Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:BQ3245

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
99284 HA ZA 03-1707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onbekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 99284 / HA ZA 03-1707

Datum uitspraak : 10 november 2004

Vonnis van de rechtbank 's Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Partij A],

wonende te [adres]

eiseres,

procureur mr. P.J.A.M. Baudoin,

advocaat mr. J.W.J. Hopmans te Groesbeek,

tegen:

[Partij B],

wonende te [adres]

gedaagde,

procureur mr. J.E. Benner,

advocaat mr. J.W.W. Remme te Utrecht.

1. De procedure

Het verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van de zijde van [partij A];

- de conclusie van antwoord van de zijde van [partij B];

- de conclusie van repliek, tevens inhoudende wijziging van eis van de zijde van [partij A];

- de conclusie van dupliek van de zijde van [partij B];

- een akte uitlating producties van de zijde van [partij A].

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De Conclusies van partijen

De vordering van [partij A] strekt er na wijziging van eis, toe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] zal veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een vergoeding voor materiele en immateriële schade ad € 50.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum van de betalingstermijn tot aan die der voldoening van dit geding, met veroordeling van [partij B] in de kosten van dit geding.

Daartegen is door [partij B] verweer gevoerd met conclusie dat de rechtbank [partij A] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren althans haar deze zal ontzeggen met veroordeling van haar in de kosten van de procedure.

3. Motivering

3.1. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet (voldoende) gemotiveerd betwist, dan wel op basis van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, het volgende vast.

3.1.1. [partij B] is huisarts te [adres]. [S] is als huisarts in opleiding in de praktijk van [partij B] werkzaam geweest. [partij A] was in die periode patiënt in de praktijk van [partij B].

3.1.2. In april 2001 deelde [partij A] tijdens een spreekuurconsult [partij B] mee dat zij een knobbel in haar rechterborst voelde. [partij B] heeft vervolgens de borst onderzocht en heeft [partij A] verwezen naar de afdeling radiologie van het Maasziekenhuis te Boxmeer, waar zij op 14 juni 2001 een mammografie en een echografisch onderzoek heeft ondergaan. In de brief van [J], radioloog, d.d. 14 juni 2001 aan [partij B], is onder meer het volgende vermeld:

“Mammografie:

Bdz is nog duidelijk verspreid klierweefsel aanwezig. Links verder geen bijzonderheden. Rechts is lateraal een verdichting te zien, ovaal. Afmeting 3 bij 1,5 cm. Benigne aspect. Verder geen pathologische microcalcificaties.

Echo mammae:

Links echografisch geen afwijkingen. Rechts is lateraal op overgang van lateraal boven- en onderkwadrant ter plaatse van de te palperen weerstand echografisch een hypodense circumscripte verandering te zien, aan de contour glad afgrensbaar. Diameter 2,5 bij 1,3 cm. Hierbinnen echoreflecties. Beeld kan passen bij een fibroadenoom.”

3.1.3. Op 21 juni 2001 heeft [partij A] telefonisch geïnformeerd naar de uitslag van de onderzoeken. Zij is daarbij te woord gestaan door [S].

3.1.4. Op 21 mei 2002 heeft [partij A] zich nogmaals tot [partij B] gewend in verband met de nog steeds aanwezige knobbel in haar rechterborst. [partij B] heeft haar toen na onderzoek doorverwezen naar de chirurg [F] voor verdere behandeling. Deze heeft cytologisch onderzoek verricht waaruit bleek dat het een kwaadaardige tumor betrof. Vervolgens is [partij A] op 12 juli 2002 in het Maasziekenhuis te Boxmeer opgenomen voor een operatieve behandeling. Op 26 juli 2002 werd een tweede operatie uitgevoerd en op 30 augustus 2002 werd de gehele borst van [partij A] afgezet. Vervolgens vond chemotherapie plaats.

3.1.5. De NHG-Standaard Mammografie vermeldt op bladzijde 184 onder meer:

“De uitslag

(…)

Naast de tekst behoren de rapporten volgens de consensus mammografie een code O/N/B/D/S/M te bevatten.

(…)

– B = radiologisch Benigne

De kans op maligniteit is bij deze uitslag kleiner dan 5 %. Aanvullend kan echografie worden verricht. Blijkt het daarbij om een cyste te gaan, dan is de goedaardigheid zeker en controle niet nodig, gaat het om een solide tumor, dan:

- Macroscopische controle na 1 jaar, tenzij het klinisch beeld tussentijds verandert.

Afhankelijk van de indicatie waarop de mammografie werd verricht, kan voor het beleid in de tussentijd worden gekozen uit:

- controle bij de huisarts om de 3-6 maanden, zolang de vrouw zelf geen veranderingen opmerkt;

- verwijzing naar de chirurg, voor meer zekerheid en/of extirpatie (sommige vrouwen voelen zich geruster als een knobbeltje toch wordt verwijderd; bij die afweging moet worden betrokken dat het littekenweefsel later de interpretatie van palpatoire bevindingen kan bemoeilijken).”

3.2. Standpunt partijen

3.2.1. Standpunt [partij A]

[partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij B] een verkeerde diagnose heeft gesteld en haar ten onrechte niet eerder heeft doorgestuurd naar een chirurg. Na de onderzoeken in juni 2001 heeft [partij B] haar medegedeeld dat de knobbel goedaardig was en vanzelf zou verdwijnen, zodat zij niet terug hoefde te komen voor controle of verdere behandeling. De te laat gestelde juiste diagnose heeft ertoe geleid dat [partij A] tot drie maal toe moest worden geopereerd wat zeer belastend voor haar is geweest. Tevens is er sprake van uitzaaiingen, waardoor zij chemotherapie moest en moet ondergaan en waardoor zij in de voortdurende angst verkeert voor nieuwe kwaadaardige gezwellen. Ook kan zij zeker vijf jaar geen kinderen krijgen. [partij B] heeft niet de vereiste zorgvuldigheid betracht waardoor hij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

Op [partij B] rust de bewijslast dat indien wel tijdige verwijzing had plaatsgevonden en er tussentijdse controles hadden plaatsgevonden, de knobbel ook kwaadaardig zou zijn geweest en er dientengevolge uitzaaiingen zouden zijn ontstaan, zodat het nalatig handelen van [partij B] niet ter zake doet.

[partij A] lijdt materiele schade erin bestaande dat zij extra reiskosten heeft moeten maken en haar broer uit de Verenigde Staten heeft moeten laten overkomen, welke kosten tezamen worden gesteld op € 3.200,00. Tevens maakt zij aanspraak op schadevergoeding voor toekomstige te derven inkomsten. De rest van het gevorderde bedrag - zo begrijpt de rechtbank – baseert zij op een vergoeding voor immateriële schade.

3.2.2. Standpunt [partij B]

[partij B] stelt dat de geneeskundige behandeling van [partij A] is uitgevoerd met inachtneming van de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts mag worden verwacht. Hem kan geen toerekenbare tekortkoming worden verweten, zodat [partij A] geen recht heeft op enige vorm van schadevergoeding. Toen [partij A] naar de uitslag van de onderzoeken in juni 2001 informeerde, is haar door [S] medegedeeld dat er een zichtbare afwijking in de rechterborst was geconstateerd en dat het van belang was dat [partij A] zich op korte termijn zou wenden tot [partij B] teneinde eventuele vervolgstappen te bespreken. [S] heeft daarbij geheel conform de NHG-standaard gehandeld. Op basis van de gegevens die [partij B] ter beschikking stonden bestond in juni 2001 geen aanleiding om [partij A] naar de tweede lijn door te verwijzen, omdat er geen aanwijzingen waren voor maligniteit. Wel was noodzakelijk om de ontwikkeling van het beeld in de gaten te houden door tussentijdse controles. [partij A] heeft zich echter pas weer op 21 mei 2002 tot [partij B] gewend en zich daarmee niet aan de afgesproken controle gehouden.

Voor zover al sprake zou zijn van een tekortkoming van de zijde van [partij B] dan staat nog niet vast dat de schade die [partij A] heeft geleden daarvan het gevolg is, terwijl evenmin vaststaat dat een eerdere verwijzing tot een voor [partij A] beter resultaat zou hebben geleid. In dit verband wordt betwist dat er sprake zou zijn van uitzaaiingen. [partij B] heeft voldaan aan de verzwaarde stelplicht, zodat de bewijslast voor het toerekenbaar tekortschieten en de dientengevolge geleden schade op [partij A] rust. Voorts wordt de omvang van de schade betwist.

3.3. Het geschil en de beoordeling

3.3.1. [partij A] verwijt [partij B] dat hij haar niet in 2001, direct na het mammografisch onderzoek, doorgestuurd heeft naar een chirurg ter behandeling van de knobbel in haar rechterborst dan wel haar opgeroepen heeft voor controle en / of behandeling.

3.3.2. [partij A] stelt dat een andere arts [partij A] in dezelfde situatie onmiddellijk zou hebben doorverwezen voor verder onderzoek naar een chirurg. [partij A] baseert zich daarbij op een voorlichtingsbrochure van de afdeling radiologie van het Maasziekenhuis en stelt dat een dergelijke brochure verwachtingen bij een patiënt wekt, zodat ook andere artsen zich aan de gegeven informatie dienen te houden.

3.3.3. [partij B] stelt zich daarentegen terecht op het standpunt dat – nog afgezien van het feit dat in de brochure van het ziekenhuis niet de taak van de huisarts wordt beschreven en [partij A] daaraan dan ook geen verwachtingen voor diens handelwijze kon ontlenen – in die brochure niets anders staat dan dat de patiënt weer contact op dient te nemen met de huisarts. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van [partij A], dat een andere arts wel zou doorverwijzen, ongemotiveerd en niet gedocumenteerd, terwijl die bovendien weersproken wordt door de door [partij A] overgelegde NHG-standaard. Daarmee is het eerste door [partij A] aan [partij B] gemaakte verwijt ongegrond.

3.3.4. [partij A] stelt voorts dat [partij B] haar bij het haar op de hoogte stellen van de uitslag van de onderzoeken onjuist heeft voorgelicht door haar mede te delen dat de knobbel goedaardig was en vanzelf zou verdwijnen en dat zij zich niet verder onder behandeling hoefde te stellen. [partij B] erkent dat dat een onjuiste handelwijze zou zijn geweest, maar stelt dat de toedracht een andere is, namelijk dat [partij A] is medegedeeld dat zij zich tot [partij B] zou dienen te wenden teneinde evenuele vervolgstappen te bespreken.

3.3.5. Partijen verschillen niet van mening dat in het onderhavige geval de te dezen te volgen handelwijze van de huisarts is beschreven in de NHG-Standaard mammografie, die beide partijen (gedeeltelijk) als productie hebben overgelegd. Partijen verschillen er evenmin over van mening dat het beschrevene op bladzijde 184 en met name het hiervoor in rechtsoverweging 3.1.5. weergegevene van toepassing is op de ziektesituatie van [partij A]. Indien er derhalve vanuit gegaan zou moeten worden dat [partij B], of namens hem [S], de informatie gegeven heeft waarvan [partij B] stelt dat die gegeven is, dan moet tot de slotsom gekomen worden dat [partij B] te dezen heeft gehandeld zoals van hem als huisarts van [partij A] kan worden gevergd. [partij B] heeft echter – gelet op de op hem rustende verzwaarde stelplicht – onvoldoende gesteld om er vanuit te kunnen gaan dat van zijn zijde de gestelde mededelingen zijn gedaan.

3.3.6. In beginsel dient [partij A] haar stelling te bewijzen dat [partij B] een fout heeft gemaakt door haar er niet op te wijzen dat zij zich voor controle en eventuele vervolgbehandeling op korte termijn tot hem had moeten wenden. Van [partij B] mag volgens vaste jurisprudentie gevergd worden dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stelling van [partij A]. [partij B] dient in dat kader niet alleen een zo nauwkeurig mogelijke lezing te geven van hetgeen tijdens het gesprek naar aanleiding van de uitslag naar voren is gebracht, maar ook gegevens te verstrekken waarover hij de beschikking heeft of behoorde te hebben. In die laatste verplichting is hij tekortgeschoten. Het had op zijn weg gelegen de patiëntenkaart of ander stuk over te leggen waarop aantekening is gemaakt van de aan [partij A] verstrekte adviezen en gemaakte afspraken.

3.3.7. De rechtbank ziet in het feit dat [partij B] geen nauwkeurig verslag beschikbaar stelt reden om niet [partij A], maar [partij B] te belasten met het bewijs van zijn stelling omtrent de aan [partij A] gegeven voorlichting. Dat [partij B] in de gedingstukken wel een verklaring van [S] heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verklaring is enkele jaren na het telefoongesprek opgemaakt en is niet (controleerbaar) gebaseerd op een kort na het gesprek in het dossier gemaakte aantekening. Aan de lezing van [partij B] over de gang van zaken destijds komt zonder een deugdelijk verslag geen doorslaggevende betekenis toe.

3.3.8. De vraag welke informatie van de zijde van [partij B] aan [partij A] is verstrekt zou echter onbeantwoord kunnen blijven en voor een bewijsopdracht zou geen plaats zijn, indien de stelling van [partij A] gevolgd zou moeten worden dat [partij B], ook al zou hij de in de NHG-standaard voorgeschreven informatie aan [partij A] hebben verschaft, bij het uitblijven van actie van de zijde van [partij A], haar had dienen op te roepen voor onderzoek, onder meer om zich ervan te vergewissen dat [partij A] de boodschap goed had begrepen. Deze stelling heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. In het algemeen kan er vanuit worden gegaan dat, gezien de uitslag van het onderzoek, waarbij de kans op een kwaadaardige tumor in het ook door [partij A] overgelegde NHG-standaard op 5 % wordt geschat, het tot de verantwoordelijkheid van de patiënt behoort – mits goed voorgelicht - om zich voor controle tot de huisarts te wenden indien de klachten aanwezig blijven.

3.3.9. De slotsom is dan ook dat [partij B] zal worden toegelaten tot het bewijs van de stelling dat aan [partij A] bij de uitslag van de radiologische onderzoeken is medegedeeld dat zij zich voor controle en/of behandeling diende te wenden tot [partij B]. [partij B] kan zich er bij akte over uitlaten of, en zo ja op welke wijze, hij dit bewijs wil leveren.

3.3.10. Indien [partij B] niet in het bewijs slaagt, staat vast dat hij niet heeft voldaan aan de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts en een beroepsfout heeft gemaakt. In dat geval dienen de verweren van [partij B] dat geen sprake is van causaal verband tussen de schade en het handelen of nalaten van [partij B] besproken te worden.

3.3.11. Indien [partij B] wel in het bewijs slaagt, staat daarmee vast dat hij niet tekort is geschoten in de nakoming van de zorgovereenkomst en is er geen grond voor toewijzing van de vordering.

3.3.12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

4. BESLISSING

De rechtbank:

Laat [partij B] toe tot het bewijs van de stelling dat aan [partij A] bij de uitslag van de radiologische onderzoeken in juni 2001 is medegedeeld dat zij zich voor controle en/of behandeling tot hem diende te wenden.

Verwijst de zaak naar de rol van woensdag 8 december 2004 te 10.00 uur, ambtshalve peremptoir, voor akte aan de zijde van [partij B], als bedoeld in rechtsoverweging 3.3.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Smeele, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.