Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AS9127

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
Awb 04 / 1294
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AV5063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor woning naast monument. Van “verstoren” als bedoeld in artikel 11, tweede lid en onder a, van de Monumentenwet 1988 is geen sprake. Niet aannemelijk dat de wetgever heeft beoogd om aan de aanwijzing tot monument externe werking toe te kennen.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AV5063.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 04/1294

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiser], wonende te Soerendonk, eiser,

[gemachtigde], advocaat te Deurne

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck, verweerder.

Partij ingevolge artikel 8:26 van de Awb:

[belanghebbende], wonende te Soerendonk,

[gemachtigde], werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Bilthoven.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 november 2003 heeft verweerder [belanghebbende] (hierna: vergunninghouder), naar aanleiding van diens aanvraag van 11 september 2003, een bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van een woning met garage op het perceel [adres] te Soerendonk, kadastraal bekend gemeente Soerendonk, [adres].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 december 2003, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 19 januari 2004 heeft eiser de gronden van zijn bezwaar aangevuld.

Tijdens een op 2 februari 2004 door de Adviescommissie Behandeling Bezwaren en Klachten (hierna: de commissie) gehouden hoorzitting is het bezwaar mondeling toegelicht.

Bij besluit van 30 maart 2004, verzonden op 31 maart 2004, heeft verweerder het bezwaar - overeenkomstig het advies van de commissie - ongegrond verklaard en het primaire besluit onverkort in stand gelaten.

Eiser heeft tegen dit besluit per fax van 12 mei 2004, ter griffie ontvangen op diezelfde datum, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 2 november 2004 heeft vergunninghouder gereageerd op de toegezonden gedingstukken.

De zaak is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 7 januari 2005, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], werkzaam bij verweerders gemeente.

Vergunninghouder is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In deze zaak is aan de orde of verweerders besluit van 30 maart 2004 - waarbij verweerder zijn besluit van 18 november 2003 tot verlening van een bouwvergunning eerste fase onverkort in stand heeft gelaten - in rechte kan worden gehandhaafd.

Het bouwplan ziet op de oprichting van een woning met vrijstaande garage aan de [adres] te Soerendonk.

Eiser is eigenaar en bewoner van de naburige woonboerderij aan de [adres], welke woonboerderij is aangewezen als rijksmonument.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Ww wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Ingevolge artikel 44 van de Ww mag een reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd indien:

a. (...);

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een monumentenvergunning is vereist en deze niet is verleend.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen grond is de gevraagde bouwvergunning eerste fase te weigeren.

Eiser heeft hiertegen - samengevat - het volgende aangevoerd:

1. de bouwaanvraag is ten onrechte ontvankelijk geacht; de aanvraag voldoet niet aan artikel 4, eerste lid, onder b van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning;

2. het bouwplan is in strijd met de artikelen 2.5.6 en 2.5.12 van de bouwverordening; de woning wordt niet binnen het bebouwingsoppervlak gesitueerd en de achtergevelrooilijn wordt overschreden;

3. het bouwplan is in strijd met artikel 7 van het geldende bestemmingsplan; de woning zal niet (volledig) binnen het bebouwingsoppervlak worden gerealiseerd als vereist in het eerste lid van artikel 7, onduidelijk is of het peil op juiste wijze is vastgesteld en voorts is onduidelijk of aan de in de leden 2 en 3 van artikel 7 gestelde voorwaarden wordt voldaan;

4. het bouwplan is in strijd met de redelijke eisen van welstand;

5. voor het bouwen van de woning is tevens een monumentenvergunning vereist;

6. door het realiseren van het bouwplan zal er een brandgevaarlijke situatie ontstaan, die in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het beroep als volgt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b van het op artikel 40a van de Ww gebaseerde Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab) verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om bouwvergunning eerste fase, voorzover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het desbetreffende bouwen voldoet aan de bij of krachtens de wet voor dat bouwen geldende eisen, de gegevens en bescheiden, bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.3.1 van hoofdstuk 1 van de bijlage. De rechtbank begrijpt deze bepaling aldus dat slechts de in genoemde paragrafen bedoelde gegevens die burgemeester en wethouders nodig achten om te kunnen beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een bouwvergunning is voldaan, behoeven te worden aangeleverd.

De rechtbank deelt niet eisers standpunt dat geen sprake was van een complete bouwaanvraag en dat de aanvraag om die reden door verweerder niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard (lees: buiten behandeling had moeten worden gelaten).

Naar het oordeel van de rechtbank verschaft de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening voldoende inzicht in het te realiseren bouwplan. De tekening is - anders dan eiser stelt - voorzien van een duidelijke maatvoering en ook de gehanteerde schaal is op de tekening aangegeven. De kadastrale ondergrond zoals die op de bouwtekening is aangegeven, komt overeen met het uittreksel uit de kadastrale kaart dat zich onder de gedingstukken bevindt. Het enkele feit dat de maatvoering als aangegeven op de bouwtekening niet overeenkomt met die op het kadastrale uittreksel, maakt niet dat de maatvoering als aangegeven op de bouwtekening niet juist is. Naar onbetwist ter zitting door verweerders gemachtigde is aangegeven, kunnen aan een kadastraal uittreksel voor wat betreft de maatvoering geen rechten worden ontleend, hetgeen ook met zoveel woorden op dat uittreksel is vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwaanvraag voldoende gegevens bevat om tot een adequate beoordeling van het bouwplan te kunnen komen. De ter zitting namens eiser geponeerde stelling dat burgemeester en wethouders buiten de bandbreedte van hun beoordelingsvrijheid zijn getreden en zijn afgeweken van het Biab, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Soerendonk kom 1e fase", vastgesteld door de raad van verweerders gemeente op 15 april 1986, rust op het onderhavige perceel de bestemming "Woningbouw, categorie LV".

Blijkens het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op gronden met deze bestemming binnen de aangewezen bebouwingsoppervlakken vrijstaande woningen in 1-1 1/2 bouwlaag worden gebouwd. De minimum inhoud van de woning dient 300 m³ te bedragen, de hoogte mag maximaal 9 meter zijn, de goothoogte minimaal 2 en maximaal 4 meter en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mimimaal 3 meter.

Uit de aanduiding op de plankaart, gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat per woning één bijgebouw mag worden opgericht van maximaal 40 m², met een hoogte van maximaal 4,5 m. en een goothoogte van maximaal 3 m.

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel 7 - voor zover hier relevant - moeten de voorgevels van de woningen in de bebouwingsgrens aan de wegzijde staan. In het derde lid van artikel 7 is bepaald dat aansluitend aan de achterzijde van een woning een open strook van het bouwterrein aanwezig moet blijven met een diepte van minimaal 7,5 m achter de achtergevel en met een breedte van minimaal 2/5 van de breedte van de woning, gemeten uit één van de zijkanten van de woning, welke strook onverdekt en vrij van gebouwen moet blijven.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Ww, blijven de voorschriften van de bouwverordening, voor zover zij niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, buiten toepassing.

Blijkens de toelichting op dit artikel betekent dit dat, indien het bestemmingsplan met betrekking tot een bepaald onderwerp voorschriften geeft en de bouwverordening met betrekking tot dat onderwerp evenzo voorschriften bevat, de voorschriften van het bestemmingsplan voorgaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het feit dat in het bestemmingsplan gedetailleerde bouwvoorschriften zijn opgenomen, worden afgeleid dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest om stedenbouwkundige aspecten uitputtend in het bestemmingsplan te regelen. De bouwverordening heeft dan ook op dit punt geen aanvullende werking. Aan de door eiser aangehaalde artikelen van de bouwverordening komt derhalve in het onderhavige geval geen betekenis toe.

De stelling van eiser dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 7 van de planvoorschriften kan de rechtbank niet volgen. Op grond van de gedingstukken stelt de rechtbank vast dat de voorgevel van de woning is geprojecteerd in de bebouwingsgrens aan de wegzijde. Op het betreffende perceel is achter de woning een onbebouwde strook van meer dan 7,5 m. diep en meer dan 2/5 van de breedte van de woning aanwezig.

De rechtbank gaat er voorts vanuit dat de woning en de garage in hun geheel worden gebouwd binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken voor hoofd- en bijgebouwen.

De hoogte van de woning en garage dient te worden gemeten vanaf het peil, dat blijkens het bepaalde in artikel 2 van de planvoorschriften dient te worden uitgezet op 0,35 m boven de kruin van de aansluitende weg. Blijkens de bouwtekening wordt de op grond van het bestemmingsplan voor hoofd- en bijgebouwen geldende maximaal toegestane hoogte, gemeten vanaf het peil, niet overschreden.

Ingevolge artikel 11, tweede lid en onder a van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Volgens eiser wordt zijn monumentale woonboerderij verstoord door de uitvoering van het bouwplan. Ten gevolge van de bouw van de woning zal de (zon)lichtinval in de keuken worden verminderd. Gelet hierop is volgens eiser een monumentenvergunning vereist en had de gevraagde bouwvergunning, nu een monumentenvergunning niet is aangevraagd en verleend, moeten worden geweigerd. Eiser heeft in dit verband gewezen op de zogenoemde externe werking die volgens hem van de aanwijzing van een (rijks)monument ingevolge de Monumentenwet 1988 uitgaat.

Ook dit standpunt van eiser wordt door de rechtbank niet gedeeld. Het begrip "verstoren" als bedoeld in artikel 11, tweede lid en onder a van de Monumentenwet 1988 ziet blijkens de Memorie van Toelichting op een situatie die zich vooral bij archeologische monumenten kan voordoen. Een nadere uitleg ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat het begrip "verstoren" eng moet worden geïnterpreteerd in dier voege dat slechts sprake is van "verstoren" van een monument als er bouwactiviteiten in, op of aan dat monument plaatsvinden. Anders dan eiser, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de wetgever heeft beoogd om aan de aanwijzing tot monument ingevolge de Monumentenwet 1988 externe werking toe te kennen. De tekst van de wet biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor eisers opvatting. De rechtbank betrekt hierbij dat de Monumentenwet 1988 voor de bescherming van meer dan louter een aangewezen monument de mogelijkheid biedt tot aanwijzing van beschermde stads- of dorpsgezichten.

Eisers betoog dat de gevraagde bouwvergunning had moeten worden geweigerd wegens strijdigheid met het Bouwbesluit faalt reeds omdat strijdigheid met het Bouwbesluit blijkens het bepaalde in artikel 56a, tweede lid van de Ww geen grond is om een bouwvergunning eerste fase te weigeren.

Eisers stelling dat het welstandsadvies waarop verweerder zich heeft gebaseerd in strijd met artikel 9.2, derde lid van de bouwverordening is uitgebracht, is eerst ter zitting naar voren gebracht. De rechtbank acht dit in strijd met een goede procesorde en zal om die reden aan deze stelling voorbijgaan.

Niettegenstaande het vorenoverwogene komt het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking. Hiertoe overweegt zij het volgende.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Verweerder baseert zich daarbij op een advies van de commissie Welstandszorg Noord-Brabant van 12 november 2003. Blijkens dit advies en de nadere (schriftelijke) toelichting daarop is deze commissie van mening dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand mits nog monsters en stalen van de belangrijkste toe te passen materialen en kleuren ter advisering worden ingediend. Het betreft hier dus een voorwaardelijk positief advies.

Ter zitting is gebleken dat aan de voorwaarde, gesteld door de welstandscommissie, nog altijd niet is voldaan. Weliswaar is van de zijde van vergunninghouder aangegeven dat bedoelde stalen en monsters zullen worden overgelegd aan de welstandscommissie alvorens met de uitvoering van het bouwplan te starten maar dit neemt niet weg dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen onvoorwaardelijk positief welstandsadvies voorhanden was.

Naar het oordeel van de rechtbank had het, gelet op het in het welstandsadvies gemaakte voorbehoud en de omstandigheid dat verweerder dit advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, op de weg van verweerder gelegen om, alvorens het bestreden besluit te nemen, vergunninghouder ertoe te bewegen bedoelde stalen en monsters alsnog ter nadere advisering aan de commissie over te leggen en het nadere advies van de welstandscommissie bij de beslissing op het bezwaar te betrekken.

Nu verweerder dit heeft nagelaten en uit het bestreden besluit ook niet blijkt dat verweerder zich een eigen oordeel heeft gevormd aangaande het welstandsaspect, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet met de op grond van artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

Gelet hierop komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep van eiser zal derhalve gegrond worden verklaard en verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal

? 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

( 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

( 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

( waarde per punt ? 322,--;

( wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van ? 136,-- dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op ? 644,--, te vergoeden door verweerders gemeente;

- gelast verweerders gemeente eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van ? 136,-- te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. Anssems als griffier op 18 januari 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

8

7

AWB 04/1294