Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT2742

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
01/070817-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoer van AI-gevoelige dieren (kippen, ganzen, eenden) tijdens vervoersverbod in verband met vogelpestcrisis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/070817-04

Uitspraakdatum: 29 maart 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de economische politierechter in bovengenoemde rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1948,

wonende te (woonplaats), (adres).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 maart 2005.

De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 januari 2005.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

dat hij op of omstreeks 6 juni 2003 in de gemeente Someren,zijnde dit binnen

het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onderdeel 1

onder 2 behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet

opzettelijk AI-gevoelige dieren (kippen) heeft vervoerd;(zaak 2.1., pagina

664 en volgende alsmede 701 en volgende van het proces-verbaal)

(artikel 3 lid 1 onder a van voornoemde Regeling juncto artikel 30 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, strafbaar gesteld in artikel 1 onder

1e van de Wet op de economische delicten)

2.

dat hij op of omstreeks 25 april 2003 in de gemeente Someren, zijnde dit

binnen het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onder 2

behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003, tezamen en

in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet

opzettelijk AI-gevoelige dieren (eenden en/of ganzen) heeft vervoerd;(zaak

2.2., pagina 667 en volgende alsmede 716 en volgende van het proces-verbaal)

(artikel 3 lid 1 onder a van voornoemde Regeling juncto artikel 30 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, strafbaar gesteld in artikel 1 onder

1e van de Wet op de economische delicten)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de economische politierechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de economische politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De rechtmatigheid van de bewijsmiddelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat hij zijn verklaringen, zoals opgenomen in het dossier, niet in vrijheid heeft kunnen afleggen.

De economische politierechter acht niet aannemelijk geworden dat verdachte door de medewerkers van de AID op een ontoelaatbare wijze onder druk is gezet, waardoor hij niet in vrijheid zou hebben kunnen verklaren. De economische politierechter is dan ook van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die aan het gebruik van door verdachte in de voorfase afgelegde verklaringen in de weg staan.

De bijzondere overweging omtrent het bewijs.

Met betrekking tot het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde "medeplegen" overweegt de economische politierechter dat weliswaar het feitelijke vervoer van de AI-gevoelige dieren door de mededader(s) van verdachte werd verricht, doch dat er een volledige en nauwe samenwerking heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn mededader(s) gericht op het vervoer van AI-gevoelige dieren binnen het vervoersbeperkingsgebied, zodat er sprake is van medeplegen.

Deze volledige en nauwe samenwerking bestond ten aanzien van feit 1 hierin dat verdachte een onderduikadres voor de kippen van (mededader 1) heeft geregeld, dat hij wist dat er kippen in de auto van (mededader 1) zaten, dat hij voorop heeft gereden teneinde (mededader 1) de weg te wijzen naar het onderduikadres en dat hij daarbij voederbakken, drinkbakken en diervoer heeft vervoerd die bestemd waren voor de vervoerde kippen. Dit alles werd gedaan in de wetenschap dat er op dat moment een vervoersverbod voor AI-gevoelige dieren van kracht was voor het gebied waarbinnen de gemeente Someren gelegen is.

Ten aanzien van feit 2 bestond de volledige en nauwe samenwerking hierin dat verdachte wist dat er eenden en ganzen vervoerd werden door (mededader 1) en (mededader 2), dat hij voorop heeft gereden teneinde hen de weg te wijzen en dat hij daarbij voederbakken en diervoer voor de ganzen en eenden heeft vervoerd. Ook hierbij verkeerde verdachte in de wetenschap dat er op dat moment een vervoersverbod voor AI-gevoelige dieren van kracht was voor het gebied waarin de gemeente Someren gelegen is.

De bewezenverklaring.

De economische politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 6 juni 2003 in de gemeente Someren, zijnde dit binnen het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onderdeel 1 onder 2 behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk AI-gevoelige dieren (kippen) heeft vervoerd.

2.

op 25 april 2003 in de gemeente Someren, zijnde dit binnen het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onder 2 behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk AI-gevoelige dieren (eenden en ganzen) heeft vervoerd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht

1(oud), 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten

1, 15, 30 en 131 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

1, 2, 3 en 15 van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud).

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

ten aanzien van de feiten 1 en 2; een geldboete van ? 2900,- subsidiair 58 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de economische politierechter gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de economische politierechter enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid ten bezware van verdachte:

- verdachte is direct betrokken geweest bij acties van medeverdachte (medeverdachte 1) waarbij deze publiekelijk op de voorgrond trad.

Bij de strafoplegging zal de economische politierechter anderzijds in het bijzonder rekening houden met het volgende uit de onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- sedert het tijdstip waarop de door verdachte gepleegde feiten hebben plaatsgehad is inmiddels geruime tijd verstreken (bijna twee jaar).

De economische politierechter is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de economische politierechter bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De economische politierechter wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan (artikel 3, eerste lid en onder a, van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud)).

T.a.v. feit 2:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan (artikel 3, eerste lid en onder a, van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud)).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Geldboete van EUR 1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. G.A.F.M. Wouters, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Carmiggelt, griffier

en is uitgesproken op 29 maart 2005.