Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AS8494

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
04 / 448 WSFBSF K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerster heeft aan eiser meegedeeld dat zijn prestatiebeurs voor uitwonenden per 1 oktober 2003 is verlaagd naar een prestatiebeurs voor thuiswonenden en dat hij als gevolg daarvan € 447,24 teveel toelage heeft ontvangen, welk bedrag een kortlopende schuld is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-Hertogenbosch

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 448 WSFBSF K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen : De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gevestigd te Groningen, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 24 maart 2004,

kenmerk: MEI0933.04/BBJ/ALG4 1926-85282-0-10.

Datum van behandeling ter zitting: 11 januari 2005.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerster het bezwaar van eiser tegen een besluit van 16 januari 2004 inzake de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerster ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 januari 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn vader [vader], en waar verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. F. Hummel-Fekkes.

II. OVERWEGINGEN

Eiser, geboren op [dag] 1985, is op 1 september 2003 gestart met de opleiding […] aan de Hogeschool INHOLLAND Rotterdam te Rotterdam. Per deze datum ontvangt hij studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende student. Bij bericht “Wijzigingen student” van 26 september 2003 geeft eiser te kennen dat hij niet meer bij zijn ouders woont maar te Breda aan de [adres 1]. Op grond daarvan is de beurs vastgesteld naar de norm van een uitwonende student.

Bij brief van 15 november 2003 heeft verweerster aan eiser bericht dat het woonadres dat hij aan verweerster heeft doorgegeven afwijkt van het adres volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Dat schrijven vermeldt onder meer:

“Woonadres volgens IB-groep: [adres] Breda

Woonadres volgens GBA: [adres 2] [woonplaats]”

Verweerster heeft eiser voorts meegedeeld dat indien hij zijn (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, hij dit alsnog binnen vier weken dient te doen. Voorts staat onder aan deze brief nog:

“Let op!

Zorg ervoor dat je alsnog binnen vier weken het onjuiste adres hebt gewijzigd. Doe je dit niet dan zet de IB?Groep je uitwonende beurs vanaf oktober 2003 om in een thuiswonende beurs.”

Omdat reactie hierop van de kant van eiser was uitgebleven heeft verweerster bij primair besluit van 16 januari 2004 aan eiser meegedeeld dat zijn prestatiebeurs voor uitwonenden per 1 oktober 2003 is verlaagd naar een prestatiebeurs voor thuiswonenden en dat hij als gevolg daarvan € 447,24 teveel toelage heeft ontvangen, welk bedrag een kortlopende schuld is geworden.

De IB-groep heeft eiser heeft na telefonisch contact hierover een door de IB-groep aangemaakt bezwaarschriftformulier ter beschikking gesteld met daarin de voorgedrukte standaardmotivering: “Ik ben het niet eens met de bovenvermelde beslissing, omdat ik in de gecontroleerde periode van ---- tot ---- wel uitwonend was. Daarom verzoek ik u mijn beurs over deze periode te herstellen”. Door middel van dit formulier heeft eiser bezwaar ingediend en met gebruikmaking van de voorgedrukte bewijsmogelijkheden, waarvan hij volgens de instructie op het formulier één mogelijkheid moest aankruisen, heeft eiser daarbij een afschrift van een op zijn naam staand huurcontract d.d. 1 oktober 2003 overgelegd waarin is vermeld dat eiser vanaf 1 oktober 2003 huurder is van een kamer in het pand [adres 1] te Breda, alsmede giroafschriften waarop betalingen voor kamerhuur ten gunste van eiser voorkomen vanaf oktober 2003.

Daarop heeft verweerster met toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 het bezwaar ongegrond verklaard met de motivering, dat eiser ondanks het verzoek daartoe het adres dat hij aan de IB-groep heeft doorgegeven niet (binnen vier weken) in overeenstemming heeft gebracht met het adres waarop hij in de GBA is ingeschreven.

Eiser voert in beroep aan dat het feit dat het zo lang heeft geduurd voordat hij stond ingeschreven in Breda, te maken heeft met het feit dat de hoofdbewoner, ook na herhaalde sommaties, het formulier niet bij de gemeente heeft ingeleverd.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Indien bij controle door de IB?Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de GBA staat ingeschreven, maakt de IB?Groep dit op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 aan hem bekend en stelt hij hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen vier weken na de bekendmaking herstelt, wordt ingevolge het tweede lid van artikel 1.5 de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Aan deze twee bepalingen heeft verweerster toepassing gegeven met haar brief van 15 november 2003 en met het besluit van 16 januari 2004.

Uit hetgeen eiser in het beroepschrift heeft aangevoerd begrijpt de rechtbank dat eiser verzoekt om met toepassing van het bepaalde in artikel 1.5, tweede lid, van de Wsf 2000 de omzetting van de beurs ongedaan te maken.

Zoals de rechtbank ook bij de ter zitting gegeven toelichting van de gang van zaken blijkt, is eiser voor de indiening van het bezwaar op het verkeerde spoor gezet doordat hem van de zijde van verweerster een formulier is toegestuurd dat niet voor bezwaren tegen de onderhavige toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 van toepassing was, maar voor besluiten in het kader van uitwonendencontrole. Daarmee is voor eiser wel de indruk gewekt, dat het voor het bewijs dat men uitwonend is en voor het herstel van de beurs voor de gecontroleerde periode voldoende is, dat een van de drie genoemde punten is aangekruist en met een bewijs wordt gestaafd. Uitdrukkelijk wordt in dit door verweerster aan de student aangereikte en voorbedrukte formulier niet gevraagd of de student redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de afwijking tussen GBA- en IB-administratie, en evenmin biedt het formulier ruimte voor uitbreiding of aanvulling van de motivering van het bezwaar. Verweerster heeft het kennelijk ook niet nodig geoordeeld om naar aanleiding van het bezwaar bij eiser navraag of onderzoek te doen of eiser redelijkerwijs verwijt kan worden gemaakt.

Met het gestelde in zijn beroepschrift geeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aan dat hij van mening is dat het hem niet te verwijten valt dat de inschrijving in de GBA niet binnen de door verweerster gestelde termijn heeft plaatsgevonden of andersgezegd dat de afwijking niet binnen de gestelde termijn is hersteld.

Het feit dat verweerster eiser door toezending van dit bezwaarschriftformulier op het verkeerde been heeft gezet, moet naar het oordeel van de rechtbank met zich brengen dat de gevolgen daarvan voor rekening van verweerster zijn voor zover het gaat om gebreken in de indiening van bezwaar. Het had namelijk op de weg van verweerster gelegen om eiser erop te wijzen dat dit formulier niet toepasselijk was en hem gelegenheid te bieden te komen met omstandigheden op grond waarvan hem redelijkerwijs geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van de afwijking tussen GBA- en IB-inschrijving. Nu verweerster dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van schending van het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, namelijk dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de feiten en de af te wegen belangen vergaart en dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Dit is voldoende voor gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank ziet wel aanleiding om na te gaan of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten onder toepassing van artikel 72, derde lid van de Awb, nu verweerster in het verweerschrift in een overweging is ingegaan op de vraag of eiser redelijkerwijs geen verwijt is te maken van het verzuim. Verweerster gaat ervan uit dat zodanig verwijt wel te maken is, omdat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet vallen onder de uitwerking (van situaties waarin de studerende geen verwijt te maken valt in de beleidsregel “Uitzonderingen sanctiebepaling artikel 1.5 Wsf 2000). Zoals al eerder door de rechter is uitgesproken (zie uitspraken van de rechtbank Arnhem 29 juli 2004, 03/1797, LJN-nr AR 1901, van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 26 november 2004, 04/458 en van de rechtbank Utrecht d.d. 7 december 2004, 04/953), verdraagt de in deze beleidsregel neergelegde beleidsmatige beperking (het opnoemen van drie specifieke gevallen) zich niet met het in de memorie van toelichting verwoorde standpunt van de wetgever, dat de situaties waarin een discrepantie niet verwijtbaar is te achten, zeer divers kunnen zijn en niet goed zijn te overzien en dat om die reden volstaan is met een in algemene termen omschreven uitzonderingsclausule. Ook buiten de drie gevallen genoemd in deze beleidsregel kan er sprake zijn van een situatie waardoor aan de studerende redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van het niet herstellen van het verzuim. Zodanige situatie deed zich bij eiser echter niet voor, zoals verweerster ter zitting terecht naar voren heeft gebracht onder verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht. Waar de memorie van toelichting ten aanzien van artikel 1.5 van de Wsf 2000 aangeeft dat de onmogelijkheid om zich bij de GBA in te schrijven wegens een verbod van de verhuurder voor rekening en risico van de studerende moet blijven, geldt dit in deze zaak ook voor de weigerachtigheid of laksheid van de hoofdbewoner om de betreffende verklaring te ondertekenen en in te leveren bij de GBA. Zoals verweerster terecht heeft opgemerkt ter zitting blijft het de verantwoordelijkheid van de studerende zelf om te zorgen dat de inschrijving bij de GBA plaatsvindt, desnoods zonder medewerking van de hoofdbewoner.

Nu de conclusie moet zijn, dat eiser de afwijking in de inschrijvingen niet heeft hersteld binnen de termijn van vier weken en hem van die afwijking redelijkerwijs verwijt kan worden gemaakt, is de volgende vraag of de daarop getroffen maatregel, omzetting van de studiebeurs, rechtens stand zal kunnen houden. Onder verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraken van de rechtbanken Arnhem en Utrecht en onder overname van de daar gebezigde overwegingen is ook nu de conclusie, dat deze omzetting moet worden gezien als een punitieve sanctie, die ingevolge artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens getoetst moet worden aan het beginsel van evenredigheid. De rechtbank gaat zelf na of de opgelegde maatregel in het geval van eiser in redelijke verhouding staat tot de mate waarin hem zijn nalaten kan worden verweten en de ernst van deze nalatigheid. Zoals de rechtbank al heeft overwogen hield eiser een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot een tijdige GBA-inschrijving en moet hem worden voorgehouden dat hij door de beschikbare informatiebrochures over de betekenis hiervan voldoen geïnformeerd mag zijn geweest. Daarom vindt de rechtbank de omzetting als in het bestreden besluit neergelegd in redelijke verhouding staan tot hetgeen eiser te verwijten valt.

De rechtbank komt daarom tot de volgende beslissing.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Hertogenbosch;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

bepaalt verder dat de IB-groep aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 11 februari 2005

TJ

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.