Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT6092

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
126513 KG ZA 05-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser, van wie onder tragische omstandigheden de kinderen en ex-vrouw zijn overleden, vordert in kort geding van de familie van wijlen zijn ex-vrouw afgifte van de persoonlijke eigendommen van de kinderen. Deze spullen bevinden zich in de verzegelde, voormalig echtelijke woning van eiser. De vordering wordt toegewezen conform de overeenstemming die partijen ter zitting, op de proceskosten na, in eerste instantie hadden bereikt.

Omissie ten aanzien van het tijdstip van dagvaarden van een van de gedaagden blijft zonder gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 126513 / KG ZA 05-321

Datum uitspraak: 20 mei 2005

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploten van dagvaarding van 9 en 11 mei 2005,

procureur mr. A.T.L. van Zandvoort,

tegen:

1. [gedaagde]

2. [gedaagde],

3. [gedaagde]

gedaagden bij gemeld exploot van 9 mei 2005, en tegen:

4. [gedaagde],

gedaagde bij gemeld exploot van 11 mei 2005,

allen wonende te [woonplaats],

procureur mr. J.F.M. van Erp.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "[gedaagden]." worden genoemd.

1. De procedure

1.1. [eiser] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De procureur van [eiser] heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde producties.

1.3. De procureur van [gedaagden] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. [eiser] is van 18 juni 1993 tot 1 maart 2004 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [mevrouw], dochter van gedaagden sub 1 en 2 en de zus van gedaagden sub 3 en 4. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren.

2.2. Onder tragische omstandigheden zijn op 29 mei 2004 de kinderen overleden en heeft op diezelfde datum [mevrouw] zich van het leven beroofd.

2.3. Er heeft nog geen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap plaatsgevonden. Tot deze gemeenschap behoort - voor zover hier van belang - de voormalig echtelijke woning van [eiser] en [mevrouw] aan de [adres].

2.4. Op 16 juli 2004 is de voormalig echtelijke woning op verzoek van [eiser] met verlof van de kantonrechter verzegeld. Op 22 november 2004 is de woning ontzegeld, heeft [eiser] onder toezicht enige tijd in de woning kunnen doorbrengen en is de woning vervolgens wederom verzegeld, ook dit alles met verlof van de kantonrechter te

's-Hertogenbosch.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert in dit kort geding, kort weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagden] te bevelen te gehengen en gedogen dat [eiser] de thans verzegelde woning zal betreden;

2. [gedaagden] te veroordelen mee te werken aan de afgifte van de aan de kinderen persoonlijk toebehorende roerende zaken, nog aanwezig in de woning dan wel elders, zoals gespecificeerd op de overgelegde lijsten, althans [eiser] toe te staan deze goederen mee te nemen en zich toe te scheiden;

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] legt daaraan het navolgende ten grondslag.

In het belang van het rouwproces van [eiser] dienen de persoonlijke eigendommen van de kinderen aan [eiser] ter beschikking te worden gesteld. Bij het gevorderde heeft [eiser] een spoedeisend belang, aangezien hij nog nauwelijks in staat is geweest om afscheid te nemen van zijn kinderen en een aantal van de thans gevorderde persoonlijke eigendommen van de kinderen bestemd is om op 28 mei 2005 met de as van de kinderen te worden meebegraven.

3.3. Het verweer van [gedaagden] tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer.

1. Ten aanzien van [gedaagde sub 4], is de dagvaarding eerst op 11 mei 2005 betekend, terwijl door de voorzieningenrechter als uiterste datum voor het dagvaarden 9 mei 2005 was bepaald. Reeds hierom dient [eiser] niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen, voor zover deze zich richten tot [gedaagde sub 4].

2. Het spoedeisend belang ontbreekt, althans is gelegen in omstandigheden binnen de invloedsfeer van [eiser] zelf.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Hoewel aan [gedaagden] moet worden toegegeven dat [gedaagde sub 4] in strijd met de aanwijzing van de voorzieningenrechter later dan op 9 mei 2005 is gedagvaard, ziet de rechter in de omstandigheden van het onderhavige geval reden aan deze omissie niet het gevolg te verbinden dat [gedaagden] daaraan verbonden wensen te zien. Desgevraagd heeft mr. Van Erp aangegeven in het onderhavige kort geding ook in rechte voor [gedaagde sub 4] te zijn verschenen. Er is door [gedaagden] echter niet gesteld en overigens is niet gebleken dat [gedaagde sub 4] door het latere tijdstip van dagvaarden in zijn mogelijkheid om tegen de vorderingen van [eiser] een gedegen verweer te voeren op enige wijze is geschaad. Daarbij acht de rechter nog van belang dat zowel ten aanzien van [gedaagde sub 4] als ten aanzien van de overige gedaagden, die wel tijdig zijn gedagvaard, precies dezelfde feiten spelen en dat namens alle vier de gedaagden door mr. Van Erp exact hetzelfde inhoudelijke verweer is gevoerd. Het verweer onder 1 treft geen doel.

4.2. Voorts vloeit het spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] naar het oordeel van de rechter genoegzaam voort uit zijn stellingen daaromtrent. Hetgeen op dit punt door [gedaagden] is aangevoerd, is van onvoldoende gewicht om het tegendeel aan te nemen.

4.3. In een poging om ter terechtzitting te komen tot een dading, hebben [gedaagden] ermee ingestemd - kort gezegd - dat [eiser] de persoonlijke eigendommen van de kinderen uit de woning mag meenemen. Om de enkele reden dat er tussen partijen geen overeenstemming kon worden bereikt omtrent de kosten van dit geding, is het uiteindelijk niet tot een definitieve schikking gekomen. Nu [gedaagden] echter wel hebben aangegeven te kunnen instemmen met het toescheiden van de eigendommen van de kinderen aan [eiser] en, zoals door [gedaagden] ter zitting is gesteld, kennelijk ook reeds eerder aan [eiser] kenbaar hebben gemaakt onvoorwaardelijk bereid te zijn tot afgifte van die spullen, ziet de rechter aanleiding de vorderingen van [eiser] toe te wijzen conform de overeenstemming die daarover ter terechtzitting in eerste instantie was bereikt en met inachtneming van het navolgende.

4.4. Om de woning te kunnen betreden zal deze eerst moeten worden ontzegeld, waartoe [eiser] voorafgaand verlof van de kantonrechter behoeft.

4.5. De goederen die [eiser] na de ontzegeling uit de woning mag meenemen, betreffen de niet doorgehaalde persoonlijke eigendommen van de kinderen zoals die nader zijn gespecificeerd op de volgende aan dit vonnis [adres]

- een lijst van twee pagina's met opschrift "AANGETROFFEN SPULLEN D.D. 12 NOVEMBER 2004");

doch slechts voor zover deze spullen zich nog in de woning bevinden en met dien verstande dat met "2x plumeau" op pagina 4 van de eerstgenoemde lijst de kinder-paraplu's is bedoeld en met "koffers" op pagina 8 van diezelfde lijst, slechts wordt bedoeld de kinderkoffers.

4.6. Indien één der partijen na de ontzegeling en het meenemen van voormelde goederen door [eiser] de woning wederom verzegeld wenst te zien, kan door deze partij een daartoe strekkend verzoek bij de kantonrechter worden ingediend.

4.7. De gevorderde dwangsom wordt gelimiteerd als na te melden.

4.8. In verband met de voormalige familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt [gedaagden] te gehengen en gedogen dat [eiser], nadat hij daartoe verlof heeft verkregen van de kantonrechter, de thans verzegelde woning aan de [adres] zal betreden, dit eventueel in aanwezigheid van de raadslieden van partijen doch in ieder geval onder toezicht van de notaris die de ontzegeling heeft verricht dan wel een door deze notaris aan te wijzen persoon en met inachtneming van de (overige) door de kantonrechter te bepalen voorwaarden;

veroordeelt [gedaagden] te gehengen en gedogen dat [eiser] na de ontzegeling uit de woning meeneemt en zich toescheidt de persoonlijke eigendommen van zijn kinderen zoals nader gespecificeerd op de aan dit vonnis gehechte lijsten, daaronder niet begrepen de op die lijsten doorgestreepte goederen, voor zover deze zaken zich nog in voormelde woning bevinden;

veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiser] van een dwangsom ten bedrage van € 10.000,-, indien [gedaagden] in strijd zullen handelen met voornoemde veroordelingen of enig gedeelte daarvan;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

- 4 -