Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT3148

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
Awb 04 / 243
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp)

Eiser verzoekt door overlegging van een afschrift van het proces-verbaal van een zogeheten studioverhoor van zijn minderjarige zoon informatie voor zichzelf maar ook in zijn -toenmalige- hoedanigheid van vader namens zijn zoon als betrokkene.

Verzoek afgewezen op grond van oa artikelen 43 juncto 35 Wbp.

Nu eiser ttv de behandeling van het beroep niet meer bevoegd was het ouderlijk gezag uit te oefenen heeft hij geen procesbelang meer bij zijn als ouder gedaan verzoek.

Beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

Terzake van het voor zichzelf als betrokkene gedane verzoek is de door verweerder gemaakte belangenafweging niet zodanig onevenwichtig dat het bestreden beluit niet in stand kan blijven.

Beroep in zoverre ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WBP 2009/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 04/243

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van procureurs-generaal, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij brief van 9 december 2002 heeft eiser de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch verzocht om een afschrift van het proces-verbaal van het studioverhoor van zijn zoon [belanghebbende] van 9 januari 2002.

Bij schrijven van 29 januari 2003 en 10 juni 2003 heeft eiser zijn verzoek herhaald.

Bij besluit van 25 juli 2003 heeft de hoofdofficier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch bovengenoemd verzoek van eiser afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser op 4 augustus 2003 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Op 8 september 2003 heeft naar aanleiding van eisers bezwaarschrift een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 17 december 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 25 juli 2003 gehandhaafd.

Bij brief van 26 januari 2004, ingekomen ter griffie op 28 januari 2004, heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 24 februari 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij die gelegenheid heeft verweerder de rechtbank de stukken, waarvan inzage aan eiser was onthouden, toegezonden, met het verzoek te bepalen met een beroep op gewichtige reden als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal nemen.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb, beslist dat de beperking van de kennisneming van voormelde stukken gerechtvaardigd is. Van deze beslissing is bij brief van 22 maart 2004 aan partijen mededeling gedaan.

Eiser heeft bij brief van 31 maart 2004 de op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb vereiste toestemming om mede op grondslag van bedoelde stukken uitspraak te doen, gegeven.

Het geding is op 18 februari 2005 behandeld ter zitting van de meervoudige kamer, waar is verschenen eiser bijgestaan door [gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of verweerders besluit van 17 december 2003, waarbij het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard en het besluit van 25 juli 2003 is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser is van 10 juli 1975 tot 18 december 2000 getrouwd geweest met [ex-echtgenote], uit welk huwelijk op 9 november 1992 [be[belanghebbende]ebbende] is geboren. Ten tijde van het bestreden besluit hadden eiser en mevrouw [ex-echtgenote] gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun zoon. Vanaf 8 juli 2004 is eiser niet meer bevoegd dit gezag uit te oefenen. [belanghebbende] is verantwoordelijk voor de feitelijke verzorging van [belanghebbende].

In het kader van een strafrechtelijke procedure tegen eiser wegens verdenking van seksueel misbruik heeft op 2 januari 2002 een studioverhoor van zijn zoon [belanghebbende] plaatsgevonden.

De strafzaak is op 1 juli 2002 door de officier van justitie geseponeerd vanwege het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

In zijn besluit van 25 juli 2003 heeft de hoofdofficier van justitie op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (hierna: Wbp) het belang van eiser om eigen gegevens in te zien afgewogen tegen het algemeen belang en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, in dit geval van eisers zoon [belanghebbende]. Het studioverhoor bevat zeer gevoelige informatie over [belanghebbende], waarvan de bescherming niet kan worden gewaarborgd indien tot verstrekking daarvan wordt overgegaan, aldus de hoofdofficier. Voorts is meegewogen het feit dat vanuit strafrechtelijk perspectief het studioverhoor niet relevant is, aangezien de zaak tegen eiser is geseponeerd wegens het ontbreken van wettig bewijs. Na de voormalige echtgenote van eiser in de gelegenheid te hebben gesteld haar zienswijze over het verzoek van eiser te geven heeft de hoofdofficier het belang van [belanghebbende] in deze laten prevaleren boven het inzagerecht van eiser en eisers verzoek afgewezen.

Verweerder stelt in het thans bestreden besluit van 17 december 2003 voorop dat - nu ten tijde hier van belang zowel eiser als zijn voormalige echtgenote het ouderlijk gezag over hun zoon hebben - de juridische positie van de ene ouder in algemene zin niet anders moet zijn dan de juridische positie van de andere ouder. Geen van beide ouders beschikt over een afschrift van het studioverhoor, terwijl beiden wel op de hoogte zijn van het sepot in de strafrechtelijke procedure. Verweerder acht het in de eerste plaats niet tot de publiekrechtelijke taak van het openbaar ministerie behoren om een van beide ouders te faciliteren in de tussen hen spelende kwestie aangaande het gezag over [belanghebbende]. Voorts oordeelt verweerder dat het onderhavige proces-verbaal niet is opgesteld om als bewijs te kunnen dienen in een andersoortige procedure dan de strafrechtelijke procedure. Het vereiste van verenigbaar gebruik in de zin van artikel 9 van de Wbp verzet zich er tegen dat de gegevens betreffende [belanghebbende] aan een van beide ouders wordt verstrekt ten behoeve van de civiele procedure. Tenslotte dient bij afweging van de betrokken belangen het belang van [belanghebbende], gelegen in zijn privacy, zwaarder te wegen dan het belang van eiser bij verstrekking van het proces-verbaal, aldus verweerder.

Eiser stelt dat zijn belang bij het verkrijgen van het afschrift van het proces-verbaal is gelegen in de mogelijkheid om hiermee aan te tonen dat het beweerde seksueel misbruik van zijn zoon niet heeft plaatsgevonden en dat het verhaal van [belanghebbende] door derden, waaronder zijn ex-echtgenote, is ingegeven. Voorts stelt hij dat hij - als vader - een verplichting heeft toezicht op zijn zoon te houden en in staat moet worden gesteld diens belangen te vertegenwoordigen, reden waarom het proces-verbaal aan hem dient te worden afgegeven.

Het wettelijk kader waarin de aan het begin van deze paragraaf gestelde vraag moet worden beantwoord luidt als volgt.

Krachtens artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan elk gegeven betreffende een geĆÆdentificeerde of identificeerbare natuurlijk persoon.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wbp wordt onder betrokkene verstaan degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft.

Op basis van artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

Krachtens artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp kan de verantwoordelijke onder meer de artikelen 9, eerste lid, en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank begrijpt het door eiser gedane verzoek aldus dat hij door overlegging van een afschrift van het proces-verbaal van het studioverhoor niet alleen informatie wenst voor zichzelf als betrokkene, maar ook - in zijn hoedanigheid van vader - namens [belanghebbende] als betrokkene. Nu eiser niet meer bevoegd is het ouderlijk gezag over [belanghebbende] uit te oefenen, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft terzake zijn verzoek gedaan als ouder van [belanghebbende]. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Eiser kan met dit verzoek en het indienen van het beroepschrift dienaangaande het door hem beoogde resultaat, te weten verkrijging van de persoonsgegevens betreffende [belanghebbende], namelijk niet meer bereiken, aangezien hij niet meer bevoegd is. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt eisers procesbelang komen te vervallen en beperkt het geschil zich aldus tot de kwestie betreffende de informatieverstrekking van eisers eigen persoonsgegevens. Voorzover het beroepschrift ziet op eisers verzoek om de gegevens van [belanghebbende] zal het niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank stelt, na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te hebben kennisgenomen van de desbetreffende stukken, vast dat het proces-verbaal van het studioverhoor zowel persoonsgegevens betreffende eisers zoon bevat als persoonsgegevens betreffende eiser zelf, en dat deze niet los van elkaar te beschouwen zijn. Voor zover eiser voor zichzelf als betrokkene de informatieverstrekking wenst zijn alleen zijn eigen persoonsgegevens aan te merken als "hem betreffende persoonsgegevens" als bedoeld in het eerste lid van artikel 35 van de Wbp en is in beginsel alleen van die persoonsgegevens informatieverstrekking mogelijk.

Op grond van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp kan artikel 35 van de Wbp buiten toepassing worden gelaten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. Verweerder heeft in het kader van de belangenafweging het belang van eiser bij verkrijging van de hem betreffende persoonsgegevens afgewogen tegen het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van [belanghebbende]. Volgens verweerder verzet dit belang zich tegen verstrekking van een afschrift van het proces-verbaal van het studioverhoor.

De rechtbank wijst erop dat zij zich bij de toetsing van de belangenafweging door het bestuur terughoudend dient op te stellen. Beoordeeld moet worden of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn besluit had kunnen komen.

Verweerder heeft bij zijn belangenafweging in de eerste plaats betrokken de vrees dat de gevoelige gegevens uit het proces-verbaal in de openbaarheid worden gebracht en dit gegrond op het feit dat eiser in het verleden openbaarmaking van gegevens betreffende [belanghebbende] of verstrekking van deze gegevens aan derden niet dan wel onvoldoende heeft tegen gegaan.

Voorts heeft verweerder zich gebaseerd op een brief van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant van 29 augustus 2003, waarin dit Bureau aangeeft het niet in het belang van [belanghebbende] te achten dat eiser inzage krijgt in het proces-verbaal vanwege het mogelijk negatieve effect hiervan bij contact tussen eiser en zijn zoon, omdat eiser, naar ingeschat wordt, niet in staat zal zijn [belanghebbende] niet te belasten met de inhoud ervan. Onder de gedingstukken bevindt zich weliswaar een brief van Bureau Jeugdzorg van 24 maart 2004, waarin wordt gesteld dat het eerdere advies van 29 augustus 2003 op verkeerde gronden is genomen en dat dit wordt ingetrokken. Gelet echter op het feit dat deze intrekking dateert van een datum na het bestreden besluit en voorts nauwelijks is gemotiveerd, oordeelt de rechtbank dat het advies van 29 augustus 2003 bij het afwegen van de belangen kon worden betrokken. Verweerder heeft in dit kader ter zitting aangegeven gelet ook op de overige aangevoerde gronden niet anders te denken over zijn eerder gemaakte belangenafweging.

Verder heeft verweerder ter zitting nog gewezen op de achtergrond van de in artikel 35 van de Wbp neergelegde mogelijkheid tot inzage in betrokkenes persoonsgegevens, te weten het correctierecht zoals geformuleerd in artikel 36, eerste lid, van de Wbp. Verweerder stelt in dit kader voorop dat eiser, aangezien hij weet dat zijn zoon is verhoord, reeds bekend is met het feit dat hem betreffende persoonsgegevens door het openbaar ministerie worden verwerkt. Nu - naar eiser ook weet - zijn strafzaak is geƫindigd met een sepot, is in zoverre voldaan aan de strekking van artikel 35 van de Wbp, aldus verweerder. Daarnaast is naar het oordeel van verweerder niet duidelijk wat het correctierecht in deze zou kunnen inhouden, aangezien het hier een proces-verbaal van een verhoor betreft, dat niet door een ander dan degene die aldus heeft verklaard, gecorrigeerd kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat niet met vrucht kan worden gesteld dat de op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden door verweerder gemaakte belangenafweging zodanig onevenwichtig is dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er geen blijk van gegeven niet alle relevante belangen bij de besluitvorming te hebben betrokken.

De rechtbank ziet in hetgeen door eiser ook overigens is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Mitsdien dient het beroep van eiser voor zover dit ziet op zijn verzoek om zijn eigen persoonsgegevens ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten als genoemd in artikel 8:75 van de Awb zijn geen termen aanwezig.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dit ziet op eisers verzoek om de persoonsgegevens van zijn zoon niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover die ziet op eisers verzoek om zijn eigen persoonsgegevens ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker, voorzitter, en mrs. M.T. van Vliet en A.V. Rijneke als leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier op 31 maart 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

6

AWB 04/243