Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2005:AS5662

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
01/049109.04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2005:AU6955
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen doodslag. Beroep op noodweerexces gehonoreerd.

Verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/049109-04

Uitspraakdatum: 7 februari 2005

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te (geboorteplaats)op (geboortedatum) 1971,

wonende te (woonplaats), (adres),

thans verblijvende: P.I. Breda - HvB De Boschpoort te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2004.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 mei 2004 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op en/of in de richting van (het lichaam van) die (slachtoffer) geschoten, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden;

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 mei 2004 te 's-Hertogenbosch opzettelijk (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op en/of in de richting van (het lichaam van) die (slachtoffer) geschoten, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden;

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2004 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie III, onder 1o, te weten een vuurwapen (revolver) of een wapen van de categorie II onder 3o (te weten een vuurwapen dat zodanig is vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd), en/of munitie van categorie III, te weten 5, althans meerdere,

scherpe kogelpatronen (merk Sellier et Bellot, kaliber .357 Magnum of .38 Special), voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 Wet Wapens en Munitie)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank is niet gebleken dat gedurende de verwikkelingen in het café sprake is geweest van een situatie waarin verdachte met voorafgaand kalm en rustig beraad heeft kunnen handelen laat staan dat verdachte daarmee heeft gehandeld. Voorts heeft de rechtbank onvoldoende bewijs gevonden dat het doden van het slachtoffer is voortgekomen uit een vooraf aan de confrontatie met het slachtoffer opgezet plan.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1. (subsidiair)

op 09 mei 2004 te 's-Hertogenbosch opzettelijk (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op en in de richting van (het lichaam van) die (slachtoffer) geschoten, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden;

2.

op 09 mei 2004 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie III, onder 1o, te weten een vuurwapen (revolver) en munitie van categorie III, te weten 5 scherpe kogelpatronen (merk Sellier et Bellot, kaliber .357 Magnum), voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid van het feit en de verdachte.

De raadsman van verdachte heeft op de terechtzitting gemotiveerd betoogd dat de verdachte niet strafbaar is nu hij uit noodweer dan wel uit noodweerexces heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

I. Gewelddadige achtergrond verhouding verdachte en slachtoffer:

Op 23 januari 1999 heeft (slachtoffer) in café 't Bossche Huukske (ander slachtoffer) met een vuurwapen gedood. (slachtoffer) werd veroordeeld wegens doodslag. Tijdens het onderzoek heeft (slachtoffer) belastende verklaringen afgelegd over verdachte. Verdachte werd om die reden in eerste aanleg veroordeeld wegens medeplegen van doodslag, doch in hoger beroep werd hij van dit feit vrijgesproken. Wel werd verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens diefstal. Verdachte had op dat moment langer in voorlopige hechtenis gezeten dan de uiteindelijk aan hem opgelegde straf.

Sindsdien leefden verdachte en het slachtoffer minst genomen in onmin met elkaar. Personen die het slachtoffer en verdachte kennen, spreken van een vete. Deze verhouding resulteerde in een schietincident op 5 augustus 2002, waarbij door verdachte op (slachtoffer) werd geschoten.

Verdachte werd wegens poging tot doodslag veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf.

Tijdens het onderzoek in 2002 naar aanleiding van de poging tot doodslag op (slachtoffer) bleek dat (slachtoffer) in het bezit was van een vuurwapen. Uit het dossier volgt dat (slachtoffer) een geoefend bokser was, hetgeen bekend was bij verdachte.

Zijn vriendin (naam vriendin) heeft verklaard dat (slachtoffer) onder invloed van alcohol en/of cocaïne kon veranderen in een geheel ander persoon. Uit het sectierapport van het NFI blijkt dat (slachtoffer) de avond van zijn overlijden alcohol en cocaïne heeft gebruikt.

(Slachtoffer) heeft in het verleden levensbedreigende bewoordingen geuit jegens verdachte en diens vriendin (naam vriendin). De vriendin van verdachte heeft bij de politie aangifte gedaan van een bedreiging door het slachtoffer op 23 maart 2003.

Gelet op het voorgaande en gezien de in deze zaak door getuigen afgelegde verklaringen over de verhouding tussen verdachte en het slachtoffer, heeft de rechtbank de overtuiging dat er na het schietincident waarbij (ander slachtoffer) door (slachtoffer) gedood werd, een enorme spanning tussen verdachte en het slachtoffer is opgebouwd. Er is een haatdragende situatie ontstaan, waarbij verdachte zeer bevreesd was voor het slachtoffer.

II. Feitelijke toedracht in café 't Bossche Huukske op 8/9 mei 2004

De rechtbank acht ten aanzien van de feitelijke gebeurtenissen op 9 mei 2004 de volgende gang van zaken aannemelijk geworden.

Op 8 mei 2004 omstreeks 23.30 uur begaf verdachte zich tijdens een weekendverlof naar café 't Bossche Huukske. Op 9 mei 2004 omstreeks 1.00 uur kwamen het latere slachtoffer (slachtoffer), (naam vriendin), (naam vriend slachtoffer) en (naam vriend slachtoffer) café 't Bossche Huukske binnen. Tot op dat moment was (slachtoffer) na het incident met (ander slachtoffer) op 23 januari 1999 niet meer in het café 't Bossche Huukske geweest.

Verdachte heeft de binnenkomst van (slachtoffer) niet onmiddellijk bemerkt, maar raakte hier eerst van op de hoogte nadat (vriendin) hem hierover inlichtte.

De rechtbank acht tevens aannemelijk geworden dat verdachte daarop onmiddellijk heeft getracht het café te verlaten, maar vervolgens vrijwel direct op (vriend slachtoffer) is gestuit, die aan hem, verdachte, een kopstoot heeft gegeven.

Vrijwel onmiddellijk na deze confrontatie zag verdachte, die zijn gang naar de uitgang van het café juist aan het hervatten was, dat het latere slachtoffer van links op hem af kwam, waarbij het slachtoffer zijn armen omhoog bewoog, vervolgens een beweging naar zijn broeksband maakte en hem, verdachte, inmiddels dicht was genaderd. Daarop heeft verdachte naar de revolver in zijn jaszak gegrepen en meermalen op het slachtoffer geschoten.

De rechtbank acht aannemelijk geworden dat verdachte de confrontatie met het slachtoffer niet heeft gezocht en dat het door de snelheid van de gebeurtenissen alsmede door de feitelijke situatie in het café voor verdachte niet mogelijk is geweest zich daadwerkelijk te onttrekken aan die confrontatie.

Gelet op het voren overwogene oordeelt de rechtbank dat op dat moment sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van verdachte door (slachtoffer), dat verdachte zich aldus in een noodweersituatie bevond waarin hij zich mocht verdedigen. Naar het oordeel van de rechtbank faalt echter het beroep op noodweer, omdat de door de verdachte gevoerde verdediging als zodanig niet door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding werd geboden.

De rechtbank is van oordeel dat de ruimte die op het moment van de schietpartij tussen verdachte en het slachtoffer bestond weliswaar niet groot was, maar toch voldoende ruim was voor verdachte om op minder vitale lichaamsdelen van het slachtoffer te schieten. De rechtbank stelt zich derhalve op het standpunt dat er sprake is geweest van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.

De rechtbank acht het aannemelijk geworden dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door het onmiddellijk dreigend gevaar van een aanranding veroorzaakt.

Daartoe acht de rechtbank met name van belang dat eerder op gewelddadige wijze een levensdelict door het slachtoffer in het bijzijn van verdachte is gepleegd; dat het slachtoffer op het moment hij hem, verdachte, tegemoet kwam de wilde blik in zijn ogen had die hij ook in zijn ogen had op het moment dat hij (ander slachtoffer) doodde; dat verdachte wist dat het slachtoffer het op hem had gemunt; dat verdachte wist dat het slachtoffer (oud-)bokser was; dat verdachte tijdens het verlaten van het café een kopstoot kreeg; dat de angst bij verdachte voortgekomen is uit de onderlinge haatdragende situatie en dat het slachttoffer voor verdachte geheel onverwacht in 't Bossche Huukske aanwezig was.

De rechtbank concludeert dat het beroep op noodweerexces terecht is voorgesteld. Er zijn aldus feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten voor wat betreft het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit. De verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 41, 57, 91 en 287

Wet wapens en munitie art. 1, 2, 26, 55, 56 en 60

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

- gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van een strafbaar feit soortgelijk aan het door hem gepleegde feit blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld en wel op 12 maart 1998 en op 1 augustus 2003. Laatstgenoemde veroordeling werd tevens opgelegd wegens poging tot doodslag op het slachtoffer in onderhavige zaak, welke poging tot doodslag ook gepleegd werd met een vuurwapen. De veroordeling in 2003 heeft verdachte er niet van weerhouden om wederom met een vuurwapen op stap te gaan.

Verdachte had op 9 mei 2004 de beschikking over een schietklaar vuurwapen. De vanzelfsprekendheid waarmee verdachte het vuurwapen met zich mee heeft genomen tijdens zijn weekendverlof, het levensbedreigende gevaar dat verdachte daarmee voor zijn medemensen in het leven heeft geroepen, welk gevolg ook daadwerkelijk ingetreden is, acht de rechtbank zo ernstig dat het slechts een zeer hoge straf passend acht waarmee de wet het voorhanden hebben van een wapen van categorie III bedreigt;

- verdachte heeft het onderhavige strafbare feit gepleegd kort na de hiervoor genoemde eerdere veroordeling en tijdens het weekendverlof van die veroordeling.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij (nabestaande slachtoffer) (feit 1 primair en subsidiair).

Nu verdachte van het hem tenlastegelegde feit 1 primair zal worden vrijgesproken, van het hem tenlastegelegde feit 1 subsidiair zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en terzake van laatstgenoemd feit geen maatregel zal worden opgelegd, dient de benadeelde partij gelet op artikel 361 lid 2 Wetboek van Strafvordering in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 (subsidiair):

Doodslag

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar.

T.a.v. feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1 primair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Ontslag van alle rechtsvervolging, zijnde de verdachte niet strafbaar.

T.a.v. feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij (nabestaande slachtoffer) in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. E.M.C. de Klerk en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.M Bellekom, griffier

en is uitgesproken op 7 februari 2005.