Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AS8594

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
04-03-2005
Zaaknummer
Awb 03/31
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging van verleende beheerssubsidie op grond van artikel 102 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AU8726.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 03/31

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiseres], gevestigd te Vierlingsbeek, eiseres,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voorheen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 10 oktober 2000 heeft verweerder de aanvraag van eiseres in het kader van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer gedeeltelijk goedgekeurd en aan eiseres een subsidie van fl.322.946,40 (? 146.546,69) verleend.

Bij besluit van 2 april 2001 heeft verweerder de verleende subsidie gewijzigd in een bedrag van fl.312.835,20 (? 141.958,42)

Bij besluit van 1 november 2001 heeft verweerder eiseres bericht dat zal worden overgegaan tot uitbetaling van een voorschot ad fl.52.139,20 (? 23.659,74).

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brieven van respectievelijk 8 november 2000, 9 mei 2001 en 6 november 2001 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 19 december 2001 heeft naar aanleiding van de bezwaren van eiseres een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 22 november 2002 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 10 oktober 2000, 2 april 2001 en 1 november 2001 gehandhaafd.

Bij brief van 30 december 2002, ingekomen ter griffie op 2 januari 2003, heeft eiseres tegen het besluit van 22 november 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Bij besluit van 3 februari 2003 heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, het besluit op bezwaar van 22 november 2002 gedeeltelijk gewijzigd en een subsidie van ? 157.699,92 verleend.

Bij brief van 14 februari 2003 heeft de griffier van deze rechtbank partijen bericht dat de rechtbank het beroep mede gericht acht tegen het besluit van 3 februari 2003.

Bij schrijven van 7 maart 2003 heeft eiseres de gronden van beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de procedure betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 28 mei 2004, waar eiseres is verschenen bij [gemachtigde]. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen en eiseres gelegenheid te geven daarop te reageren, hetgeen bij schrijven van 16 juni 2004, respectievelijk 25 september 2004 is geschied.

Het beroep is opnieuw behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 30 november 2004, waar eiseres is verschenen bij [gemachtigde] en bij [gemachtigde]. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] en [gemachtigde].

II. OVERWEGINGEN

Het besluit van 3 februari 2003 komt op één onderdeel tegemoet aan de bezwaren van eiseres. In zoverre is het besluit van 22 november 2002 gewijzigd en is een subsidie verleend van ? 157.699,92. Voor het overige is het besluit van 22 november 2002 gehandhaafd en dient dat besluit - zo begrijpt de rechtbank - te worden ingelezen in het besluit van 3 februari 2003.

Nu het besluit van 3 februari 2003 niet geheel aan de bezwaren van eiseres tegemoet komt, wordt het door eiseres bij brief van 30 december 2002 ingestelde beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:18 juncto 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Voor zover het besluit van 22 november 2002 is gehandhaafd, is de rechtbank niet gebleken dat eiseres nog enig belang heeft bij het verkrijgen van een afzonderlijk rechtsoordeel omtrent de rechtmatigheid van dat besluit. In zoverre zal het beroep derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

In dit geschil is derhalve thans aan de orde de vraag of verweerders besluit van

3 februari 2003 in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Op 1 februari 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor beheerssubsidie in het kader van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (hierna: de Subsidieregeling). Bij besluit van 10 oktober 2000 heeft verweerder de aanvraag gedeeltelijk goedgekeurd en aan eiseres een subsidie van fl. 322.946,40

(? 146.546,69) verleend. In dit besluit heeft verweerder aangegeven dat de verleende subsidie ingevolge het bepaalde in artikel 102 van de Subsidieregeling nog zal worden aangepast, omdat de Commissie van de Europese Gemeenschap (hierna: de Europese Commissie) de vergoedingen voor de akkerbouwpakketten niet heeft goedgekeurd vanwege de omstandigheid dat bij de vergoedingen geen rekening is gehouden met het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (hierna: het Lozingenbesluit). Bij besluit van 2 april 2001 heeft verweerder vervolgens de subsidieverlening aangepast als voormeld en het subsidiebedrag nader vastgesteld op fl. 312.835,20 (? 141.958,42). Bij besluit van 1 november 2001 is eiseres een voorschot ad fl. 52.139,20 (? 23.659,74) verleend als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Subsidieregeling. Deze drie besluiten zijn bij het bestreden besluit van 3 februari 2003 - op één onderdeel na, waartoe de verleende subsidie nader is vastgesteld op ? 157.699,92 - gehandhaafd.

Ten aanzien van de aanpassing van de verleende vergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 102 van de Subsidieregeling heeft verweerder in het bestreden besluit onder meer aangegeven dat een deel van de vergoedingen, zoals die aan eiseres zijn toegekend in het primaire besluit van 10 oktober 2000, het gevolg was van het feit dat voor bepaalde beheerspakketten (onder meer faunaranden) het gebruik van (chemische) bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan. De lagere opbrengst die hieruit voortvloeide werd aanvankelijk gecompenseerd middels beheerssubsidie. De Europese Commissie is niet akkoord gegaan met deze component van de beheerssubsidie, omdat het verbod om (chemische) bestrijdingsmiddelen te gebruiken, althans de verplichting om teeltvrije zones aan te houden zodat wordt voorkomen dat (chemische) bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater geraken, reeds het gevolg is van het Lozingenbesluit. Compensatie middels beheerssubsidie is volgens de Europese Commissie derhalve niet nodig. De Europese Commissie heeft Nederland op grond hiervan opgedragen om deze component uit de beheersvergoedingen te verwijderen, hetgeen zijn beslag heeft gekregen in de regelwijziging van 23 november 2000 (Stcr. 2000, nr. 228).

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij heeft daartoe in beroep aangevoerd - voor zover hier van belang - dat verweerder weliswaar op grond van artikel 102, tweede lid, van de Subsidieregeling in beginsel bevoegd is een beslissing tot verlening van een subsidie te wijzigen ter verkrijging van goedkeuring van de Europese Commissie, maar dat onvoldoende duidelijk is geworden op welke onderdelen goedkeuring door de Europese Commissie is onthouden, of dit op juiste gronden is geschied en of de wijziging van de subsidieverlening op juiste wijze is gebeurd. Voor zover de Europese Commissie niet toestaat dat er subsidie wordt verleend in verband met het achterwege laten van bestrijdingsmiddelen bij faunaranden, omdat dat op grond van het Lozingenbesluit toch al verboden is, wijst eiseres op de omstandigheid dat het Lozingenbesluit niet uitsluit dat faunaranden plaatselijk en onder voorwaarden chemisch bespoten worden. Bovendien laten de beheerspakketten (chemische) bestrijdingsmiddelen toe ten behoeve van pleksgewijze bestrijding van haarden met akkerdistel, ridderzuring of kleefkruid. Ten aanzien van de toegepaste wijziging van de verleende subsidie heeft eiseres aangevoerd dat in haar geval slechts 0.586% van het oppervlak faunaranden onder de teeltvrije zone van het Lozingenbesluit valt. Ten onrechte is over het gehele oppervlak faunaranden een korting toegepast.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 39 van de Subsidieregeling, in samenhang met artikel 4:54 van de Awb volgt dat het besluit van 1 november 2001 tot verlening van een voorschot een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstond. Verweerder heeft derhalve op goede gronden eiseres ontvangen in haar bezwaar tegen de voorschotverlening.

Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Subsidieregeling kan voor één of meerdere beheerspakketten beheerssubsidie worden verstrekt, met dien verstande dat in het terrein niet meerdere beheerspakketten op dezelfde oppervlakte kunnen worden ontwikkeld of in stand gehouden.

Ingevolge artikel 102, eerste lid, van de Subsidieregeling worden subsidies of voorschotten daarop verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de Europese Commissie.

Ingevolge artikel 102, tweede lid, van de Subsidieregeling kan de beslissing tot verlening van een subsidie of een voorschot daarop worden ingetrokken of gewijzigd ter verkrijging van de goedkeuring van de Europese Commissie voor deze regeling, of wegens het uitblijven daarvan.

Op grond van artikel 102, eerste lid, van de Subsidieregeling was verweerder derhalve gehouden bij besluit van 10 oktober 2000 de subsidie te verlenen onder voorbehoud van goedkeuring van de Europese Commissie.

Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een aantal stukken in het geding gebracht, waaronder een document van de Europese Commissie van 2 juli 2000 met kenmerk DG AGRI/RD D (2000). Uit dit document, alsmede uit het verhandelde ter zitting, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit de noodzaak bestond de component van de beheersvergoedingen, welke samenhing met het verbod chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken, uit het geheel te verwijderen, ten einde goedkeuring van de Europese Commissie te verkrijgen. Gelet hierop was verweerder op grond van artikel 102, tweede lid, van de Subsidieregeling bevoegd voormelde beslissing tot verlening van subsidie aan eiseres in te trekken of te wijzigen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan voorbij worden gegaan aan de vraag of het onthouden van goedkeuring door de Europese Commissie op juiste gronden is geschied. Nu de Subsidieregeling mede wordt gefinancierd door de Europese Gemeenschap in het kader van Verordening 1257/1999 (Kaderverordening Plattelandsontwikkeling) en bepalingen van communautair recht voorrang hebben ten opzichte van andersluidende bepalingen van nationaal recht, kon verweerder niet anders dan de Subsidieregeling te laten voldoen aan de eisen zoals die in de Kaderverordening Plattelandsontwikkeling zijn neergelegd en de eisen die op grond daarvan door de Europese Commissie zijn gesteld.

Ten aanzien van de grief van eiseres dat de wijziging van de Subsidieregeling van 23 november 2000 (Stcr. 2000, nr. 228), ten einde deze aan de Kaderverordening Plattelandsontwikkeling te laten voldoen, op onjuiste wijze is geschied, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de Subsidieregeling te worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Bij de toetsing in het kader van een algemeen verbindend voorschrift gaat het om de vraag of het overheidsorgaan in kwestie, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van het tot stand brengen van het in geding zijnde besluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid tot de bestreden regeling heeft kunnen komen. Hierbij kan de rechtbank niet treden in de vraag of een rechtvaardiger of billijker regeling voorstelbaar is.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de percelen in de lager gelegen gedeelten van Nederland in verband met de afwatering veel vaker worden begrensd of doorsneden door sloten dan percelen in de hogere gedeelten van Nederland, hetgeen tot gevolg heeft dat de aanvragers voor beheerspakketten in de lager gelegen gedeelten veel vaker geconfronteerd worden met de teeltvrije zones uit het Lozingenbesluit, terwijl zij hetzelfde beheerspakket ontwikkelen dan wel instandhouden als de aanvragers op de hoger gelegen gedeelten.Uit een oogpunt van gelijkheid en solidariteit is gekozen voor een generieke verlaging voor alle aanvragers van subsidie. Tevens is voor een generieke verlaging gekozen, omdat het maken van onderscheid tussen aanvragers op wie het Lozingenbesluit wel en niet van toepassing is, in het kader van toezicht en controle op de naleving van de voorschriften van de Subsidieregeling, tot een onwerkbare situatie zal leiden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot voormelde generieke verlaging, neergelegd in de wijziging van de Subsidieregeling van 23 november 2000, heeft kunnen komen en deze regelgeving ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit.

Niet is gebleken dat de verlaging in het geval van eiseres op onjuiste wijze is geschied.

Op grond van het vorenoverwogene zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

Overigens stelt de rechtbank vast dat het bezwaarschrift van eiseres van 9 mei 2001 tevens een verzoek bevat als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Op voormeld verzoek is door verweerder niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 6 van de Wob beslist.

In het kader van de behandeling van het onderhavige beroep heeft verweerder op verzoek van de rechtbank een aantal stukken, waarop ook voormeld verzoek zag, in het geding gebracht. Dit neemt niet weg dat - voor zover door eiseres gewenst - verweerder nog dient te beslissen op het verzoek van eiseres als bedoeld in artikel 3 van de Wob.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van verweerder van 22 november 2002 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.C. Michon, voorzitter, en mrs. P.H.C.M. Schoemaker, en M.T. van Vliet en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. J.F.M. Emons als griffier op 22 februari 2005.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

3

6

AWB 03/31