Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT5198

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
06-05-2005
Zaaknummer
108445 / HA ZA 04-707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het incident vordert Boparan dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de in de hoofdzaak ingestelde vorderingen. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat niet de Nederlandse rechter maar de Engelse rechter bevoegd is. Zij beroept zich hiertoe op artikel 2 sub 1 van de EG-Verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo).

Pingo voert als verweer tegen de incidentele vordering dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gebaseerd moet worden op artikel 5 sub 1a dan wel artikel 5 sub 3 EEX-Vo.

Anders dan in de zaak Tacconi/Wagner is er in het onderhavige geval wel sprake van een vrijwillig aangegane verbintenis.

Schending van deze verbintenis ligt aan de eis van Pingo ten grondslag en daarom is de rechtbank met partijen van oordeel dat de vordering van Pingo kan worden gekwalificeerd als een vordering uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5 sub 1a EEX-Vo.

De verbintenis tot het voeren van onderhandelingen is in beginsel op elke plaats uitvoerbaar en ook in dit geval zijn door partijen geen afspraken gemaakt over een vaste onderhandelingsplaats en hebben de gesprekken ook feitelijk op verschillende locaties plaatsgevonden; meerdere malen in Nederland maar ook in Engeland en er is ook onderhandeld via de telefoon, e-mail en fax. De plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, is hier derhalve niet eenduidig vast te stellen.

Met de EEX-Vo is bedoeld bevoegdheidsregels te geven die in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij de bevoegdheid altijd gegrond moet kunnen worden op de woonplaats van de gedaagde, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen. In zijn arrest van 27 september 1988 (zaak 189/87 inzake Kalfelis/Bank Schröder) heeft het Hof EG overwogen dat de in artikel 5 EEX-Vo genoemde bijzondere bevoegdheden een uitzondering vormen op het beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft en derhalve restrictief moeten worden uitgelegd. Aansluiting zoekend bij het arrest van het Hof EG van 19 februari 2002 (zaak C-256/00 inzake Besix/WABAG) oordeelt de rechtbank dat met het oog op de rechtszekerheid in een geval als het onderhavige, waarin één enkele plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt – het voortzetten van de onderhandelingen – niet kan worden bepaald, artikel 5 sub 1 EEX-Vo niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN INCIDENT

Zaaknummer: 108445 / HA ZA 04-707

Datum uitspraak: 4 mei 2005

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PINGO POULTRY PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Cuijk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.E. Lenglet,

tegen:

de rechtspersoon naar Brits recht

BOPARAN HOLDINGS LIMITED,

gevestigd te Smethwick (Groot-Brittanië),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. P.C.M. van der Ven.

Partijen zullen hierna “Pingo” en “Boparan” worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de incidentele conclusie van antwoord.

Partijen hebben hun standpunt ter zitting doen bepleiten. Bij die gelegenheid zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

- de pleitnotities van partijen van 15 februari 2005.

Met het oog op de goede procesorde zal de rechtbank bij de beoordeling in het incident op de volgende - niet tijdig ingediende - stukken geen acht slaan:

- de akte aanvullende producties (nrs. 15 t/m 20) zijdens Pingo;

- de productie toegezonden op 14 februari 2005 zijdens Boparan.

Partijen hebben vonnis in het incident gevraagd.

2. Het geschil en de beoordeling in het incident

2.1. Pingo vordert in de hoofdzaak - kort gezegd - dat Boparan wordt veroordeeld tot betaling aan Pingo van schade die Pingo heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, door primair het ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen omtrent de Sale and Purchase Agreement (SPA) en Supply Agreement (SA) in de eindfase en subsidiair het ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen omtrent de SPA en SA in de vervolgfase, vermeerderd met de wettelijke rente alsmede dat Boparan wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

2.2. Pingo legt aan deze vordering kort gezegd ten grondslag dat zij er op mocht vertrouwen dat de SPA en de SA tot stand zouden komen en dat Boparan als wederpartij in belangrijke mate tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen, door de totstandkoming van overeenkomst over de hoofdzaak in de Heads of Agreement waarin heldere en vergaande afspraken over de overname zijn neergelegd, en door de veelvuldige uitingen van Boparan gedurende het onderhandelingstraject waaruit Pingo mocht opmaken dat Boparan oordeelde dat de transactie op slechts enkele details na was afgerond. Door eerst vertraging in het onderhandelingsproces te veroorzaken en uiteindelijk een illusoir bod uit te brengen van € 1,- (in plaats van de in de Heads of Agreement genoemde overnamesom van € 2.500.000,-) heeft Boparan de onderhandelingen ongeoorloofd, want in strijd met de tussen contracterende partijen geldende beginselen van redelijkheid en billijkheid, afgebroken, terwijl deze zich in de eindfase bevonden. Boparan dient daarom de schade te vergoeden die Pingo lijdt als gevolg van het niet doorgaan van de transactie.

2.3. In het incident vordert Boparan dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de in de hoofdzaak ingestelde vorderingen. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat niet de Nederlandse rechter maar de Engelse rechter bevoegd is. Zij beroept zich hiertoe op artikel 2 sub 1 van de EG-Verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo).

2.4. Pingo voert als verweer tegen de incidentele vordering dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gebaseerd moet worden op artikel 5 sub 1a dan wel artikel 5 sub 3 EEX-Vo.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5. De in artikel 2 EEX-Vo gegeven algemene regel voor de rechterlijke bevoegdheid brengt mee dat een op het grondgebied van een lidstaat wonende gedaagde in beginsel moet worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat van zijn woonplaats. In afwijking van dit fundamentele beginsel kan in een aantal nauwkeurig omschreven gevallen gedaagde worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat dan van die waar hij woont. Ingevolge artikel 5 sub 1a EEX-Vo kan de gedaagde ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 5 sub 3 EEX-Vo kan de gedaagde ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

2.6. Pingo vordert betaling van schadevergoeding wegens het ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen door Boparan. In de eerste plaats dient te worden vastgesteld welk van de twee onder 2.5. genoemde onderdelen van artikel 5 EEX-Vo hier van toepassing is.

2.7. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (hierna: Hof EG) volgt dat aan de in de EEX-Vo gebruikte begrippen ‘verbintenis uit overeenkomst’ en ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’ een autonome uitleg moet worden gegeven en dat het begrip ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5 sub 3 EEX-Vo elke vordering omvat die ertoe strekt een ander aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1 EEX-Vo.

2.8. In het arrest van 17 september 2002 (zaak C-334/00 inzake Tacconi/Wagner) heeft het Hof EG prejudiciële vragen beantwoord over de kwalificatie van een vordering ter zake van precontractuele aansprakelijkheid. Het Hof EG oordeelde dat de aansprakelijkheid uit hoofde van ongerechtvaardigde verbreking van de onderhandelingen in die zaak slechts kon voortvloeien uit schending van rechtsregels (het niet te goeder trouw handelen), zodat sprake was van een verbintenis uit onrechtmatige daad. Het Hof EG motiveerde dit oordeel onder meer door te overwegen dat de aansprakelijkheid hier niet van contractuele aard kon zijn, omdat niet gebleken was dat Wagner bij de onderhandelingen vrijwillig enigerlei verbintenis jegens Tacconi was aangegaan.

2.9. Anders dan in de zaak Tacconi/Wagner is er in het onderhavige geval wel sprake van een vrijwillig aangegane verbintenis. In het onderhavige geval zijn partijen het er over eens dat de ondertekening van de Heads of Agreement voor Boparan de verplichting meebracht om verder te onderhandelen met Pingo over de overname. Schending van deze verbintenis ligt aan de eis van Pingo ten grondslag en daarom is de rechtbank met partijen van oordeel dat de vordering van Pingo kan worden gekwalificeerd als een vordering uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5 sub 1a EEX-Vo.

2.10. Omdat sprake is van een vordering uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5 sub 1a EEX-Vo kan door Pingo in beginsel worden gekozen tussen twee bevoegde gerechten: dat van de lidstaat van de woonplaats van de gedaagde of dat van ‘de plaats, waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd’.

2.11. Het Hof EG heeft in een arrest van 6 oktober 1976 (zaak 12/76 inzake Tessili/Dunlop) en nadien ook in andere arresten herhaaldelijk vastgesteld dat de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de hier bedoelde zin, moet worden bepaald overeenkomstig het recht dat volgens de eigen regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter op de litigieuze verbintenis van toepassing is. Daargelaten het antwoord op de vraag welk recht op de litigieuze verbintenis van toepassing is, biedt deze methode in de onderhavige zaak geen uitsluitsel, nu het Engels recht noch het Nederlands recht antwoord geeft op de vraag waar onderhandelingen moeten worden gevoerd of voortgezet. De verbintenis tot het voeren van onderhandelingen is in beginsel op elke plaats uitvoerbaar en ook in dit geval zijn door partijen geen afspraken gemaakt over een vaste onderhandelingsplaats en hebben de gesprekken ook feitelijk op verschillende locaties plaatsgevonden; meerdere malen in Nederland maar ook in Engeland en er is ook onderhandeld via de telefoon, e-mail en fax. De plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, is hier derhalve niet eenduidig vast te stellen.

2.12. Met de EEX-Vo is bedoeld bevoegdheidsregels te geven die in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij de bevoegdheid altijd gegrond moet kunnen worden op de woonplaats van de gedaagde, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen. In zijn arrest van 27 september 1988 (zaak 189/87 inzake Kalfelis/Bank Schröder) heeft het Hof EG overwogen dat de in artikel 5 EEX-Vo genoemde bijzondere bevoegdheden een uitzondering vormen op het beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft en derhalve restrictief moeten worden uitgelegd. Aansluiting zoekend bij het arrest van het Hof EG van 19 februari 2002 (zaak C-256/00 inzake Besix/WABAG) oordeelt de rechtbank dat met het oog op de rechtszekerheid in een geval als het onderhavige, waarin één enkele plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt – het voortzetten van de onderhandelingen – niet kan worden bepaald, artikel 5 sub 1 EEX-Vo niet van toepassing is.

2.13. Nu de vordering van Pingo verband houdt met een vordering uit overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1a EEX-Vo, kan toepassing van artikel 5 sub 3 EEX-Vo hier niet (tevens) aan de orde zijn, gelet op eerdergenoemd arrest van het Hof EG inzake Kalfelis/Bank Schröder.

2.14. De bevoegdheid kan hier derhalve slechts worden bepaald overeenkomstig artikel 2 EEX-Vo, dat ertoe leidt dat de Engelse rechter in deze bevoegd is.

2.15. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren kennis te nemen van de in de hoofdzaak ingestelde vorde-ringen.

2.16. Nu Pingo de hoofdzaak bij een onbevoegde rechter aanhangig heeft gemaakt en daarmee de kosten van dit incident alsmede het in de hoofdzaak aan Boparan in rekening gebrachte vastrecht nodeloos heeft veroorzaakt, zal zij in die proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank:

in het incident:

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen;

veroordeelt Pingo in de kosten van het incident, aan de zijde van Boparan tot op heden begroot op € 904,00, alsmede in het nodeloos veroorzaakte vast recht van € 241,00 dat in de hoofdzaak aan Boparan in rekening is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.