Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR7780

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
17-12-2004
Zaaknummer
83277 HA ZA 02-1271; 91793 HA ZA 03-403
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1683, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dwarslaesie na messteek. In hoofdzaak beroep op verminderde toerekeningsvatbaarheid verworpen. In vrijwaringszaak door W.A.-verzekeraar gedaan beroep op opzetclausule aanvaard.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2005/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummers : 83277 HAZA 02-1271 en 91793 HAZA 03-403

Datum uitspraak :13 oktober 2004

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

zaaknummer: 83277 HAZA 02-1271

[X],

wonende te [woonplaats],

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het vrijwaringsincident,

procureur: mr. P.A. Go[Y]ens,

tegen:

[Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het vrijwaringsincident,

procureur: mr. L.A.T. Hol,

advocaat : mr. M.J.C. Zuurbier te 's-Hertogenbosch.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [X] en [Y].

zaaknummer: 91793 HAZA 03-403

[Y],

wonende te [woonplaats],

eisende partij in vrijwaring,

procureur: mr. M.J.C. Zuurbier,

tegen:

de naamloze vennootschap AMEV SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde partij in vrijwaring,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

advocaat : mr. H.Th. Vos te Rotterdam.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [Y] en AMEV.

1. Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak

Dit verdere verloop blijkt uit:

­ het vonnis van 15 januari 2003

­ de conclusie van antwoord

­ de conclusie van repliek

­ de conclusie van dupliek

­ het verzoek om vonnis

2.Het verloop van de procedure in de vrijwaring

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding van 11 februari 2003

­ de akte houdende overlegging producties van [Y]

­ de conclusie van antwoord

­ de conclusie van repliek

­ de conclusie van dupliek

­ het verzoek om vonnis

3. De vaststaande feiten in de hoofdzaak

3.1 [X] en [Y] zijn in 1986 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren.

Partijen zijn in 1995 gescheiden. De samenwoning tussen partijen is eerst medio 1997 definitief beëindigd. [Y] is in september 1997 een relatie aangega[M] (hierna: [M]).

3.2 [X] heeft in de periode van 21 september 1997 tot en met 5 februari 1998 [Y] en [M] bij herhaling (telefonisch) lastiggevallen en vernielingen aangericht aan de woning en de auto van [M]. Een en ander blijkt uit de niet door [X] weersproken inhoud van het door [Y] als productie 2 overgelegde proces-verbaal, opgemaakt door J.P.H. De Visser, hoofdagent van de regiopolitie Brabant Zuid Oost.

Uit het proces-verbaal blijkt tevens dat De Visser (die spreekt van een ernstige stoornis van de relatie) een gesprek heeft gevoerd met [X], [Y] en [M], waarin De Visser betrokkenen -in afwachting van het verdere onderzoek naar aanleiding van de diverse aangiften- heeft verzocht enige terughoudendheid te betrachten.

3.3 In de nacht van 21 op 22 februari 1998 omstreeks 01.30 uur heeft [X] andermaal de auto van [M] vernield. [Y] en [M] zijn door getuigen uit bed gebeld. [Y] heeft daarop de politie gebeld, die hem heeft medegedeeld dat zij op dat moment geen actie zou ondernemen.

[Y] is daarop gewapend met een hamer en een mes naar de woning van [X] gegaan met -zo luidt het standpunt van [Y]- het voornemen om de ruiten van haar auto kapot te slaan en de banden van die auto lek te steken.

[Y] is toen op straat [X], haar nieuwe partner, [L] en een kennis, [Z] tegengekomen.

Op een gegeven moment heeft [Y] [X] met een mes in haar nek gestoken.

3.4 [X] is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waaruit [X] op 28 februari 1998 is ontslagen. Daarna hebben er diverse heropnamen van [X] in het ziekenhuis plaatsgevonden en heeft [X] een revalidatieprogramma doorlopen (zie producties a tot en met i en l, door [X] overgelegd bij conclusie van repliek).

De revalidatie-arts C. Pons heeft in zijn medische verklaring inzake verzorging van [X] d.d. 29 november 1999 (productie i) het volgende aangegeven:

"Bovengenoemde belanghebbende is bekend met: hoge halsdwarslaesie op basis van steekverwonding dd. 23-02-1998.

Op grond hiervan bestaat er een zeer sterk uitgesproken verlamming van bovenste extremiteiten, romp en onderste extremiteiten, gevoelsverlies romp en onderste extremiteiten en verlies willekeurige blaas- en darmregulatie.

Dit resulteert in het volgende functionele niveau:

volledige rolstoelafhankelijkheid bij ontbrekende sta- en loopfunctie, goede rolstoelbelastbaarheid. Ontbrekende arm- en handfunctie, uitmondend in volledige verzorgingsafhankelijkheid.

Deze verzorgingsafhankelijkheid wordt nog extra geaccentueerd door de zorg die de blaas en darm vraagt (...)."

3.5 Nadat [Y] door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 15 december 1999 wegens poging tot doodslag was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 14 november 2001 (productie 1 van [Y]) bedoeld vonnis vernietigd. Het Hof heeft bewezen verklaard dat [Y] "op 22 februari 1998 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [X] van het leven te beroven, met dat opzet haar met een mes in de nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

[Y] is door het Hof deswege onder meer veroordeeld tot 240 uur dienstverlening en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden, met als bijzondere voorwaarde dat [Y] zich gedurende de proeftijd van 2 jaar onder toezicht zal stellen van de Reclassering.

3.6 In het kader van de strafmotivering heeft het hof verwezen naar een door psychiater Y. de Kok ingesteld onderzoek naar de geestvermogens van [Y] (het rapport d.d. 22 mei 1998 is door [Y] als productie 3 overgelegd) alsmede naar een door dr. B.G.T.J. ter Heine, klinisch psycholoog-psychotherapeut uitgevoerd klinisch psychologisch onderzoek (het door voornoemde deskundige in juli 1998 uitgebrachte rapport bevindt zich eveneens bij de stukken; productie 4 van [Y]).

Het hof overweegt onder meer:

"Anderzijds houdt het hof rekening met de hierboven geschetste omstandigheden waaronder verdachte tot zijn daad is gekomen en met de eensluidende conclusie van de deskundigen, dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en thans bewezenverklaarde feit lijdende was aan een zodanige persoonlijkheidsproblematiek dat dit feit hem slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend. Naar het zich laat aanzien heeft de verdachte de provocaties door [X] geruime tijd genegeerd en zijn boosheid daaromtrent weggestopt en is verdachte pas tot zijn daad gekomen toen die opgekropte woede zich ontlaadde in een heftige impulsieve agressie-doorbraak."

4. De vordering in de hoofdzaak

4.1 [X] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [Y] zal veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 141.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 1 maart 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [Y] in de kosten van het geding.

4.2 [X] legt aan haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen te grondslag.

Door toedoen van [Y] heeft zij zeer ernstig en blijvend letstel opgelopen, daaruit bestaande dat zij blijvend en volledig verlamd is vanaf de nek. Regelmatig is sprake van ernstige terugvallen in haar toestand zowel geestelijk als lichamelijk. Er is sprake van suïcidaliteit, daar zij haar leven als voorbij beschouwt en enig uitzicht op verbetering of herstel ontbreekt.

Zij kan geen arbeidsverleden aantonen, alhoewel zij voor 22 februari 1998 veelvuldig werkzaam is geweest (verkoopster, naaiatelier, schoonmaakster, horeca). Zij was voornemens, nadat haar kinderen voldoende zelfstandig waren, weer werk te zoeken. Evident is dat zij nooit meer zal kunnen werken, zodat er sprake is van algeheel verlies van arbeidsvermogen. Nu tastbare aanknopingspunten ontbreken, acht zij een schadevergoeding ter zake van € 50.000,-- redelijk. Vanaf 1999 tot 2030 (in welk jaar zij 65 jaar zou kunnen worden), is bedoeld bedrag het equivalent van ongeveer 66 maanden minimumloon. Zij heeft geen enkele eigen bron van inkomsten en leeft volledig van het inkomen van haar partner (inmiddels € 935,-- netto per maand).

Ten aanzien van het smartengeld is sprake van een uitzonderlijk zwaar letsel. Onder verwijzing naar de Smartengeldbundel 15e druk (nummer 429 en verder) acht zij een vergoeding van € 91.000,-- op zijn plaats.

5. Het verweer in de hoofdzaak

5.1 [Y] concludeert dat de rechtbank [X] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen, met haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding.

5.2 [Y] heeft onder meer het navolgende ten verwere aangevoerd.

De gebeurtenissen voorafgaand aan die bewuste 22 februari 1998 alsmede het gevoel dat hij door de politie niet serieus werd genomen en dat [X] ongestraft haar gang kon gaan, maakte hem uiteindelijk kwaad en motiveerde hem tot een wraakactie, namelijk het willen leksteken van de autobanden van [X]. Toen hij [X] aantrof was hij erg bang en raakte hij in een zodanige psychische stresstoestand dat het vrijelijk bepalen van zijn wil daardoor ernstig werd bemoeilijkt. Hij doet een beroep op psychische overmacht.

Inherent aan de psychische overmacht is in het gedrag van [X] een rechtvaardigingsgrond voor zijn handelen gelegen. Door haar negatieve gedrag, haar tergingen en pesterijen, de opeenstapeling van provocaties, is bij hem sprake geweest van een impulsdoorbraak. [X] heeft de kritieke situatie zozeer uitgelokt dat zijn gedrag niet onrechtmatig is tegenover [X] (zie het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1995, NJ 1997, 592).

De verwijtbaarheid aan zijn kant vervalt volledig, althans voor een aanzienlijk deel, nu sprake is van een grote mate van eigen schuld aan de zijde van [X].

Het gedrag van [X] heeft in volledige, althans in zeer belangrijke mate bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

In elk geval brengt de billijkheidscorrectie verval van de vergoedingsplicht mee, nu de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Hij betwist dat er een causaal verband bestaat tussen het steken met het mes en de gestelde hoge dwarslaesie. [X] was immers nog in staat om bij hem op 8 mei 1998 aan de deur te verschijnen. Ruim twee maanden na het voorval was er dus van een hoge dwarslaesie, laat staan van enige verlamming totaal geen sprake. Ook ruim daarna kon [X] nog lopen.

In dit verband verwijst hij naar de schriftelijke verklaring van doktor Blikman d.d. 24 februari 1998 (productie 7), waarin staat vermeld dat [X] in haar nek is gestoken, hetgeen heeft geleid tot een ongeveer 1 cm lange wond aan de linkerkant. Tevens is sprake van uitwendig bloedverlies, er is geen vermoeden van uitwendig waarneembaar letsel en er is geen vermoeden van inwendig bloedverlies. Als bijzondere mededeling merkt de arts op:

"mogelijke simulatie van neurologische afwijkingen". In zijn verklaring van 4 maart 1998 (productie b van [X]) vermeldt dokter Blikman: "cc psychiater: mogelijk conversie stoornis". Tevens verwijst [Y] naar de schriftelijke verklaring van de neuroloog dr. B.J. van Kasteren d.d. 23 september 1998 (productie 8).

[X] heeft voor het incident niet gewerkt, zodat zij geen arbeidsverleden heeft dat ten grondslag kan liggen aan de vordering in verband met verloren arbeidsvermogen. Bovendien was [X] reeds ruim voor februari 1998 arbeidsongeschikt in verband met colitis ulcerosa. Hij verwijst daartoe naar de door [X] als productie d overgelegde medische verklaring van de revalidatiearts, mevrouw Schreibers, d.d. 11 april 1998. Als gevolg van bedoelde arbeidsongeschiktheid was aan [X] de mogelijkheid van inkomensverwerving ontnomen. Die onmogelijkheid is dus niet door zijn toedoen ontstaan.

Voor toekenning van het gevorderde bedrag aan smartengeld is geen grond. De schade van [X] is immers in zeer belangrijke mate het gevolg van een omstandigheid die [X] kan worden toegerekend. Er is dan ook reden tot forse matiging, mede gezien de draagkracht van [Y], die een maandinkomen van € 1.598,--netto geniet.

6. De vaststaande feiten in de vrijwaring

De hiervoor in de hoofdzaak sub 3.1, 3.3, 3.5 en 3.6 weergegeven feiten staan ook in de onderhavige procedure vast.

Daaraan kan worden toegevoegd dat [Y] ten tijde van het steekincident tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij AMEV. Krachtens artikel 3.1 sub a. van de vigerende polisvoorwaarden (model AP + 92-1) is niet gedekt " de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten" (hierna: de opzetclausule).

AMEV heeft met een beroep op de opzetclausule aan [Y] dekking onder de polis geweigerd.

7. De vordering in de vrijwaring

7.1 [Y] vordert om bij het in de hoofdzaak uit te spreken vonnis AMEV gelijktijdig zal veroordelen tot al datgene waartoe [Y] als gedaagde in de hoofdzaak bij dat vonnis ten behoeve van [X] mocht worden veroordeeld, met veroordeling van AMEV in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in vrijwaring, alles met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de uit te spreken proceskostenveroordelingen.

7.2 [Y] heeft daartoe -kort samengevat- het volgende aangevoerd.

Zijn opzet was niet gericht op het aan [X] toebrengen van het uiteindelijk opgelopen letsel, laat staan op het toebrengen van psychisch leed. Er was sprake van voorwaardelijk opzet, zodat AMEV zich ten onrechte op de opzetclausule beroept.

AMEV is krachtens de verzekeringsovereenkomst gehouden tot het verlenen van dekking, mocht hij in de hoofdzaak tot schadevergoeding aan [X] worden veroordeeld.

8. Het verweer in de vrijwaring

8.1 AMEV concludeert dat de rechtbank [Y] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans hem deze zal ontzeggen, met zijn uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding.

8.2 AMEV voert het navolgende verweer.

[Y] heeft opzettelijk lichamelijk letsel aan [X] toegebracht. Het letsel van [X] was voor [Y] het beoogde of zekere gevolg van zijn handelen.

[Y] beoogde immers [X] met de messteek een doodsteek te geven. Dat de messteek uiteindelijk niet tot de dood leidde, maar minder verstrekkende gevolgen heeft gehad (blijvende en volledige verlamming vanaf de nek) doet aan dit oogmerk niet af. [Y] heeft [X] gestoken met een werktuig (een mes) en een kracht, die geëigend was om het door hem beoogde doel te bereiken.

Op grond van de opzetclausule is zij niet gehouden om [Y] dekking te verlenen.

9. De beoordeling van het geschil

In de hoofdzaak

9.1 Gesteld noch gebleken is dat [Y] beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het ten processe bedoelde -op tegenspraak gewezen- arrest van het hof te 's-Hertogenbosch. Dit arrest is derhalve in kracht van gewijsde gegaan, hetgeen betekent dat dit arrest dwingend bewijs oplevert van het feit dat [Y] [X] op 22 februari 1998 met een mes in de nek heeft gestoken. [Y] heeft in de onderhavige procedure dit feit niet betwist.

9.2 Het beroep van [Y] op psychische overmacht, welk beroep door [Y] is geplaatst in de sleutel van een rechtvaardigingsgrond, faalt.

Daargelaten of gezegd kan worden dat er bij [Y] op het moment dat hij zich -met de intentie om haar auto te beschadigen- naar de woning van [X] begaf, sprake was van een dwang waaraan hij geen weerstand kon bieden, dan wel een drang waaraan [Y] geen weerstand behoefde te bieden, daarvan was in ieder geval geen sprake meer op het moment dat [Y] [X] op straat tegenkwam. Immers, op dat moment was het vernielen van de auto van [X] geen optie meer.

Over de omstandigheden die onmiddellijk voorafgingen aan het toebrengen van de messteek door [Y] zijn in het kader van het stafrechtelijk onderzoek verklaringen door alle betrokkenen afgelegd. De verklaring van [Y] staat daarin evenwel op zichzelf, terwijl [L], [Z] en [X] eensluidende verklaringen hebben afgelegd, welke de verklaring van [Y] tegenover de politie tegenspreken.

Gelijk hierna in rechtsoverweging 9.3 zal worden overwogen was [Y] ten tijde van het toebrengen van de messteek licht verminderd toerekeningsvatbaar. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat [Y] vlak voor het toebrengen van de messteek in een zodanige psychische stresstoestand verkeerde dat het vrijelijk bepalen van zijn wil geheel dan wel in overwegende mate werd bemoeilijkt.

[Y] heeft ter zake van het toebrengen van de messteek in de onderhavige procedure ook geen beroep op noodweer gedaan. Het hof heeft het in het kader van de strafrechtelijke procedure door [Y] gedane beroep op noodweer overigens verworpen.

Het betoog van [Y] dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond, welke de daad het onrechtmatig karakter doet verliezen, gaat dan ook niet op.

9.3 Voor zover het beroep op psychische overmacht tevens als schulduitsluitingsgrond is

opgevoerd, wordt vooropgesteld dat de in het arrest van het hof genoemde deskundigen tot het door het hof overgenomen oordeel zijn gekomen dat [Y] ten tijde van het plegen van zijn daad licht verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank ziet in de inhoud van de betreffende rapporten geen aanleiding om daarover anders te oordelen.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:165 lid 1 Burgerlijk Wetboek is bedoelde geestelijke tekortkoming geen beletsel om het toebrengen van de messteek als een onrechtmatige daad aan [Y] toe te rekenen.

9.4 De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1995 ( NJ 1997, 592) kan

[Y] niet baten omdat de feiten en omstandigheden welke in dat arrest van belang waren aanzienlijk afwijken van het onderhavige geval. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot voormeld arrest kenden dader en slachtoffer elkaar immers voorheen niet en was het geven van een klap door de restauranteigenaar de resultante van aanhoudend provocerend gedrag van het slachtoffer en zijn vriend in het kader van het nuttigen van een maaltijd in een restaurant. In deze kan niet gezegd worden dat het gedrag van [Y], die door zich naar de woning van [X] te begeven zelf de kans heeft gecreëerd om met [X] te worden geconfronteerd, zozeer is uitgelokt door het gedrag van [X] dat het gedrag van

[Y] niet onrechtmatig was.

9.5 [Y] heeft evenwel met recht aangevoerd dat er aan de zijde van [X] sprake is van eigen schuld. Mede gelet op de inhoud van meergemeld arrest van het hof heeft [X] immers niet dan wel volstrekt onvoldoende gemotiveerd bestreden dat er reeds lange tijd sprake was van niet aflatende terreur van haar zijde richting [Y] en [M]. Het door [X] in de bewuste nacht leksteken van de banden van de auto van [M] was voor [Y] kennelijk de bekende druppel die de emmer deed overlopen, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de messteek.

De eigen schuld van [X] wordt -zo zij dit heeft bedoeld te stellen- niet (vrijwel) volledig opgeheven indien het gedrag van [X] moet worden gezien binnen de context dat zij en [Y] serieus met elkaar van mening verschilden over de vraag wie de zorg van hun minderjarige kinderen voortaan op zich zou nemen (waarbij gevoelens van jaloezie jegens [M], die de moederrol dreigde over te nemen, speelden) alsmede dat zij ontevreden was over de financiële afwikkeling van het huwelijk.

9.6 De rechtbank is -alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd- van oordeel dat het gedrag van [X], uitlokking, causaal voor 40 % heeft bijgedragen tot de messteek, zodat het aandeel van [Y] in causale zin op 60% dient te worden gesteld. Het betoog van [Y] dat zijn plicht tot schadevergoeding (vrijwel) volledig is vervallen, omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, wordt -gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen- verworpen. [Y] is derhalve in beginsel gehouden om 60% van de door [X] als gevolg van de messteek geleden schade te vergoeden.

9.7 [Y] heeft gemotiveerd bestreden dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde dwarslaesie en de messteek.

Anders dan [Y] heeft gesteld is in het feit dat in de door [Y] overgelegde medische stukken wordt gesproken over een ongeveer 1 cm lange wond niet genoegzaam om te kunnen concluderen dat er slechts sprake is geweest van een oppervlakkige steekwond. Immers, uit de overgelegde foto's van het betreffende mes (productie k van [X] bij repliek) kan worden afgeleid dat het lemmet van het mes ongeveer 10 cm lang is en over de gehele lengte niet veel breder dan 1 cm is. Daarbij komt dat de door [Z] tegenover de politie afgelegde verklaring: "Het complete lemmet zat in haar hals tot aan de handgreep" wordt ondersteund door het feit dat de politie bij de inbeslagname van het mes heeft vastgesteld dat het mes een lemmet heeft " welke over de gehele lengte met bloed is besmeurd."

[Y] heeft evenwel tevens naar medische informatie verwezen, welke informatie de nodige vragen ter zake van het gestelde causaal verband oproept. [X] was immers niet aanstonds na de messteek ernstig verlamd en zij heeft niet weersproken dat zij op 8 mei 1998 nog bij de woning van [Y] is verschenen. Recente medische informatie over [X] bevindt zich niet bij de stukken.

9.8 Een en ander maakt het inwinnen van een deskundigenbericht noodzakelijk. De rechtbank denkt hierbij aan een deskundige op het gebied van de neurologie alsmede aan een deskundige op het gebied van de psychiatrie.

9.9 De zaak zal naar de rol worden verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de personen die voor benoeming tot deskundige in aanmerking komen (onder vermelding van adres en telefoonnummer) alsmede over de aan beide deskundigen te stellen vragen. Het verdient aanbeveling indien partijen over een en ander op voorhand overeenstemming met elkaar bereiken.

Daar partijen ieder op basis van een toevoeging procederen, zal aan partijen geen voorschot op het honorarium van de deskundigen worden opgelegd.

9.10 Het vorenoverwogene leidt tot na te melden beslissing. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

9.11 In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden om op de voet van artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bepalen dat tegen dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

In de vrijwaring

10.1 In de onderhavige vrijwaringsprocedure is in geschil of AMEV met recht een beroep op de opzetclausule heeft gedaan.

10.2 Voorop dient te worden gesteld dat de onderhavige opzetclausule in 1980 is geïntroduceerd door de Studiecommissie Opzet, welke commissie is ingesteld op voorstel van de Nederlandse Vereniging van Algemene Aansprakelijkheidsverzekeraars. Zowel die commissie als de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf hebben zich op het standpunt gesteld dat op de opzetclausule slechts in uitzonderlijke, sprekende, gevallen een beroep kan worden gedaan.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 november 1998 (NJ 1999, 220) overwogen dat de opzetclausule, in een geval waarin een verzekerde letsel heeft toegebracht, geen verdere strekking heeft dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn. De Hoge Raad heeft daaraan toegevoegd dat de rechter onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letstel het gevolg van zijn handelen zou zijn.

10.3 In deze is niet van belang dat [Y], naar hij stelt, slechts de bedoeling had om met een mes de banden van de auto van [X] lek te steken. Dit plan is niet uitgevoerd doordat [Y] de auto van [X] niet aantrof. Evenmin is in het kader van de onderhavige procedure de voorgeschiedenis van [X] en [Y] van belang.

In deze is slechts relevant hetgeen zich ten tijde van het steekincident heeft afgespeeld.

10.4 [Y] is op een gegeven moment geconfronteerd met [X] en haar begeleiders.

[Y] heeft gesteld dat [X] hem uitdaagde en naar hem toe kwam lopen alsmede dat [X] hem heeft geslagen en geschopt. Ook de begeleiders hebben zich daarbij niet onbetuigd gelaten. Kennelijk heeft hij toen met het mes een afwerende beweging gemaakt, waarbij hij [X] in de nek heeft geraakt, aldus de lezing van [Y].

10.5 In die lezing staat [Y] volstrekt alleen.

[L], [Z] en [X] hebben blijkens de zich bij de stukken bevindende processen-verbaal tegenover de politie verklaard dat [Y] in de richting van [X] kwam gerend. [L] en [Z] hebben verklaard dat er van een voorafgaande scheldpartij of schermutseling geen sprake is geweest. Het hof heeft in het kader van de verwerping van het door [Y] gedane beroep op noodweer overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [X] de (fysieke) aanval op [Y] heeft ingezet.

[L] heeft voorts tegenover de politie verklaard: "Ik zag, dat die [Y] ([Y], rechtbank) een mes in een van zijn handen had. Zonder wat te zeggen of roepen zag ik, dat hij [X] ([X], rechtbank) in haar nek stak."

[Z] heeft verklaard: " [Y] liep in de richting van [X] en maakte een slaande beweging. Ik zag op dat moment helemaal geen mes (...) [X] viel meteen achterover op de grond (...) Meteen hierop voelde ik dat, dat er een mes in haar hals zat. Ik heb dat mes er uit getrokken. Het complete lemmet zat in haar hals tot aan de handgreep."

[X] heeft tegenover de politie verklaard: " Ik zag dat [Y] in mijn richting kwam gerend. Toen hij dichter bij kwam zag ik aan zijn gelaatsuitdrukking dat hij erg opgefokt, kwaad en woest was (...) Voor ik kon reageren was [Y] bij mij en ik zag dat hij zijn rechterarm en hand omhoog bracht. Ik zag in een flits dat hij in die hand een op een geopend mes gelijkend voorwerp had. Hij maakte met de arm en hand een kappende beweging naar mij. (...) Ik voelde een geweldige klap tegen de linkerkant van mij nek en ik voelde dat er iets in mijn nek drong (...) Ik viel meteen tegen de grond (...)."

10.6 [Y] heeft weliswaar betoogd dat bedoelde tegenover de politie afgelegde verklaringen van [L], [Z] en [X] van onwaarde zijn omdat betrokkenen onder invloed van alcohol verkeerden, doch in de stukken zijn geen aanwijzingen te vinden voor de aanname dat betrokkenen zodanig onder invloed van alcohol verkeerden dat dit een betrouwbare waarneming van betrokkenen in de weg heeft gestaan, laat staan dat de getuigen, die in de middag na het incident door de politie zijn gehoord, niet meer adequaat zouden kunnen verklaren. Daarbij komt dat het hof ten aanzien van [Y] het voornemen om [X] opzettelijk van het leven te beroven alsmede dat [Y] met dat opzet [X] in de nek heeft gestoken bewezen heeft geacht. Ofschoon uit de inhoud van bedoelde getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat de getuigen voor het incident royaal alcohol hadden genuttigd, heeft dit gegeven het hof er niet van weerhouden om de inhoud van bedoelde verklaringen als bewijsmiddel te gebruiken.

10.7 In deze is niet van belang dat het hof in het kader van de straftoemeting ten gunste van [Y] rekening heeft gehouden met de voorgeschiedenis van [Y] en [X] alsmede met het gegeven dat [Y] ten tijde van het plegen van het misdrijf licht verminderd toerekeningsvatbaar was. Immers, anders dan [Y] heeft gesteld kan uit de betreffende overwegingen van het hof, welke niet betrekking hebben op het opzet als delictsbestanddeel, niet worden afgeleid dat er naar het oordeel van het hof slechts van voorwaardelijk opzet sprake is geweest voor wat betreft het aan [X] toegebrachte letsel.

Gelet op de bewezenverklaring door het hof heeft [Y] met het toebrengen van de messteek méér beoogd, te weten de dood van [X]. De rechtbank blijft bij haar in de hoofdzaak gegeven oordeel dat het beroep van [Y] op psychische overmacht niet op gaat. [Y] heeft in het kader van de onderhavige procedure ter zake immers niet méér aangevoerd dan dat hij in de hoofdzaak heeft gedaan.

10.8 Daar waar er in deze van kan worden uitgegaan dat [Y] [X] met opzet met één vloeiende beweging met een mes diep in de nek heeft stoken, kan de conclusie geen andere zijn dat [Y] met kracht heeft toegestoken.

Het betreffende mes is een geëigend voorwerp om ernstig letstel als door [X] in de hoofdzaak is gesteld toe te brengen. Door een dergelijk mes met opzet met kracht in de nek van [X] te steken was [Y] zich ervan bewust dat het in feite toegebrachte letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn. AMEV heeft zich -ook al staat in de hoofdzaak nog niet vast dat [X] blijvend en volledig verlamd is vanaf de nek alsmede dat in die procedure het causale verband tussen die verlamming en de door [Y] toegebrachte messteek nog ter discussie staat- met recht beroepen op de opzetclausule, zodat AMEV aan [Y] geen dekking behoeft te bieden ter zake van de gevolgen van het steekincident.

Het algemeen bewijsaanbod van [Y] wordt als te vaag gepasseerd.

10.9 Op grond van het vorenoverwogene dient het gevorderde te worden afgewezen.

[Y] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van

de vrijwaringsprocedure.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 10 november 2004 te 10.00 uur teneinde [X] en [Y] in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 9.9 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat tegen dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

in de vrijwaring

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Y] in de kosten van deze procedure, tot op de dag van deze uitspraak aan de zijde van AMEV gevallen en begroot op € 2.680,-- aan verschotten en € 2.450,-- aan salaris van de procureur;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.

- 11 -