Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AT0462

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
Awb 04 / 1196
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2003 heeft verweerder eiser op grond van artikelen 27 en 66 van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) een bestuurlijke boete van ? 15.000,- opgelegd, wegens het niet tijdig melden van 36 gegevens-verwerkingen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 27
Wet bescherming persoonsgegevens 66
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WBP 2009/128

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

Awb 04/1196

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], eiser,

en

het College bescherming persoonsgegevens (CBP), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 december 2003 heeft verweerder eiser op grond van artikelen 27 en 66 van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) een bestuurlijke boete van ? 15.000,- opgelegd, wegens het niet tijdig melden van 36 gegevens-verwerkingen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 januari 2004 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 mei 2004, ontvangen ter griffie op

6 mei 2004, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 januari 2005, alwaar eiser is verschenen bij [gemachtigde], werkzaam bij verweerders gemeente.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], werkzaam bij het CBP.

II.OVERWEGINGEN.

In dit geschil is de vraag aan de orde of verweerders besluit op bezwaar van

26 maart 2004 in rechte stand kan houden. Dit besluit houdt in de ongegrond-verklaring van het door eiser ingediende bezwaar tegen verweerders besluit van 16 december 2003 strekkende tot oplegging op grond van artikelen 27 en 66 van de WBP van een bestuurlijke boete van ? 15.000,- wegens het niet-tijdig melden van 36 gegevensverwerkingen alsmede de handhaving van dat besluit.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 18 juli 2003 is verweerder gestart met een onderzoek naar de naleving van de meldingsplicht en is eiser verzocht een aantal vragen te beantwoorden.

Geconstateerd is dat de gemeente [woonplaats] op 8 augustus 2003, 11 maanden na het einde van het overgangsjaar, 36 verwerkingen van persoongegevens bij verweerder heeft gemeld. Van de gemelde verwerkingen bestonden 35 verwerkingen reeds op 1 september 2001. Dergelijke verwerkingen hadden uiterlijk op 1 september 2002 gemeld moeten worden. Eén verwerking is in het laatste kwartaal van 2002 aangevangen. Een dergelijke verwerking had voor de aanvang gemeld moeten worden.

Op 21 oktober 2003 is het onderzoek afgerond met een definitief rapport van bevindingen waarom wordt geconcludeerd dat artikel 27, eerste lid, van de WBP is overtreden. Bij brief van 17 november 2003 heeft verweerder de gemeente [woonplaats] in kennis gesteld van zijn voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen en uitgenodigd voor een hoorzitting, die op 27 november 2003 heeft plaatsgevonden. Hiervan is een verslag opgemaakt.

Bij besluit van 16 december 2003 heeft verweerder met inachtneming van hetgeen op de hoorzitting door eiser was aangevoerd een boete opgelegd van ? 15.000,-. Eiser heeft afgezien van een hoorzitting in bezwaar.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de gemeente [woonplaats] weliswaar op 8 augustus 2003 aan de meldingsplicht heeft voldaan, maar dat de verwerkingen niet tijdig zijn gemeld, nu deze uiterlijk per 1 september 2002 of voor de aanvang van de verwerking gemeld hadden moeten worden. De over-tredingen van artikel 27 van de WBP worden aangekwalificeerd als zware overtredingen in de zin van de Regels voor de boetevaststelling (Staatscourant 2003, 123, p.27). Voor een zware overtreding wordt in beginsel een bestuurlijke boete opgelegd van ? 3.000,- per overtreding. Het opleggen van een totale bestuurlijke boete van ? 108.000,- leidt volgens verweerder echter tot een evident onbillijke uitkomst. Om die reden heeft verweerder de boete gematigd tot

? 15.000,-. Verweerder legt de bestuurlijke boete op om overtreders te weerhouden van nieuwe overtredingen (speciale preventie) en om in algemene termen afschrikwekkende werking te bewerkstelligen (generale preventie).

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat aantoonbaar tijdig is begonnen met het werk om tijdig aan de meldingsplicht te voldoen. Verweerder had volgens eiser daarom kunnen volstaan met het opleggen van een waarschuwing, zoals ook de beleidsregels aangeven. Daarnaast heeft verweerder naar de mening van eiser onvoldoende rekening gehouden met het feit dat een groot aantal van 36 meldingen die uiteindelijk zijn gedaan, eigenlijk zijn vrijgesteld op grond van het Vrijstellingenbesluit. Voorts heeft eiser zich op standpunt gesteld dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat een steekproef strijdig is met het verbod van willekeur. Eiser is uit informele contacten bekend dat er gemeenten zijn die later aan de meldingsplicht hebben voldaan en geen boete opgelegd hebben gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat het achteraf opleggen van een boete veel te ver voert en geen enkel doel meer dient.

Het wettelijk kader luidt als volgt.

In artikel 27, eerste lid, van de WBP is bepaald dat een geheel of gedeeltelijke geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, alvorens met de verwerking wordt aangevangen wordt gemeld bij het CBP of de functionaris.

In artikel 29, eerste lid, van de WBP is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat daarbij aan te geven verwerkingen van gegevens waarbij de inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene onwaarschijnlijk is zijn vrijgesteld van de melding, bedoeld in artikel 27.

In het vierde lid van voormeld artikel is bepaald dat de verplichting tot melding niet van toepassing is op openbare registers die bij de wet zijn ingesteld alsmede op verstrekkingen aan een bestuurorgaan ingevolge een wettelijke verplichting.

In artikel 66, eerste lid, van de WBP is bepaald dat indien de verantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens artikel 27 of 28 is bepaald, het CBP hem een bestuurlijke boete op kan leggen van ten hoogste ? 4.500,-.

In het tweede lid is bepaald dat het CBP geen boete oplegt indien de verantwoordelijke aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.

In het derde lid is bepaald dat bij de vaststelling van de hoogte het CBP in ieder geval rekening houdt met de ernst en de duur van de overtreding.

In artikel 79, eerste lid, van de WBP is bepaald dat binnen een jaar na inwerking-treding van deze wet de gegevensverwerking die op dat tijdstip reeds plaatsvonden, in overeenstemming worden gebracht met deze wet en deze worden gemeld als bedoeld in artikel 27 bij het CBP of de functionaris. Bij algemene maatregel van bestuur kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, worden verlengd tot ten hoogste drie jaren voor wat betreft de verplichting tot melding.

Met betrekking tot de bevoegdheid van artikel 66 van de WBP tot boeteoplegging heeft verweerder de Regels voor de boetevaststelling vastgesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gezien de gedingstukken en gelet op het verhandelde ter zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser 36 verwerkingen van persoongegevens niet-tijdig heeft gemeld en daarmee de meldingsplicht van artikel 27, eerste lid, van de WBP niet heeft nageleefd. Ten aanzien van de stelling van eiser dat zich onder de gemelde verwerkingen gegevensverwerking bevinden die vrijgesteld zouden zijn van de meldingsplicht, stelt de rechtbank met verweerder vast dat de wettelijke uitzondering van artikel 29, vierde lid, van de WBP niet van toepassing is en dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat verwerkingen zijn aangemeld waarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 46 van het Vrijstellingenbesluit ingeroepen had kunnen worden. Hierbij merkt de rechtbank op dat verweerder kan worden gevolgd in zijn redenering dat gelet op de voor het van toepassing kunnen zijn van het Vrijstellingsbesuit geldende nadere eisen, eiser de meest gerede partij is feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan de toepasselijkheid van het Vrijstellingsbesluit kan worden beoordeeld.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat gelet op het bepaalde in artikel 66 van de WBP verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden bevoegd heeft geacht tot het opleggen van een bestuurlijke boete in verband met de niet-naleving van de meldingsplicht.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ingevolge artikel 66 van de WBP de bevoegdheid tot het opleggen van een boete met een maximum van ? 4.500,- per overtreding toekomt. Verweerder heeft deze bevoegdheid nader geregeld in de Regels voor de boetevaststelling op grond waarvan in het onderhavige geval een boete opgelegd diende te worden van 36 keer ? 3.000,-, zijnde ? 108.000,-. Verweerder heeft besloten de boete te matigen tot ? 15.000,-.

Ten aanzien van de hoogte van de boete merkt de rechtbank op dat bij de oplegging van een -punitieve- bestuurlijke boete als hier aan de orde de verwijtbaarheid van het beboetbare feit dient te worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de boete.

De rechtbank overweegt dat verweerder blijkens het primaire besluit en het thans bestreden besluit heeft betrokken dat verweerder tijdig met de voorbereidingen voor het tijdig melden van de verwerkingen van persoongegevens is begonnen en heeft geleid tot matiging van het boetebedrag. De omstandigheid dat eiser vrij snel nadat het controleonderzoek van het verweerder was gestart aan zijn verplichtingen heeft voldaan is eveneens door verweerder verdisconteerd in het besluit de opgelegde boete te matigen. Voorts wordt overwogen dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de verwijzing van eiser naar de slechte respons van de gemeentelijke afdelingen, de gemeenteraadsverkiezingen en de invoering van de dualisering, de lange duur van de geconstateerde nalatigheid onvoldoende verklaren en niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de conclusie van verminderde verwijtbaarheid rechtvaardigen.

Anders dan door eiser is betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet met vrucht worden volgehouden dat onderhavige boete geen enkel doel meer zou dienen en derhalve om die reden sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe wordt overwogen dat het doel is gelegen in de speciale en generale preventieve werking die uitgaan van de boeteoplegging.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank niet is gebleken dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde eis dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Het betoog van eiser dat het bestreden besluit voor onrechtmatig moet worden gehouden omdat een steekproefsgewijze controle op de naleving van de meldingsplicht in strijd is met het verbod van willekeur, wordt door de rechtbank niet gevolgd, nu de omstandigheid dat er mogelijke overtreders niet worden gecontroleerd inherent is aan de methode van steekproeven en van verweerder in redelijkheid niet kan worden verwacht dat alle gegevensverwerkende organisaties worden gecontroleerd. Nu verweerder voorts heeft aangegeven dat het uitkiezen van de te controleren organisaties a-select is geschied, eerst na controle kan worden vastgesteld of sprake is van een overtreding en niet is gebleken dat de onderzochte gevallen niet op een uniforme wijze door verweerder worden beoordeeld, valt naar dezerzijds oordeel ook overigens niet in te zien op welke wijze het door verweerder gevoerde controlebeleid in strijd zou zijn met het verbod van willekeur.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder -gelet op al het voorgaande- in het onderhavige geval de hoogte van de boete op juiste wijze vastgesteld. Van bijzondere omstandigheden of belangen aan de zijde van eiser die aan het opleggen van onderhavige boete in de weg staan, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan één van partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.T. van Vliet als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier op 18 januari 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

2

6

AWB 04/1196