Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR7786

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
17-12-2004
Zaaknummer
1146682 / HA ZA 04-1870 ; 114684 / HA ZA 04-1871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Plan van toedeling. Natuur-en Milieuorganisaties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummers : 114682 / HA ZA 04-1870 en 114684 / HA ZA 04-1871

Datum uitspraak : 13 oktober 2004

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, gewezen op het bezwaarschrift tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling St. Oedenrode, blok Schijndel (bezwaarnummers 1 en 4), van:

1. de stichting Brabantse Milieu Federatie (BMF),

gevestigd te Tilburg,

gemachtigde: mr. M.B.Ph. Geeraedts,

en

2. a. [reclamant],

gevestigd te [woonplaats],

b. [reclamant],

gevestigd te [woonplaats],

c. [reclamant], gevestigd te [woonplaats],

gemachtigden: Milieugroepen Landinrichting Sint-Oedenrode (MLO),

gevestigd te Schijndel,

en

mr. M.B.Ph. Geeraedts,

reclamanten.

1. De procedure

1.1. De door Reclamanten verwoorde bezwaren zijn eerder behandeld door de commissie en door de rechter-commissaris, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt, die als hier opgenomen moeten worden beschouwd.

1.2. Vervolgens heeft de rechtbank de bezwaren behandeld ter terechtzitting van 14 september 2004, waar Reclamanten en mr. Geeraedts zijn verschenen alsmede vertegenwoordigers van de betrokken Landinrichtingscommissie en van de Minister van LNV (hierna gezamenlijk 'de commissie' te noemen) en van de Dienst Landelijk Gebied alsmede de aan de commissie toegevoegde ingenieur van het kadaster.

Partijen hebben hun standpunt bepleit, mede aan de hand van een pleitnota, die zij hebben overgelegd.

1.3. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, waarna zij de uitspraak heeft bepaald.

1.4. Bij brief van haar gemachtigde van 24 september 2004, ter griffie ingekomen op 24 september 2004, heeft BMF haar statuten aan de rechtbank toegezonden.

1.5. Op 29 september 2004 heeft de rechtbank op het bezwaarschrift van MLO een tussenvonnis gewezen, waarbij MLO en de commissie in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk hun standpunt te geven over een drietal volmachten, die de rechtbank op 28 september 2004 had ontvangen.

Het standpunt van MLO is op 3 oktober 2004 per fax ter griffie ontvangen, het standpunt van de commissie op 8 oktober 2004.

2. De bezwaren

2.1. Reclamanten hebben ter zitting van de rechtbank primair geconcludeerd tot nietigverklaring van het plan van toedeling en subsidiair tot vernietiging van dit plan van toedeling. Meer subsidiair hebben zij geconcludeerd, dat de behandeling van de bezwaren overgedaan dient te worden met benoeming van een terzake deskundige. Zij hebben voorts geconcludeerd, dat de commissie in de kosten behoort te worden veroordeeld.

De primaire en de subsidiaire conclusie zijn onderbouwd met onder meer een aantal bezwaren verband houdende met de Wet van 22 april 2004 (Stb. 2004, 223) tot wijziging van de Landinrichtingswet en de daarin opgenomen overgangsbepalingen.

De meer subsidiaire conclusie is onderbouwd met bezwaren tegen de inhoud van het plan van toedeling.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inhoud van haar statuten blijkt, dat de stichting BMF als belanghebbende kan worden aangemerkt.

De raadsvrouwe van MLO heeft in haar brief van 3 oktober 2004 gesteld, dat MLO een samenwerkingsverband is van in het landinrichtingsgebied Sint-Oedenrode en omgeving werkzame natuur- en milieuorganisaties, die ook zijn aangesloten bij de Brabantse Milieufederatie. Het gaat om:

- [reclamant sub 1]

- [reclamant sub 2]

en

- [reclamant sub 3].

Deze verenigingen en stichting hebben MLO gemachtigd om namens hen op te treden in de procedures inzake het plan van toedeling van het blokdeel Schijndel.

Bij de genoemde brief zijn de statuten van de genoemde verenigingen en stichting gevoegd evenals schriftelijke volmachten, waaruit blijkt dat MLO gemachtigd is namens de verenigingen en de stichting in dit geding op te treden.

De commissie heeft gesteld, dat MLO op 3 januari 2001 op eigen naam een bezwaarschrift tegen het plan van toedeling heeft ingediend, waaruit niet blijkt, dat dit - mede - is geschied namens de genoemde verenigingen en stichting.

Statuten van MLO zijn niet aangeboden en ook is niet toegelicht op welke gronden zij anderszins als rechtspersoon-belanghebbende dient te worden aangemerkt.

Volgens de commissie kan MLO niet als belanghebbende worden aangemerkt.

Hoewel aan de commissie kan worden toegegeven, dat uit het door MLO ingediende bezwaarschrift niet met zoveel woorden blijkt, dat zij als gevolmachtigde optreedt, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van hetgeen de raadsvrouwe van MLO in haar brief van 3 oktober 2004 heeft gesteld.

Gezien het gebruikte briefhoofd immers presenteert MLO zich in het bezwaarschrift als een samenwerkingsverband van (onder meer) de genoemde verenigingen en stichting. Dit is niet in strijd met hetgeen in de brief van 3 oktober 2004 is gesteld.

Hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld behoefde bepaald aanvulling en verduidelijking, maar deze zijn thans gegeven.

Dit alles brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich, dat niet MLO belanghebbende en procespartij is maar de genoemde verenigingen en stichting als zodanig hebben te gelden en hun door MLO verwoorde belangen in deze procedure aan de orde zijn.

De rechtbank zal BMF en de genoemde verenigingen en stichting in het vervolg gezamenlijk als "reclamanten" aanduiden.

De bezwaren van reclamanten zijn tijdig bij de commissie ingediend

3.2. In haar tussenvonnis van 11 februari 2003 heeft de rechtbank Groningen geoordeeld, dat het besluit van de Centrale Landinrichtingscommissie, waarbij haar bevoegdheden werden gemandateerd aan haar secretaris - kort gezegd - ongeldig was wegens strijd met de Algemene Wet Bestuursrecht.

De Wet van 22 april 2004 beoogt de door de rechtbank Groningen geconstateerde onvolkomenheden te "repareren".

Reclamanten stellen, dat ondanks de bepalingen van deze wet het mandaatsbesluit van de CLC van 22 maart 1996 ongeldig is gebleven, althans non-existent is, omdat huns inziens op 22 maart 1996 geen Centrale Landinrichtingscommissie functioneerde. Van de bij Koninklijk Besluit van 6 december 1990 benoemde leden van de CLC immers was de benoemingsperiode van vijf jaren verstreken en de opvolgende leden van de CLC werden eerst bij Koninklijk Besluit van 19 juni 1996 benoemd. Op 22 maart 1996 was dus geen CLC bijeen en kan door haar geen besluit zijn genomen.

De commissie brengt hier tegen in, dat de nieuwe leden van de CLC werden benoemd met terugwerkende kracht tot 22 oktober 1995 en dat de CLC die op 22 maart 1996 tot mandatering besloot op dat moment bijeen was in de nieuwe samenstelling. Bovendien heeft de CLC in haar vergadering van 28 juni 1996 de notulen van de vergadering van 22 maart 1996 formeel vastgesteld en daarmee het mandaatsbesluit bevestigd.

De rechtbank stelt voorop, dat de wetgever uitgaat van de aanwezigheid van het mandaatsbesluit van de CLC van 22 maart 1996 en dit in de Wet van 22 april 2004 in artikel V heeft vastgelegd. Van het bestaan van dit besluit dient de rechtbank derhalve uit te gaan.

Bovendien kan de rechtbank, hoewel vast staat, dat de leden van CLC op 22 maart 1996 nog niet waren benoemd, zich ook om andere redenen niet vinden in het standpunt van reclamanten. Bij het KB van 19 juni 1996 werden de leden van de CLC benoemd "te rekenen vanaf 21 oktober 1995" en derhalve aansluitend aan de benoemingsduur van de leden van de voorgaande CLC. Nu door reclamanten niet is bestreden, dat de CLC in de nieuwe samenstelling het besluit van 22 maart 1996 heeft genomen staat ook dit vast. Dit leidt tot de conclusie, dat op 22 maart 1996 een CLC in functie was althans besluiten kon nemen, die thans als geldig moeten worden beschouwd.

3.3. In dit verband hebben reclamanten betoogd, dat de Minister van LNV in de Eerste Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van het lid van de kamer Van de Beten heeft verklaard bereid te zijn op dit punt met een nieuwe reparatiewet te komen en dat deze er nog niet is.

De commissie heeft gesteld dat de minister heeft gezegd de bezwaren van Van de Beten niet te delen, maar bereid te zijn met nieuwe reparatiewetgeving te komen omwille van de voortgang van de aanhangige reparatiewet en daarmee van de op dat moment stilliggende landinrichtingsprojecten.

Dit laatste is door reclamanten niet meer bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet gezegd worden, dat de minister in de eerste kamer heeft erkend, dat de reparatiewet gebreken vertoonde. Bovendien moet de rechtbank uitgaan van de wet, zoals die in de Tweede en Eerste kamer is aangenomen en in het Staatsblad is gepubliceerd.

De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van reclamanten dat het plan van toedeling, gezien de wijze van totstandkoming, nietig is.

3.4. Reclamanten hebben zich voorts beroepen op de strijdigheid van artikel V van de reparatiewet met artikel 6 EVRM eerste lid. Het legaliteitsbeginsel en het recht op een "fair trial" verbieden immers elke vorm van tussenkomst van de wetgevende macht in de rechtspraak om de gerechtelijke uitkomst van een geschil te beïnvloeden, waarbij de Staat zelf partij is.

De commissie heeft in er dit verband op gewezen, dat de nieuwe wetgeving geen afbreuk doet aan het recht van elke belanghebbende om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over een geschil en dat de reparatiewet op geen enkele wijze ingrijpt in de materiële beslissing over dit geschil. Voorts betwist de commissie dat de Staat en commissie met elkaar mogen worden vereenzelvigd.

De rechtbank is van oordeel, dat de Staat niet met de commissie kan worden vereenzelvigd. De commissie is niet door de Staat maar door het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant benoemd ter vervulling van in de Landinrichtingswet omschreven taken. Dit zijn andere taken dan die van de minister of de Staat.

Anderzijds is niet gesteld of gebleken, dat de commissie invloed heeft gehad op de totstandkoming van de reparatiewet, zodanig dat gezegd kan worden, dat zij haar eigen positie in de procedure over de behandeling van de bezwaren heeft beïnvloed. Feitelijk is van bevoordeling van de Staat of van de commissie of benadeling van reclamanten en andere bezwaarmakers als gevolg van de reparatiewet geen sprake geweest. De reparatiewet heeft immers slechts een onvolkomenheid hersteld, die voortvloeide uit een eerder besluit, namelijk dat tot waarneming van de in de Landinrichtingswet genoemde taken van de Centrale Landinrichtingscommissie, vooruitlopend op de opheffing van deze commissie. Van enige parallel met de casus, die ten grondslag lag aan de beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 9 december 1994, (NJ 1996,592) is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van reclamanten dat het plan van toedeling op deze grond behoort te worden vernietigd.

3.5. Reclamanten hebben aangevoerd, dat zij belang hebben bij nietigverklaring of vernietiging van het plan van toedeling, omdat zij nimmer in de gelegenheid zijn gesteld om kenbaar te maken wat zij van hun belangen important achten om mee te wegen bij de behandeling van de bezwaren.

Na het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2002 - (NJ 2002, 596; AB 2002, 334), waarbij werd beslist, dat rechtspersonen, die krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden het belang van milieu en van natuur- en landschapsbehoud behartigen, mede als belanghebbenden in de zin van artikel 200 van de Landinrichtingswet dienen te worden beschouwd - zou de commissie reeds 400 van de 500 bezwaren hebben behandeld, waarbij geen rekening met de belangen van reclamanten zou zijn gehouden. Ook toen de commissie aan de behandeling van hun bezwaren toekwam zou de commissie telkens en zonder motivering de landbouwbelangen voorrang hebben gegeven.

De rechtbank acht deze argumenten onjuist en ongegrond.

Dat reclamanten niet zijn uitgenodigd voor de wenszitting vloeit voort uit de Landinrichtingswet. Niet is gesteld of gebleken, dat zij zich in dat stadium bij de commissie hebben gemeld met het verzoek hun visie te mogen bepleiten.

Dat de commissie het arrest van de Hoge Raad heeft afgewacht alvorens de door reclamanten ingediende bezwaren in behandeling te nemen kan de commissie niet kwalijk worden genomen. Dat intussen andere bezwaren wel zijn behandeld doet aan de rechten van reclamanten niet af. Ingevolge de Landinrichtingswet neemt de commissie immers geen besluit naar aanleiding van de bezwaren maar onderzoekt deze en tracht overeenstemming te bereiken.

Uit de processen-verbaal die de commissie over de behandeling van de bezwaren van reclamanten heeft opgemaakt kan de rechtbank niet afleiden, dat de commissie deze bezwaren niet voldoende serieus heeft genomen. De commissie heeft veel moeite gedaan de bezwaren letterlijk en figuurlijk "in kaart" te brengen en heeft over elk bezwaarpunt een standpunt geformuleerd en dit - kort maar voldoende duidelijk - beargumenteerd.

Dat de commissie het standpunt van reclamanten niet heeft gevolgd is niet van belang voor het antwoord op de vraag of het plan van toedeling moet worden vernietigd of nietig verklaard. Het is immers aan de rechtbank een beslissing te nemen over de bezwaren, waarover de commissie en de rechter-commissaris geen overeenstemming tussen de diverse belanghebbenden konden bereiken.

3.6. Hetgeen reclamanten hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun conclusie dat het plan van toedeling nietig moet worden verklaard dan wel moet worden vernietigd acht de rechtbank gezien hetgeen hiervoor is overwogen onjuist en ongegrond.

3.7. De rechtbank dient derhalve toe te komen aan de behandeling van de inhoudelijke bezwaren tegen het plan van toedeling, waarbij eerst onder ogen moet worden gezien wat deze bezwaren zijn.

Reclamanten hebben binnen de termijn van artikel 200 van de Landinrichtingswet schriftelijk bezwaren bij de commissie ingediend. Later, na het verstrijken van deze termijn, hebben zij aanvullende voorbeelden gegeven van (onder meer) cultuurhistorisch belangrijke landschapselementen, die huns inziens niet op de juiste wijze zouden zijn toegedeeld.

Ter zitting van de rechtbank is de vraag besproken of deze aanvullende voorbeelden als onderbouwing van de reeds ingediende bezwaren moesten worden beschouwd of als afzonderlijke bezwaren. Reclamanten hebben zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De commissie heeft het standpunt ingenomen, dat de bedoelde voorbeelden als nieuwe bezwaren moesten worden aangemerkt en niet in behandeling behoefden te worden genomen, omdat deze buiten de bezwarentermijn zijn ingediend.

BMF heeft in haar bezwaarschrift van 3 januari 2001 naar meer dan zestig waardevolle kavelgrenzen verwezen, die zij op bij haar bezwaarschrift gevoegde kaartjes had aangegeven, alles ter onderbouwing van haar stelling, dat deze kavelgrenzen middels het plan van toedeling behoren te worden beschermd. In haar faxbrief van 31 oktober 2002 aan de commissie heeft zij gesteld, "dat de gespecificeerde locaties slechts voorbeelden zijn op basis van een quick scan en geen volledig beeld geven van alle waardevolle elementen waar het Plan van Toedeling in onze ogen ten onrechte niet in bescherming voorziet".

In haar faxbrief van 6 januari 2003 aan de commissie spreekt BMF van een "nadere specificatie van onze bezwaren", in het kader waarvan zij haar "eerdere quick scan van zestig voorbeelden" heeft kunnen uitbreiden. De bij deze brief aangeleverde inventarisatie "pretendeert nog geen volledigheid, maar kan uitstekend als basis dienen voor het door ons in ons bezwaarschrift gevraagde onderzoek/toetsing respectievelijk de beoordeling, die de Provincie gaat maken van het Plan van Toedeling m.b.t. bescherming van cultuurhistorie".

Ook MLO heeft in haar bezwaarschrift verwezen naar bijlagen in de vorm van kaarten, waarop voorbeelden zijn weergegeven van haars inziens niet juist toegedeelde kavelgrenzen en een aantal "suggesties" worden gedaan voor uitbreiding van het wegen- en padenpatroon op oude maar verdwenen tracés.

Tijdens de bezwarenbehandeling door de commissie heeft MLO nog "nieuwe gevallen" aan de eerder gegeven voorbeelden en suggesties toegevoegd en wel bij brief van 2 april 2003.

Uit de gebruikte formuleringen en de wijze waarop reclamanten hun bezwaren hebben ingericht begrijpt de rechtbank, dat zij geen nieuwe bezwaren hebben willen indienen, maar slechts hun reeds geformuleerde bezwaren nader hebben willen onderbouwen.

Zou dit anders zijn, dan zouden de na de termijn van artikel 200 van de Landinrichtingswet aan de commissie voorgelegde gevallen niet ontvankelijk zijn wegens overschrijding van de termijn.

Anderzijds brengt de hiervoor weergegeven conclusie met zich, dat niet alle voorbeelden afzonderlijk behoeven te worden behandeld.

Dit en het feit, dat de rechtbank niet aannemelijk acht, dat reclamanten enerzijds en de commissie en alle in de voorbeelden betrokken belanghebbenden anderzijds alsnog tot overeenstemming komen over de niet door de commissie behandelde voorbeelden van onderbouwing van de bezwaren, leidt ertoe dat de rechtbank onvoldoende reden ziet de zaak naar de commissie terug te verwijzen.

3.8. In haar bezwaarschrift van 3 januari 2001 formuleert BMF - kort samengevat - de volgende inhoudelijke bezwaren tegen het plan van toedeling:

1. In een viertal deelgebieden is bij het maken van de nieuwe verkaveling onvoldoende rekening gehouden met het cultuurhistorische kavelpatroon. BMF verwijst voor een nadere detaillering naar het bezwaarschrift van MLO.

2. Het plan van toedeling biedt onvoldoende bescherming tegen het risico van het verdwijnen van waardevolle landschapselementen, zoals kavelgrenzen met beplantingen, zandpaden en steilranden. In haar bezwaarschrift verwijst BMF naar een lijst van zestig voorbeelden, die zoals gezegd later aanzienlijk is uitgebreid.

3. Voor zover de ecologische verbindingszone van Aadal naar Dommeldal een bedreiging vormt van cultuurhistorische patronen, is Staatsbosbeheer bereid om in samenspraak met alle partijen tot een andere invulling te komen.

BMF doet deze bezwaren steunen op de volgende overwegingen:

* Het in het plan van toedeling betrokken gebied heeft een bijzondere status gekregen in het rijks- en provinciaal beleid. Als gevolg hiervan moet bij de afweging van belangen een zwaar gewicht worden toegekend aan een goede bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

* Deze landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn in het betrokken gebied nog zeer gaaf aanwezig.

* De ruilverkaveling vormt als gevolg van het massaal samenvoegen van eigendommen en kavels ten behoeve van een rationelere agrarische bedrijfsvoering een verhoogd risico op het verdwijnen van vele waardevolle kavelgrenzen. BMF stelt, dat het van groot belang is maximaal gebruik te maken van de oude kavelgrenzen voor de nieuwe toedeling.

Op grond van deze overwegingen stelt BMF, dat "de lat" bij de beoordeling van het plan van toedeling "heel hoog" mag en moet worden gelegd. Eigenlijk zou, aldus BMF, een volwaardige onafhankelijke toetsing, op initiatief van Rijk en provincie op zijn plaats zijn.

3.9. In haar bezwaarschrift van 3 januari 2001 formuleert MLO - kort samengevat - de volgende bezwaren:

1. Op sommige plaatsen is sprake van kavelgrensbeplantingen die niet op de nieuwe toedelingsgrenzen liggen.

2. In een aantal gevallen doorsnijden de nieuwe kavelgrenzen oude esdekken op een zodanige wijze, dat deze groot gevaar lopen om op grond van functionele motieven geëgaliseerd te worden, waardoor eeuwenoude structuren ernstig aangetast worden. De nieuwe kavelgrenzen moeten, aldus MLO, zo worden aangepast, dat ze geen oud reliëf doorsnijden.

3. Op een aantal plaatsen zijn de oude kavelgrenzen niet behouden, waardoor cultuurhistorische waardevolle elementen en ontginningstypen verloren gaan. MLO verwijst met name naar "Het Woud" en "De Genenberg".

4. MLO stelt, dat "een landinrichtingsplan" bij uitstek een middel is om aantrekkelijk waardevol landschap te ontsluiten ten behoeve van de stille recreatie. In een oud cultuurlandschap kunnen nieuwe paden dienen om aan landschapsreconstructie te doen door verdwenen tracés weer te laten herleven.

MLO verzoekt de commissie om in samenspraak met de betrokken gemeenten en grote terreinbeheerders het wegen en padenpatroon te versterken door uitbreiding op verdwenen tracés.

3.10. De commissie heeft aangaande deze bezwaren - eveneens kort samengevat - het volgende standpunt ingenomen:

* Het plan van toedeling is een goed afgewogen, integraal plan, waarin de doelstellingen van natuur, landschap, cultuurhistorie, recreatie, waterbeheersing, ontsluiting en landbouw, zoals opgenomen in het landinrichtingsplan op een juiste wijze zijn vertaald. Bovendien zijn in de loop van de ruilverkaveling al veel maatregelen genomen ter bescherming en uitbreiding van natuur en landschap.

* Enkele bezwaren hebben betrekking op gronden, die reeds aan openbare lichamen of natuurbeherende instanties zijn toegewezen ingevolge artikel 142, 1b Landinrichtingswet. Deze maken geen deel uit van het plan van toedeling.

* Voor zover de bezwaren betrekking hebben op wegen en paden, die naar het oordeel van reclamanten toegedeeld hadden moeten worden aan de gemeente of een natuurbeherende instantie, zodat instandhouding gewaarborgd is, geldt dat reclamanten voor deze bezwaren hadden moeten opkomen in de procedure over het Landinrichtingsplan. In dit plan wordt de keuze gemaakt welke gronden in eigendom, beheer en onderhoud aan een openbaar lichaam of een natuurbeherende instantie moeten worden toegewezen.

* Het plan van toedeling kan niet tornen aan de rechten van een rechthebbende, die conform zijn inbreng krijgt toebedeeld.

* Een eigenaar heeft recht op een toedeling, die de vergelijking met zijn inbreng kan doorstaan. Wanneer aan een aantal van de bezwaren van reclamanten tegemoetgekomen zou worden zou dit leiden tot een toedeling, waarbij de belangen van derden onevenredig zouden worden geschaad. In deze gevallen hebben reclamanten aan de commissie ten tijde van de behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris alternatieve toedelingsvoorstellen doen toekomen waarvan de commissie stelt, dat deze voorstellen inderdaad een aanpassing van de door reclamanten betwiste kavelgrenzen bevatten, maar vervolgens wordt geen alternatief geboden voor de toedeling van de betrokken belanghebbenden. Reclamanten miskennen daarmee, aldus de commissie, de complexiteit van het plan van toedeling en gaan eraan voorbij, dat door wijziging van een grens een domino-effect optreedt.

* Reclamanten hebben niet aangegeven op welk punt het plan van toedeling expliciet strijdig is met het landinrichtingsplan.

* Het plan van toedeling is een momentopname, waarna eigendomssituaties zich doorlopend wijzigen. De bescherming van de belangen waarvoor reclamanten opkomen kan naar het oordeel van de commissie enkel door middel van een bestemmingsplan plaatsvinden.

3.11. Bij de beoordeling van de bezwaren dient de rechtbank uit te gaan van de richtlijnen voor het plan van toedeling, zoals die zijn goedgekeurd op 20 oktober 2000 en van het landinrichtingsplan als bedoeld in de artikelen 73 en volgende van de Landinrichtingswet.

Dit plan is vastgesteld door het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 28 oktober 1986 en in verband met het voortschrijdend inzicht in onder meer de landschappelijke waarde van het gebied gewijzigd bij besluit van hetzelfde college van 24 april 1996.

Ook is dit plan enkele malen uitgewerkt en uitgebreid, voor het laatst bij besluit van 10 oktober 2000.

Volgens de bepalingen van de Landinrichtingswet komt de besluitvorming over de richtlijnen en het landinrichtingsplan niet aan de rechtbank toe. De discussie over de inhoud van deze richtlijnen en dit plan kan in de procedure over het plan van toedeling niet worden overgedaan.

De richtlijnen en het plan staan vast en dienen als basis voor de vaststelling van het plan van toedeling en derhalve ook voor de beoordeling van de bezwaren.

3.12. Dat het plan van toedeling afwijkt van de richtlijnen en de uitgangspunten van het landinrichtingsplan is door reclamanten wel in zijn algemeenheid gesteld maar nergens aan de hand van concrete feiten onderbouwd. In deze zin zijn de bezwaren van reclamanten onvoldoende onderbouwd.

3.13. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken, dat het plan van toedeling strijdig is met de richtlijnen en het landinrichtingsplan.

Reclamanten hebben voornamelijk bezwaar gemaakt tegen het feit, dat in een aantal gevallen waardevolle landschapselementen niet als kavelgrens in het plan van toedeling zijn opgenomen.

De commissie heeft dit niet betwist maar onder meer gesteld, dat de reden hiervoor is, dat de toedeling niet van de inbreng afweek of dat een agrarisch belang zich hiertegen verzette.

Deze argumenten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de richtlijnen, noch met de uitgangspunten van het landinrichtingsplan.

Ter zitting van de rechtbank zijn enkele van de door reclamanten aangevoerde voorbeelden aan de orde geweest en daarbij is de juistheid van het standpunt van de commissie gebleken. De door reclamanten gepresenteerde alternatieve toedelingen leidden er weliswaar toe, dat een landschappelijk waardevol element (opnieuw) als kavelgrens zou kunnen functioneren, maar het gevolg daarvan is, dat slecht gevormde agrarische kavels resteren.

3.14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de commissie terecht aangevoerd, dat bij het vaststellen van een plan van toedeling voortdurend een afweging gemaakt moet worden tussen de diverse in het geding zijnde belangen waaronder die van de natuur, landbouw en cultuurhistorie.

Dat deze afweging in het geheel niet is gemaakt, zoals door de raadsvrouwe van reclamanten ter zitting van de rechtbank is betoogd, is door de commissie met kracht van argumenten bestreden. Deze argumenten zijn door reclamanten onvoldoende gemotiveerd bestreden.

Zo heeft de commissie in dit verband gesteld, dat het landinrichtingsplan al 18 jaar in uitvoering is en dat daarbij al vele voorzieningen ten gunste van natuur en landschap zijn getroffen.

De commissie heeft betoogd, dat zij cultuurhistorische en cultuurtechnische inventarisaties heeft laten opmaken en dat een groot deel van de in deze inventarisaties opgenomen waardevolle elementen zijn gehandhaafd.

Ten slotte heeft de commissie aangevoerd, dat twee vertegenwoordigers in de commissie zitting hebben, die de belangen van natuur, landschap en cultuurhistorie behartigen en dat de beslissingen van de commissie in het kader van de vaststelling van het plan van toedeling steeds unaniem zijn genomen.

3.15. De rechtbank begrijpt hetgeen BMF als onderbouwing van haar bezwaren heeft aangevoerd aldus, dat zij betoogt, dat ook het recente rijks- en provinciaal beleid aangaande het betrokken gebied betrokken moet worden bij de beantwoording van de vraag of de belangen van natuur en cultuurhistorie in de afweging van alle belangen een voldoende zwaar gewicht hebben gekregen.

De rechtbank verwerpt deze stelling voor zover BMF hiermee wenst te betogen, dat door het voortschrijdend inzicht het recente beleid van rijk en provincie meer dan het landinrichtingsplan richtsnoer behoort te zijn bij het maken van de afweging van de betrokken belangen.

Zou het al zo zijn, dat uit de nieuwe beleidsinzichten zou blijken, dat alle cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen als kavelgrens behouden zouden moeten worden, dan doet zich de vraag voor of en in hoeverre de belangen van de agrariërs nog voldoende gewicht krijgen. Niet is gesteld of gebleken, dat in deze nieuwe beleidsinzichten deze belangen ook aan de orde zijn geweest of afgewogen. Wat hiervan ook zij, deze nieuwe inzichten hebben kennelijk niet geleid tot hernieuwde wijziging van het bestaande landinrichtingsplan.

3.16. Reclamanten zoeken blijkens de formulering van hun bezwaren bescherming van de waardevolle landschapselementen door middel van het plan van toedeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de commissie op goede gronden gesteld, dat het plan van toedeling slechts een beperkte bescherming kan bieden. Na het passeren van de akte van toedeling hebben de eigenaren de vrijheid om middels ruil- of koopovereenkomsten de grenzen toch weer te verleggen. Daartoe zal des te meer aanleiding bestaan indien de toegedeelde kavel ongunstig van vorm is.

Met de commissie is de rechtbank van oordeel, dat de door reclamanten behartigde publieke belangen vooreerst moeten worden gediend door de (gemeentelijke) overheden en wel met de haar ten dienste staande publiekrechtelijke middelen.

Voor een toedeling in eigendom van deze waardevolle elementen aan bij voorbeeld de gemeenten of organisaties voor natuurbehoud ziet de rechtbank onvoldoende reden.

3.17. MLO bepleit in haar bezwaarschrift nog het herstel van wegen en paden op oude reeds verdwenen tracés.

MLO lijkt daarbij het oog te hebben op het landinrichtingsplan als middel om deze wens te realiseren.

Wat daarvan zij, het plan van toedeling biedt geen ruimte voor een toedeling van iets dat er niet meer is of een instructie aan de commissie om oude tracés te herstellen.

3.18. In het derde bezwaar van BMF kan de rechtbank geen bezwaar lezen. De rechtbank begrijpt, dat met Staatbosbeheer overleg mogelijk is.

3.19. In haar reeds eerder genoemde brief van 6 januari 2003 verwijst BMF naar een door haar gevraagd onderzoek van de provincie van het plan van toedeling.

De commissie heeft gewezen op de brief van de provincie van 16 april 2003 en deze brief bij gelegenheid van de behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris op 14 mei 2003 overgelegd.

In deze brief neemt de provincie het standpunt in dat een extra onderzoek naar de bescherming van de cultuurhistorie binnen het plan van toedeling blok Schijndel niet op zijn plaats is. De provincie overweegt hierbij:

"De waarden van cultuurhistorie en landschap zijn bij het maken en het beoordelen van het Plan van Toedeling reeds meegewogen. Bij de voorbereiding van het convenant "Landschap Sint-Oedenrode" is een quick-scan uitgevoerd naar de effecten van de Plannen van Toedeling van de Landinrichtingscommissie op de cultuurhistorische waarden. Op grond daarvan is geconcludeerd dat een nadere toetsing van deze plannen niet nodig wordt geacht, gelet op de brede afweging die op verantwoorde wijze door de Landinrichtingscommissie is gemaakt".

3.20. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie, dat geen reden bestaat in te gaan op het meer subsidiaire verzoek van reclamanten, zoals geformuleerd aan het slot van de pleitnota van hun gemachtigde, om de behandeling van de bezwaren over te doen met benoeming van een ter zake deskundige.

3.21. De rechtbank zal de bezwaren van reclamanten ongegrond verklaren en hen in de kosten van het geding veroordelen.

4. De beslissing

De rechtbank:

verklaart de bezwaren van reclamanten ongegrond;

veroordeelt reclamanten in de kosten van de gezamenlijke belanghebbenden, begroot op € 390,-- ten laste van BMF en

€ 585,-- ten laste van de gezamenlijke reclamanten onder 2.a, 2.b en 2.c.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.M. van der Ham, mr. I.L.A. Boer, en mr. C.M. Lubbers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

- 3 -