Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT7198

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
122512/FT-RK 05.201
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

werking artikel 3a lid 1 Fw. behandeling van failissementsrekest staat aan schuldsaneringsverzoek niet in de weg, daar het enkel toezenden van dit verzoek aan de rechtbank niet automatisch maakt dat dit verzoek daarmee aanhangig is, nog daargelaten dat het verzoek incompleet is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector civiel recht

VONNIS FAILLIETVERKLARING

Rekestnummer : 122512/FT-RK 05.201

Faillissementsnummer: 05/237 F

De rechtbank 's-Hertogenbosch.

Gezien het verzoekschrift, ingediend ter griffie van deze rechtbank op 7 februari 2005 door de procureur mr. B.M. Lips te Sint Oedenrode namens:

STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

gevestigd te Amsterdam

STICHTING VORSTRISICOFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

gevestigd te Amsterdam

STICHTING SCHOLINGSFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF

gevestigd te Amsterdam

STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

gevestigd te Amsterdam

STICHTING AANVULLINGSFONDS WW VOOR DE BOUWNIJVERHEID

gevestigd te Amsterdam

STICHTING VROEGPENSIOENFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF

gevestigd te Amsterdam,

strekkende tot faillietverklaring van:

[verweerder]

[adres]

[woonplaats]

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 februari 2005 is de oproeping van gerekestreerde bevolen. Hij is vervolgens ter zitting van 9 maart in persoon verschenen en ter zitting van 30 maart bij gemachtigde, mr. Zondervan.

Uit de erkentenis en opgaven van schuldenaar ter zitting van 9 maart is summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van schuldeisers, en feiten en omstandigheden die aantonen, dat gerekestreerde verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen; dit is door de gemachtigde op de laatste zitting nogmaals erkend.

Gemachtigde heeft ter zitting echter aangegeven -kort samengevat en desgevraagd- dat de behandeling van het faillissementsrekest moet worden aangehouden nu hij namens gerekestreerde per fax van 25 maart jl. een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft gedaan. Volgens de gemachtigde staat artikel 3a lid 1 van de Faillissementswet aan beslissing op het faillissementsrekest in de weg daar het schuldsaneringsverzoek voor zou gaan op grond van die regel.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Vast staat dat het verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw eerst na het verstrijken van de termijn van veertien dagen bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw is ingediend. Derhalve is de rechtbank niet gehouden op de voet van artikel 3 lid 2 Fw de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring te schorsen. Van een gelijktijdig aanhangig zijn van een faillissementsrekest en een schuldsaneringsverzoek in de zin van artikel 3a Fw is geen sprake, nu het enkele toezenden van een dergelijk verzoek -nog daargelaten dat het niet aan de vereisten van 284 Fw voldoet nu een beredeneerde verklaring in de zin van artikel 285 lid 1 e ontbreekt- nog niet maakt dat het schuldsaneringsverzoek 'aanhangig' , de rechtbank leest dit als in behandeling genomen, is. Verwezen wordt naar de conclusie van de Advocaat-Generaal in de uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 2000 die stelt dat het indienen van een schuldsaneringsverzoek na het verstrijken van voornoemde termijn geen schorsende werking heeft. De rechtbank merkt hierbij nog op dat een dergelijk effect ook, gelet op alle eerdere mogelijkheden die gerekestreerde heeft gehad tot het -wel tijdig- indienen van een verzoek, uit oogpunt van een voortvarende afhandeling van een faillissementsverzoek zeer onwenselijk zou zijn, nu de uitleg van de gemachtigde er toe zou moeten leiden dat elke uiting ter zitting dat men een schuldsaneringsverzoek doet voldoende zou moeten zijn voor een ambtshalve schorsing.

Ten overvloede wordt verder nog opgemerkt dat gerekestreerde zonodig een omzettingsverzoek in de zin van artikel 15b Fw kan doen.

De rechtbank is tenslotte gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie betreffende insolventie procedures (hierna IVO) bevoegd deze insolventieprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van gerekestreerde in Nederland ligt.

BESLISSENDE:

Verklaart:

[verweerder]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

handelend onder de naam PANNENDEKKERSBEDRIJF VAN SCHIJNDEL,

zaakdoende te 5591 EN Heeze, Burgemeester Coxlaan 1,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven onder nummer 17072602,

in staat van faillissement.

Benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank

mr. O.R.M. van Dam.

Stelt aan tot curator mr. G. te Biesebeek, advocaat en procureur te Budel.

Gelast de curator om de aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen te openen.

Verstaat dat Nederland de lidstaat in de zin van artikel 4 IVO is waar de insolventieprocedure is geopend.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.H.E. Boerma, rechter in deze rechtbank en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. L.E. van der Weij, griffier.