Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT3100

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
AWB 03/1722 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht: de vraag is of de arbeidsverhouding in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding.

In tegenstelling tot eiseres is de rechtbank voorts van oordeel dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 3 mei 1977 heeft geoordeeld dat concubinaat niet als een familieverhouding in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Koninklijk Besluit van 14 december 1973 (Stb. 1973, 627) - welke bepaling overeenkomt met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van het thans van toepassing zijnde KB - kan worden beschouwd. Anders dan verweerder echter is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraak thans, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen sindsdien, zoals onder meer blijkt uit artikel 1, derde lid, van de werknemersverzekeringen, niet langer ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit. Het begrip “familieverhouding” dient thans ruimer opgevat te worden dan enkel betrekking hebbende op gehuwde personen en hun bloed- en aanverwanten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet reeds van een familieverhouding in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van het KB tussen twee samenwonenden en hun respectieve bloed- en aanverwanten gesproken worden, vanaf het moment dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Er dient sprake te zijn van een zekere bestendigheid van de relatie tussen de twee samenwonenden, die bijvoorbeeld tot uitdrukking kan komen in de duur van de relatie. In dit verband wijst de rechtbank erop dat in verschillende wettelijke regelingen voor de gelijkstelling van een gezamenlijke of gemeenschappelijke huishouding met een huwelijk vereist is dat er sprake is van een duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding (zie bijvoorbeeld artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 ten aanzien van het begrip “partner”) waarbij in een aantal gevallen tevens wordt vereist dat de gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende een wederzijdse zorgverplichting (zie bijvoorbeeld artikel 24, tweede lid, van de Successiewet 1956). In andere gevallen dient de gezamenlijke huishouding ten minste een bepaalde tijdspanne te hebben bestreken (zie bijvoorbeeld artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (ten minste zes maanden) en artikel 1.1., eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ten aanzien van het begrip “partner” (eveneens zes maanden)). Verweerder zal hierin een keuze moeten maken.

Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 03/1722 ALGEM

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

Golfbaan Leende B.V., gevestigd te Leende, eiseres,

gemachtigde J.J. Tabak, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep te Zwolle,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde L.E. Willemen, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Zeist.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 december 2002 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat mevrouw [werkneemster], werkneemster van eiseres, verplicht verzekerd is voor de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op basis van artikel 5 van deze wetten en van het Koninklijk Besluit van 24 december 1986 (Stb. 1986, 655; hierna: het KB).

Het hiertegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 14 mei 2003.

Het hiertegen aangetekende beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer op 25 november 2004. Eiseres was daarbij vertegenwoordigd door mevrouw [directeur], directeur/groot-aandeelhouder van eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van [zoon]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 11 januari 2005. Eiseres was wederom vertegenwoordigd door mevrouw [directeur], bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van [zoon]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden verzekeringsplicht heeft aangenomen ten aanzien van mevrouw [werkneemster].

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[zoon], zoon van mevrouw [directeur], woont sinds 3 december 2000 samen met mevrouw [werkneemster]. Zij hebben zich niet laten registreren als partner noch hebben zij een samenlevingscontract gesloten. Mevrouw [werkneemster] is sinds 1 juli 2002 voltijds in dienst van eiseres.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat mevrouw [werkneemster] weliswaar niet als verplicht verzekerd kan worden beschouwd op grond van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten, omdat daarvoor de vereiste gezagsverhouding ontbreekt, maar dat wel sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 5 van de werknemersverzekeringswetten, in samenhang met het KB. Met name is geen sprake van een uitzondering op de verzekeringsplicht in die zin dat sprake is van een arbeidsverhouding die in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 1977 (RSV 1977/244).

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder inconsequent is door ten aanzien van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten te stellen dat er een familierelatie is, maar ten aanzien van artikel 5 geen familieverhouding aan te nemen. Eiseres heeft voorts naar voren gebracht dat, nu ingevolge artikel 1, derde lid, van de werknemersverzekeringswetten de relatie van samenwonenden voor de toepassing van deze wetten en van de tot haar uitvoering genomen besluiten met een huwelijk wordt gelijkgesteld, mevrouw [werkneemster] een aanverwante is van mevrouw [directeur]. Naar de mening van eiseres kan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 1977 niet zo gelezen worden dat de Centrale Raad van oordeel is dat de verhouding tussen samenwonenden niet als familieverhouding kan worden aangemerkt, nu in de betreffende zaak niet duidelijk was of er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Zo al moet worden aangenomen dat de Centrale Raad in 1977 oordeelde dat van een familieverhouding in geval van concubinaat geen sprake is, dan is deze uitspraak inmiddels door de maatschappelijke ontwikkelingen en de wet achterhaald.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de dienstbetrekking tussen mevrouw [werkneemster] en eiseres voldoet aan de in artikel 5 van het KB gestelde vereisten. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de arbeidsverhouding in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van het KB wordt een dergelijke arbeidsverhouding voor de toepassing van dit besluit niet als dienstbetrekking beschouwd. De rechtbank zal zich in haar uitspraak tot de genoemde vraag beperken.

Ter zitting van 11 januari 2005 heeft verweerder erkend dat de relatie tussen mevrouw [werkneemster] en [zoon] moet worden beschouwd als een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 1, vierde lid, van de werknemersverzekeringswetten. Ook de rechtbank zal hiervan uitgaan.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat er sprake is van een discrepantie in de redenering van verweerder ten aanzien van de term “familieverhouding” met betrekking tot artikel 3 respectievelijk artikel 5 van de werknemersverzekeringswetten. In verband met artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten dient te worden beoordeeld of er sprake is van een gezagsverhouding. Uit de feitelijke omstandigheden van het geval moet worden afgeleid of er al dan niet sprake is van werkgeversgezag. In casu heeft verweerder geoordeeld dat van dergelijke omstandigheden - waarbij verweerder de in dit verband minder gelukkige term “familieverhouding” heeft gebruikt - geen sprake is.

In verband met artikel 5 van de werknemersverzekeringen, dient het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van het KB neergelegde begrip “familieverhouding” te worden geïnterpreteerd.

In tegenstelling tot eiseres is de rechtbank voorts van oordeel dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 3 mei 1977 heeft geoordeeld dat concubinaat niet als een familieverhouding in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Koninklijk Besluit van 14 december 1973 (Stb. 1973, 627) - welke bepaling overeenkomt met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van het thans van toepassing zijnde KB - kan worden beschouwd. Anders dan verweerder echter is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraak thans, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen sindsdien, zoals onder meer blijkt uit artikel 1, derde lid, van de werknemersverzekeringen, niet langer ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit. Het begrip “familieverhouding” dient thans ruimer opgevat te worden dan enkel betrekking hebbende op gehuwde personen en hun bloed- en aanverwanten. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet reeds van een familieverhouding in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van het KB tussen twee samenwonenden en hun respectieve bloed- en aanverwanten gesproken worden, vanaf het moment dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Er dient sprake te zijn van een zekere bestendigheid van de relatie tussen de twee samenwonenden, die bijvoorbeeld tot uitdrukking kan komen in de duur van de relatie. In dit verband wijst de rechtbank erop dat in verschillende wettelijke regelingen voor de gelijkstelling van een gezamenlijke of gemeenschappelijke huishouding met een huwelijk vereist is dat er sprake is van een duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding (zie bijvoorbeeld artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 ten aanzien van het begrip “partner”) waarbij in een aantal gevallen tevens wordt vereist dat de gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende een wederzijdse zorgverplichting (zie bijvoorbeeld artikel 24, tweede lid, van de Successiewet 1956). In andere gevallen dient de gezamenlijke huishouding ten minste een bepaalde tijdspanne te hebben bestreken (zie bijvoorbeeld artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (ten minste zes maanden) en artikel 1.1., eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ten aanzien van het begrip “partner” (eveneens zes maanden)). Verweerder zal hierin een keuze moeten maken.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

· 1/2 punt voor het verschijnen op een volgende zitting;

· waarde per punt € 322,00

· wegingsfactor 1.

In haar brief van 12 februari 2003 heeft eiseres verzocht om een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. In artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het verzoek van eiseres om een vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Nu thans niet kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit materieel onrechtmatig is en dat derhalve aan alle voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot vergoeding van proceskosten in bezwaar afwijzen. Daarbij zij opgemerkt dat verweerder in de nieuwe beslissing op bezwaar ook hierover een beslissing dient te nemen.

Wel zal de rechtbank bepalen dat door het Uwv aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 232,00 dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 232,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. J.H.L.M. Snijders en mr. A. Horst als leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.C. Dollekamp als griffier op 7 februari 2005.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: