing van dit onderzoek te rechtvaardigen. Volgens de raadsman heeft de politie hierdoor onder gezag van het openbaar ministerie ongerechtvaardigde inbreuken op het recht op de persoonlijk levenssfeer in de zin van artikel 8 EVRM bij verdachte gemaakt.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank bij de tenlastegelegde feiten 2 en 4 van voldoende feiten en omstandigheden gebleken die in de richting van verdachte wezen.

Voorts is gebleken dat de officier van justitie de raadsman meermalen data heeft aangereikt waarop de raadsman over deze materie zou kunnen worden gehoord. Telkens bleek de verdediging verhinderd. Het onderzoek diende voortvarend plaats te vinden, immers een medeverdachte zat voor deze feiten nog gedetineerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet zo zijn dat de agenda van de verdediging het verloop van het opsporingsonderzoek volledig bepaalt, en hoefde de officier van justitie niet langer te wachten tot zich bij de raadsman een gelegenheid zou voordoen om aanwezig te zijn. Nu in overeenstemming met de wettelijke regels is gehandeld, is van strijd met de wet of art. 8 EVRM geen sprake. De rechtbank verwerpt gelet op het bovenstaande dit verweer van de raadsman.

De raadsman heeft gemotiveerd betoogd dat de resultaten van de geuridentificatieproef op de voet van

artikel 359a Sv. dienen te worden uitgesloten voor het bewijs, dan wel dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om een tegenonderzoek te doen uitvoeren. Dit alles omdat de geuridentificatieproef geen betrouwbaar bewijsmiddel is.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het navolgende.

Conform het bepaalde in artikel 61a Sv. kan tegen een verdachte in het belang van het onderzoek een geuridentificatieproef worden toegepast. In de onderhavige zaak is een geuridentificatieproef toegepast. Er was sprake van een positieve uitslag van de geuridentificatieproef. De rechtbank zal de resultaten van deze positieve proef enkel gebruiken als steunbewijs.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman voor zover hij verzoekt om uitsluiting voor het bewijs van de resultaten van de geuridentificatieproef, op de voet van art. 359a Sv. Van vormverzuimen in verband met de geuridentificatieproef is geen sprake zodat voor bewijsuitsluiting ingevolge deze bepaling geen plaats kan zijn.

Het verzoek van de raadsman om een tegenonderzoek verwerpt de rechtbank. Er zijn geen redenen voor twijfel aan de uitslag van de uitgevoerde geurindetificatieproef. Verder wordt het verzoek van de raadsman op een zodanig laat tijdstip gedaan dat een tegenonderzoek, gelet op het tijdsverloop, zeer waarschijnlijk niet meer mogelijk is en in elk geval tardief is.

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om in het dossier genoemde informanten van de criminele inlichtingen dienst als getuigen te mogen horen.

De rechtbank verwerpt dit verzoek omdat de rechtbank de noodzakelijkheid van het horen van de informanten als getuigen ter terechtzitting niet is gebleken. De rechtbank is uit het sectierapport en de getuigen-verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] gebleken dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval is overleden en derhalve is het naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk om informanten te horen die gemeld hebben dat zij hebben vernomen dat er mogelijk sprake was van een andere doodsoorzaak.

De raadsman heeft in zijn pleidooi gemotiveerd aangevoerd dat de onder 1 primair tenlastegelegde opzettelijke levensberoving als bedoeld in artikel 287 Sr. niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Verdachte, die de auto bestuurde, wilde geen verkeersongeval veroorzaken. Door zijn rijgedrag heeft hij zelf aanmerkelijk levensgevaar opgelopen en het is onwaarschijnlijk dat hij op de koop toe genomen zou hebben dat hij zelf het leven zou verliezen. Ook in de voorwaardelijke opzet-variant kan de opzettelijke levensberoving van [slachtoffer 1] niet worden bewezen. Immers, niet bewezen kan worden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen [slachtoffer 1] om het leven zou komen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de volgende gang van zaken naar voren.

Verdachte heeft een deel van de avond van zondag 20 april 2003 in de kantine van camping de Rietschoof te Aalst doorgebracht en aldaar alcoholhoudende drank gedronken. Op een later tijdstip in de nacht van 20 april op 21 april was verdachte voornemens om samen met [betrokkene] en [slachtoffer 1] te gaan stappen in een horecagelegenheid in ’s-Hertogenbosch. Verdachte is daartoe in zijn Nissan Patrol gestapt. Op de camping is verdachte in eerste instantie tot twee maal toe tegen een aldaar geparkeerd staande Mercedes Vito gereden. Zonder zijn identiteit of die van zijn voertuig kenbaar te maken is verdachte verder gereden. Even verderop is verdachte gestopt. Vervolgens is [slachtoffer 1] aan de bijrijderskant uit de auto gestapt en heeft plaatsgenomen in de laadbak. [betrokkene] is in de auto gestapt en nam plaats naast verdachte op de passagiersstoel/bijrijdersplaats. Verdachte bestuurde nog immer het voertuig.

De laadruimte van de Nissan Patrol was niet geschikt voor het vervoeren van personen. In de laadruimte lag een grote hoeveelheid bouwmateriaal en los gereedschap. Ook bevond zich een koffer in die laadruimte. De ruiten van de laadruimte waren geblindeerd.

Verdachte is verder gaan rijden over camping de Rietschoof. De Rietschoof is een camping met een groot aantal grillig gevormde wegen waar verkeersremmende maatregelen zijn aangebracht in de vorm van drempels. Langs de wegen op de camping staan verkeersborden geplaatst waarop een maximum snelheid van 10 km/uur staat vermeld en ook staan er borden waarop een maximum snelheid van 5 km/uur staat vermeld.

In een bocht op het campingterrein is verdachte vervolgens met zeer hoge snelheid tegen twee bomen getreden. Tengevolge van deze botsing is [slachtoffer 1], die zich achterin de auto bevond, overleden.

Verdachte heeft na zijn aanhouding verklaard zich niets van het door hem veroorzaakte ongeval te kunnen herinneren.

De rechtbank overweegt dat het zich naderhand niets kunnen herinneren van wat men eerder heeft gedaan niet zonder meer wijst op het ontbreken van opzet op het moment van handelen.

De rechtbank constateert dat ook mede-inzittende [betrokkene] niet weet wat er is gebeurd.

Bij het ontbreken van een subjectieve verklaring van de verdachte hieromtrent, dient de rechtbank te onderzoeken of het voor doodslag vereiste opzet, minimaal in de vorm van voorwaardelijk opzet, kan worden aangenomen op grond van de bijzondere (objectieve) omstandigheden van het geval.

De rechtbank acht daartoe de navolgende feiten en omstandigheden, welke blijken uit de bewijsmiddelen, alsmede het navolgende van belang.

Ten tijde van het ongeval was de verkeerssituatie normaal. Het was weliswaar nacht en er brandde geen straatverlichting maar het was droog en helder. Er was op de plaats van het ongeval sprake van een bitumen wegdek.

Verdachte was de hele avond voor het ongeval in de kantine van de Korenschoof geweest en had daar samen met [betrokkene] alcoholhoudende drank gedronken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcoholhoudende drank de rijvaardigheid kan beïnvloeden.

Verdachte reed ten tijde van de botsing met een veel te hoge snelheid, te weten 75 km/uur.

De laadbak van de terreinauto die verdachte bestuurde was niet ingericht voor personenvervoer, immers elementaire voorzieningen als een stoel, autogordels en beenruimte ontbraken, terwijl zich in de laadbak een grote hoeveelheid losse voorwerpen bevond, zoals gereedschap en bouwmaterialen alsmede een koffer, en er in de laadbak bovendien geen vrij uitzicht naar buiten was.

Onder deze omstandigheden bevond het in de laadbak aanwezige latere slachtoffer, [slachtoffer 1], zich feitelijk in een aanmerkelijk gevaarlijkere situatie dan verdachte als bestuurder of de andere passagier op de bijrijdersplaats. Reeds om die reden, maar ook omdat verdachte - anders dan het latere slachtoffer - de Nissan Patrol zelf bestuurde, kon hij zich veilig en onkwetsbaar menen in het voertuig. De stelling van de raadsman dat verdachte met het op de koop toe nemen van de dood van het latere slachtoffer ook diens eigen dood of die van de andere passagier op de koop zou hebben toegenomen dan wel zou moeten hebben toenemen dient dan ook te worden verworpen.

In deze situatie kan niet gezegd worden dat verdachte door zijn handelen (tevens) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook hijzelf als gevolg van het ongeval het leven zou laten.

Verdachte had het plan opgevat om met de - om die reden ter hand genomen – Nissan Patrol nog die nacht naar ’s-Hertogenbosch te rijden teneinde daar te gaan stappen, welk plan hij klaarblijkelijk persé ten uitvoer wilde leggen. Niet alleen was de tweevoudige aanrijding die hij met de Mercedes Vito veroorzaakte immers geen reden voor hem om van dat plan af te zien, ook de gevaarlijke omstandigheden waaronder het latere slachtoffer, [slachtoffer 1], op weg naar ’s-Hertogenbosch in de aan de rechtbank als ambtshalve bekend zijnde zware en zeer krachtige terreinauto vervoerd werd, vormden voor verdachte geen reden om van het plan af te zien of dat althans te wijzigen. Zelfs zijn rijstijl heeft verdachte niet aan die omstandigheden willen aanpassen.

Verdachte heeft immers het -latere- slachtoffer [slachtoffer 1] in een volstrekt kwetsbare en niet weerbare positie gebracht door [slachtoffer 1], terwijl verdachte als bestuurder (mede) verantwoordelijk is voor (het bewaken van) de veiligheid van de passagier(s), toe te laten tot de laadbak, zulks zonder enige veiligheidsvoorziening en te midden van losse voorwerpen die bij snelheidsverandering plotseling in projectielen veranderen.

Uit deze omstandigheden en uit de zeer hoge snelheid waarmee verdachte na alcoholgebruik heeft gereden op een daarvoor totaal niet ingerichte weg leidt de rechtbank af dat het verdachte kennelijk om het even is geweest of hij in de bewuste nacht, rijdend in zijn auto een botsing zou veroorzaken waarbij zijn kwetsbare passagier [slachtoffer 1], gewond zou raken of het leven zou laten. Dit laatste gevolg heeft verdachte kennelijk op de koop toe genomen.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte willens en wetens - zowel op zichzelf als in verhouding tot het door hem zelf, verdachte, gelopen risico - de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] bij een botsing dodelijk zou worden getroffen.

Mitsdien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

Bij pleidooi heeft de raadsman de rechtbank gewezen op de in de ogen van de raadsman reëele mogelijkheid dat passagier [naam passagier], die op de passagiersstoel naast verdachte zat, wellicht onverwachts aan het stuur van verdachte heeft getrokken ter vermijding van een botsing.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Nergens in het dossier zijn aanwijzingen te vinden voor deze door de raadsman naar voren gebrachte mogelijkheid. Deze mogelijkheid acht de rechtbank ook overigens weinig realistisch nu het trekken aan het stuur door een medepassagier hoogstwaarschijnlijk tot een voertuigbeweging naar rechts zou leiden, en daarvan is in het sporenonderzoek niet gebleken.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 7 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1.

hij op 21 april 2003 te Aalst, gemeente Zaltbommel, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

als bestuurder van een motorrijtuig, welk motorrijtuig niet

bestemd/ingericht was voor het vervoeren van personen in de laadbak (de voor

goederen bestemde ruimte achterin die auto), over een weg gereden

waar de door de beheerder/eigenaar van die weg

voorgeschreven/geadviseerde snelheid 5, althans 10 kilomter per uur bedroeg,

terwijl hij onder invloed van alcohol, waarvan hij wist dat het

gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, verkeerde en met een snelheid van

(ongeveer) 75 kilometer per uur, terwijl genoemde [slachtoffer 1] zich in de laadbak/

de voor goederen bestemde ruimte achterin de door verdachte bestuurde auto

bevond, en heeft hij (vervolgens), terwijl het weggedeelte dat hij naderde een

(scherpe) bocht naar rechts maakte, met dat motorrijtuig (krachtig) geremd

en is hij de controle over dat motorrijtuig kwijtgeraakt en is hij met

dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen twee (gezien zijn,

verdachtes, rijrichting:) links naast die weg staande bomen gereden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] (die zich in de voor goederen bestemde

ruimte achterin de auto bevond) is overleden;

2.

hij in de periode van 30 maart 2003 tot en met 31 maart 2003 te

Zaltbommel tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een bouwmarkt heeft

weggenomen diverse (tuin)houtsoorten en tuinartikelen (ter waarde van

ongeveer 5.599,66 Euro, waaronder vlonderplanken en schuttingen en

tuinhekken en (tuin)vazen),

toebehorende aan [benadeelde ], waarbij verdachte en zijn

mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak, te weten door het

forceren van hekken (op het terrein van het aangrenzende pand

van [naam aangrenzend pand] en op het terrein van [benadeelde]);

3. subsidiair:

hij in de periode van 26 maart 2003 tot en met 8 april 2003 te Kerkwijk, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, een hoeveelheid (van ongeveer 40) beeldschermen

en een hoeveelheid (van ongeveer 4 pallets met in totaal 1829 stuks) scheerapparaten (merk

Braun) en een hoeveelheid (van 447) elektrische tandenborstels (merk Braun) voorhanden

heeft gehad terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van die beeldschermen en scheerapparaten en tandenborstels wisten, dat

het door misdrijf verkregen goederen betrof;

4. subsidiair:

hij in de periode van 26 maart 2003 tot en met 2 april 2003 te

Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, en/of Kerkwijk en/of Zaltbommel, een

bedrijfsauto (Mitsubishi Canter, kenteken [kenteken]), voorhanden heeft gehad, terwijl hij

ten tijde van het voorhanden krijgen van die bedrijfsauto redelijkerwijs had moeten vermoeden,

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5. subsidiair:

hij in de periode tussen 30 mei 2002 en 22 mei 2003 te Aalst, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid

(van ongeveer 17) (zonne)brillen (van de merken Bolle en/of Serengeti en/of

Fossil en/of Celine Dion) en een hoeveelheid verrekijkers

(van het merk Bushnell) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten

tijde van het voorhanden krijgen van die zonnebrillen en

verrekijkers wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

6. subsidiair:

hij in de periode tussen 15 mei 2002 en 22 mei 2003 te Aalst, tezamen

en in vereniging met een ander, zes lampen voorhanden heeft gehad, terwijl hij

en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die lampen wisten,

dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, en 6 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 36f, 47, 57, 91, 287, 310, 311, 416, 417bis.

Wegenverkeerswet 1994 art. 1, 179a, 188.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

vrijspraak voor het onder 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde.

(voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 primair tenlastegelegde:)

- een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

- teruggave van inbeslaggenomen goederen aan verdachte;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van euro 6.944,73 en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering.

De op te leggen straf, bijkomende straf en maatregel.

Bij de beslissing over de straf, bijkomende straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- verdachte verkeerde tijdens het plegen van het onder 1 genoemde feit onder invloed van alcohol

waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende en moest begrijpen en welke hij toch heeft

gebruikt;

- verdachte heeft aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed aangedaan;

- verdachte heeft bij het plegen van de onder 2 tot en met 6 genoemde feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden;

- verdachte heeft gedurende een langere periode een zeer groot aantal strafbare feiten gepleegd danwel is hij bij het

plegen van die strafbare feiten betrokken geweest;

- verdachte werd terzake van vermogensdelicten blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen

documentatieregister reeds eerder veroordeeld;

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking

komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- verdachte is zelf getroffen door de gevolgen van het door hem onder 1 gepleegde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Gelet op verdachtes verwerpelijke mentaliteit in het verkeer is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor een behoorlijke periode moet worden ontzegd.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, de nota van Meenhuis Uitvaartverzorging & Rouwcentrum B.V.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat dit deel zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 7 subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, en 6 subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, en 6 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

doodslag

T.a.v. feit 2 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. feit 3 subsidiair:

medeplegen van opzetheling

T.a.v. feit 4 subsidiair:

schuldheling

T.a.v. feit 5 subsidiair:

medeplegen van opzetheling

T.a.v. feit 6 subsidiair:

medeplegen van opzetheling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair, feit 6 primair, feit 7 primair, feit 7 subsidiair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het onder 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 7 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 subsidiair, feit 4 subsidiair, feit 5 subsidiair, feit 6 subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar

T.a.v. feit 1 primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 3 jaar

T.a.v. feit 1 primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2414,93 subsidiair 48 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van

EUR 2.414,93 (zegge: vierentwintighonderd veertien euro en drieënnegentig

eurocenten), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 48 dagen

hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te melden bedrag

en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], van een bedrag van EUR 2.414,93 (zegge:

vierentwintighonderd euro en drieënnegentig eurocenten euro) terzake de

nota van Meenhuis Uitvaartverzorging & Rouwcentrum B.V.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

De rechtbank gelast de teruggave aan veroordeelde van de goederen vermeld op de als bijlage

bij dit verkort vonnis gevoegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.M. de Klerk, voorzitter,

mr. G.J.W.M. van der Leeuw en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier

en is uitgesproken op 6 juni 2005.