Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT6453

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
053117-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot brandstichting in moskee en brandstichting in islamitische school

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/053117-04

Uitspraakdatum: 1 juni 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

wonende te [werknemer] [adres]6.

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 mei 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 mei 2005.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2004 tot en met 7 november 2004 te Uden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in een moskee (gevestigd aan de President Kennedylaan), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een steen door een ruit van die moskee heeft gegooid en/of open vuur via een tod en/of stuk stof en/of lont in aanraking heeft gebracht met wasbenzine, althans een brandbare stof in een (wijn)fles (zogenaamde molotovcocktail) en/of (vervolgens) die brandende molotovcocktail heeft gegooid naar de (vernielde) ruit van die moskee en/of in de richting van die moskee, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(artikel 157 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 09 november 2004 in de gemeente Uden, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in een aan het Landschrijversveld gelegen schoolgebouw, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een steen door een ruit van die school gegooid en/of (vervolgens) open vuur via een stuk oude handdoek, althans een stuk stof in aanraking gebracht met wasbenzine, althans een brandbare stof in een glazen fles (zogenaamde molotovcocktail) en/of (vervolgens) die brandende molotovcocktail door die (vernielde) ruit van die school gegooid en aldus in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die school en/of in de school aanwezige goederen te duchten was;(artikel 157 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] op of omstreeks 09 november 2004 in de gemeente Uden, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in een aan het Landschrijversveld gelegen schoolgebouw, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een steen door een ruit van die school gegooid en/of (vervolgens) open vuur via een stuk oude handdoek, althans een stuk stof in aanraking gebracht met wasbenzine, althans een brandbare stof in een glazen fles (zogenaamde molotovcocktail) en/of (vervolgens) die brandende molotovcocktail door die (vernielde) ruit van die school gegooid en aldus in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die school en/of in de school aanwezige goederen te duchten was, bij welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door zich op te houden nabij de plaats van dat misdrijf teneinde die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) bij gevaar en/of onraad te waarschuwen;

(artikel 157 juncto artikel 48 Wetboek van Strafrecht)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht het in feit 1 opgenomen strafverzwarende bestanddeel "en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel" niet wettig en overtuigend bewezen, nu op basis van de processtukken en het behandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld of zich, op het tijdstip van de poging tot opzettelijke brandstichting, mensen in de moskee bevonden.

Derhalve behoort verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2 primair.

Jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, waarvan 203 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen hem te geven door de Jeugdreclassering.

Een werkstraf voor de duur van 160 uur.

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] dient niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, nu deze onvoldoende onderbouwd is.

De vordering van de benadeelde partij Basisschool "Bedir" kan voor wat betreft het onderdeel "Rekening Ouderraad" hoofdelijk worden toegewezen, met oplegging van de maatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij Basisschool "Bedir" dient voor het overige niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, nu deze niet van eenvoudige aard is.

De benadeelde partij Gemeente Uden dient niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, nu deze niet van eenvoudige aard is.

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij met deze eis rekening heeft gehouden met de leerstraf "Pubers in de Knel".

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende

- mede uit het onderzoek ter terechtzitting - naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- verdachte heeft zich op 6 november 2004 schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting in een moskee, alsmede aan een brandstichting in een islamitische basisschool, slechts drie dagen later. Beide strafbare feiten vonden plaats slechts enkele dagen nadat Theo van Gogh gewelddadig om het leven was gebracht. In deze periode, voorafgaand aan de door verdachte gepleegde feiten, hadden voorts reeds meerdere pogingen tot brandstichting van islamitische gebedshuizen en instellingen plaatsgevonden. Mede als gevolg hiervan leefden in de Nederlandse samenleving alom gevoelens van onrust en onveiligheid. Het staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf dat deze gevoelens door verdachtes handelen niet alleen zijn blijven voortbestaan, maar ook zijn toegenomen, zeker bij de moslimbevolking in Nederland, te meer nu verdachte ervoor heeft gekozen om in tweede instantie een basisschool, een bij uitstek zeer kwetsbaar object, in brand te steken.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende

mede uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- verdachte heeft bij feit 1 weliswaar een initiƫrende, maar een beperkt uitvoerende rol gehad. Bij feit 2 heeft hij geen initiƫrende, maar wel zijdelings een uitvoerende rol gehad.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan jeugddetentie welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen jeugddetentie zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf nu de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde, ondanks het feit dat de rechtbank vrijspreekt van het onder feit 1 tenlastegelegde doch niet bewezen verklaarde, strafverzwarende bestanddeel "levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel".

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het gestelde in artikel 14c tweede lid W.v.Sr. met de uitgevoerde c.q. lopende leerstraf bij het eindvonnis rekening dient te worden gehouden nu de leerstraf een hoofdstraf is in de zin van artikel 77h jo 77m W.v.Sr.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], Basisschool "Bedir" en Gemeente Uden.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partijen veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen voor goederen te duchten is

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2 primair:

* Jeugddetentie voor de duur van 240 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van

Strafrecht waarvan 203 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

en bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen hem in het kader van jeugdreclassering te geven door of namens het Buro Jeugdreclassering van de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, regio Noord-Oost, Koningsweg 40-42 te 5211 BL Den Bosch.

Verleent opdracht aan voornoemde Stichting om aan de veroordeelde terzake van de naleving van deze bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair:

* Werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen jeugddetentie.

* Een leerstraf in de vorm van de cursus "Pubers in de Knel" voor de duur van maximaal 40 uur, met aftrek van de uren die door de veroordeelde reeds in het kader van deze cursus gevolgd zijn, subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

T.a.v. feit 1:

* Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. feit 2 primair:

* Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij Basisschool "Bedir" in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

* Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij Gemeente Uden in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

* Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 30 december 2004 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.A. van der Reijt, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. K. Visser en mr. R.C. Stijnen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier

en is uitgesproken op 1 juni 2005.

Parketnummer: 01/053117-04 pag. 7