Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT2738

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
01/070816-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoer van AI-gevoelige dieren (eenden/ganzen) tijdens vervoersverbod in verband met de vogelpestcrisis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/070816-04

Uitspraakdatum: 29 maart 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de economische politierechter in bovengenoemde rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum)1946,

wonende te (woonplaats), (adres).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 maart 2005.

De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 januari 2005.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 25 april 2003 in de gemeente Someren, zijnde dit binnen

het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onder 2

behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003, tezamen en

in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet

opzettelijk AI-gevoelige dieren (eenden en/of ganzen) heeft vervoerd;(zaak

2.2., pagina 667 en volgende alsmede 716 en volgende van het proces-verbaal)

(artikel 3 lid 1 onder a van voornoemde Regeling juncto artikel 30 van de

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, strafbaar gesteld in artikel 1 onder

1e van de Wet op de economische delicten)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de economische politierechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de economische politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De rechtmatigheid van de bewijsmiddelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat zij haar verklaringen, zoals opgenomen in het dossier, niet in vrijheid heeft kunnen afleggen.

De economische politierechter acht niet aannemelijk geworden dat verdachte door de medewerkers van de AID op een ontoelaatbare wijze onder druk is gezet, waardoor zij niet in vrijheid zou hebben kunnen verklaren. De economische politierechter is dan ook van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die aan het gebruik van door verdachte in de voorfase afgelegde verklaringen in de weg staan.

Voorts heeft verdachte aangevoerd dat haar woning ten tijde van de doorzoeking wederrechtelijk werd betreden door justitie en AID en dat dit uiteindelijk heeft geleid tot wederrechtelijk verkregen bewijsmateriaal.

De economische politierechter verwerpt het gevoerde verweer, daar de doorzoeking heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de rechter-commissaris en deze, gelet op de processtukken in het dossier, geheel op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden.

De bijzondere overweging omtrent het bewijs.

Met betrekking tot het tenlastegelegde "medeplegen" overweegt de economische politierechter dat er een volledige en nauwe samenwerking heeft plaatsgevonden tussen verdachte en haar mededaders gericht op het vervoer van eenden en ganzen binnen het vervoersbeperkingsgebied, zodat er sprake is van medeplegen.

Deze volledige en nauwe samenwerking bestond hierin dat verdachte in haar eigen auto ganzen en/of eenden heeft vervoerd, waarbij zij op de hoogte was van het feit dat er tegelijkertijd met de auto van mededader (mededader 1) ook ganzen en/of eenden werden vervoerd. Dit alles vond plaats terwijl verdachte en haar mededaders op dat moment wisten dat er een vervoersverbod van kracht was ten aanzien van AI-gevoelige dieren binnen het gebied waarin de gemeente Someren gelegen is.

De bewezenverklaring.

De economische politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 25 april 2003 in de gemeente Someren, zijnde dit binnen het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onder 2 behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk AI-gevoelige dieren (eenden en ganzen) heeft vervoerd

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht

1(oud), 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten

1, 15, 30 en 131 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

1, 2, 3 en 15 van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud).

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie:

een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de economische politierechter gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de economische politierechter in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- sedert het tijdstip waarop het door haar gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad is inmiddels geruime tijd verstreken (bijna twee jaar);

- de medische gesteldheid van verdachte;

- de uitvoering van het beleid van de Minister heeft bij verdachte geleid tot gevoelens van verdriet en onmacht (waarvoor de economische politierechter begrip op kan brengen), tengevolge waarvan verdachte kennelijk geen andere uitweg heeft gezien dan het plegen van het strafbare feit.

-

Met betrekking tot een deel van de op te leggen geldboete zal de economische politierechter bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De economische politierechter wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan (artikel 3, eerste lid en onder a, van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud)).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Geldboete van EUR 1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan EUR 600,00 subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde geldboete desgewenst te voldoen in 6 termijnen van elk EUR 150,- per maand.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. G.A.F.M. Wouters, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Carmiggelt, griffier

en is uitgesproken op 29 maart 2005.