Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR7776

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
17-12-2004
Zaaknummer
91040 - HA ZA 03-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Overlijdensschade ex art. 6: 108 BW. Verzekeringsuitkering. Affectieschade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 127
JA 2005/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 91040 / HA ZA 03-266

Datum uitspraak : 27 oktober 2004

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

procureur: mr. F.T.I. Oey,

tegen:

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde partij,

procureur: mr. E. Haaxma,

advocaat: mr. A.H. Blok te Utrecht.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

1. De procedure

Het verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 27 januari 2003;

- de akte tot overlegging producties en akte tot uitlating van [eiseres];

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, tevens vermeerdering van eis, tevens akte houdende overlegging producties;

- de conclusie van dupliek, tevens antwoordakte eiswijziging.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1 De echtgenoot van [eiseres], [X] (geboren op 22 januari 1946), is op 19 september 2000 wegens een epileptisch insult opgenomen op de intensive care afdeling van het door [gedaagde] geëxploiteerde ziekenhuis, alwaar hij daags daarna is overleden.

2.2

Bij onderzoek is gebleken dat een ventiel van de beademingsmachine waarmee de echtgenoot van [eiseres] beademd werd, niet correct was aangesloten. Hierdoor zijn complicaties opgetreden die tot de dood van de echtgenoot van [eiseres] hebben geleid.

2.3 [gedaagde] heeft de aansprakelijkheid voor bedoelde fout erkend.

2.4 Als gevolg van het overlijden is aan [eiseres] uit hoofde van een door haar echtgenoot gesloten levensverzekeringsovereenkomst een uitkering groot f 36.194,-- gedaan. [eiseres] heeft met deze uitkering de op haar woning rustende pro resto hypothecaire geldlening ineens vervroegd afgelost.

3. De vordering

3.1 [eiseres] vordert -na vermeerdering van eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de somma van € 77.525,43, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 januari 2003 c.q. 13 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2 [eiseres] legt aan haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

Zij heeft door de fouten van [gedaagde] schade geleden en zal nog schade lijden.

De uitvaartkosten bedragen € 470,83

De overlijdensschade ex artikel 6:108 BW bedraagt conform de berekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) € 61.008,--, in welke berekening de sub 2.3 vermelde verzekeringsuitkering met recht buiten beschouwing is gelaten.

Het verliezen van een echtgenoot door een onbenullige fout van het ziekenhuis rechtvaardigt immers minimaal de vaststelling van de door haar geleden immateriële schade op voormeld bedrag van f 36.194,-- te stellen, zodat bedoelde uitkering bij de vaststelling van de schadevergoeding genegeerd dient te worden. Subsidiair dwingen de eisen van redelijkheid en billijkheid daartoe.

Zij maakt tevens aanspraak op vergoeding van affectieschade. Onder verwijzing naar het daarop betreffende wetsontwerp begroot zij die schade op € 10.000,--.

De buitengerechtelijke kosten van juridische hulp en bijstand bedragen € 3.500,--.

Het NRL heeft tweemaal schadeberekeningen voor haar vervaardigd. De daarmee gemoeide kosten (€1.618, 40 en

€ 928,20, telkens inclusief BTW) komen eveneens als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking.

4. Het verweer

4.1 [gedaagde] concludeert dat de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 Op het verweer van [gedaagde] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 [gedaagde] heeft zich tegen de vermeerdering van eis als zodanig niet verzet, zodat op basis van de gewijzigde eis recht zal worden gedaan.

5.2 Het meest principiële punt dat partijen verdeeld houdt is of in het kader van de schadebegroting ex artikel 6: 108 BW rekening moet worden gehouden met de aan [eiseres] toegevallen verzekeringsuitkering.

5.3 Dienaangaande wordt het volgende vooropgesteld.

Bij de toepassing van artikel 6:108 BW gaat het niet om schade van de overledene zelf, maar om schade die de nabestaande lijdt door het derven van levensonderhoud dat hij van de overledene ontving. Het recht op schadevergoeding krachtens dit artikel is in zoverre beperkt dat geen recht op schadevergoeding bestaat, voor zover de nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet-behoeftig kan worden aangemerkt. Bij het bepalen van de behoefte van de nabestaande behoort in beginsel zijn gehele financiële positie in aanmerking te worden genomen. Hieruit vloeit -aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 4 februari 2000 (NJ 2000,600)- voort dat alle gunstige financiële omstandigheden de behoefte van de nabestaande kunnen beperken en dat daarmee uit dien hoofde -derhalve anders dan bij wege van voordeelstoerekening- ook bij de hem verschuldigde schadevergoeding rekening moet worden gehouden.

5.4 De Hoge Raad heeft in het hem voorgelegde geval bepaald dat dit ook geldt voor een uitkering uit hoofde van een levensverzekering, waarmee -net zoals dat ten aanzien van [eiseres] het geval was- een hypothecaire geldlening integraal werd afgelost. In het arrest is de Hoge Raad ingegaan op de geschiedenis van totstandkoming van de huidige artikelen 6:107 BW (schadevergoeding bij letsel) en 6:108 BW. Uit die geschiedenis blijkt dat overwogen is het verschil op te heffen, dat op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad bestond met betrekking tot de vraag in hoeverre met een uitkering uit hoofde van een sommenverzekering rekening moest worden gehouden voor de schadevergoeding ten gevolge van letsel respectievelijk overlijden. Dat verschil komt er op neer dat ingeval van letsel niet, maar in het geval van overlijden wel met een dergelijke uitkering rekening moet worden gehouden. Uiteindelijk heeft de wetgever er niet voor gekozen om bedoeld verschil op te heffen.

5.5 Het moge zo zijn dat in lagere jurisprudentie wel eens een dergelijke uitkering in het kader van artikel 6:108 BW buiten beschouwing is gelaten ([eiseres] heeft in dit verband naast het arrest dat heeft geleid tot het hierboven besproken arrest van de Hoge Raad verwezen naar een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, dat een dag eerder is gewezen dan het hierboven besproken arrest van de Hoge Raad) alsmede dat evenbedoeld arrest van de Hoge Raad in de rechtspraktijk kritisch is ontvangen, doch daarin is -mede in aanmerking genomen dat in de doctrine geen overheersende opvatting over deze kwestie bestaat- geen reden gelegen om in deze meergemeld arrest van de Hoge Raad niet tot uitgangspunt te nemen. Dit wordt niet anders doordat de Advocaat-Generaal mr. Spier in zijn conclusie voor het arrest van 4 februari 2000 aangeeft dat er sterke argumenten pleiten voor heroverweging van de door hem aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad (overigens zonder nu direct een lans te willen breken voor "omgaan") alsmede dat -naar [eiseres] stelt- naar Duits recht bij de vaststelling van overlijdensschade geen rekening wordt gehouden met uitkeringen van sommenverzekeringen en ook België, Engeland en Frankrijk vergoeding van immateriële schade voor nabestaanden kennen.

5.6 De Hoge Raad heeft in het door hem berechte geval de zaak verwezen teneinde nader te onderzoeken in hoeverre en op welke wijze -gelet op alle omstandigheden van het geval en op hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband daarmee meebrengen- bij de aan de nabestaanden verschuldigde vergoeding van de geleden inkomensschade met de uitkering uit hoofde van de verzekering rekening moet worden gehouden.

5.7 In navolging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2000 (VR 2000,86) heeft [eiseres] bepleit om de aan haar verstrekte uitkering aan te merken als vergoeding van immateriële schade en heeft zij betoogd dat bedoelde uitkering om die reden bij de begroting van de overlijdensschade buiten beschouwing dient te blijven.

5.8 [eiseres] kan daarin niet gevolgd worden.

Het stelsel van de wet brengt immers mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden ("affectieschade"). De rechter heeft niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen (Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002, 240).

5.9 Inmiddels is een wetsontwerp betreffende vergoeding van affectieschade aanhangig, waarin wordt voorgesteld om bedoelde vergoeding op een gefixeerd bedrag van € 10.000,-- te stellen. Dit wetsontwerp heeft nog geen kracht van wet. Uit de parlementaire stukken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28781, nr. 6) blijkt voorts dat het overgangsrecht van het voorstel (verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 173 lid 2, tweede zin van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) bepaalt dat er geen sprake kan zijn van vergoeding van affectieschade, wanneer het overlijden van een slachtoffer zich voordoet na de inwerkingtreding van het voorstel, terwijl de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordeed vóór inwerkingtreding. Om die reden ligt het niet voor de hand om aan te nemen dat de wetgever voor het geval dat -zoals in casu- het slachtoffer is overleden vóór het inwerkingtreden van het voorstel de nabestaanden aanspraak op vergoeding van affectieschade zou willen geven.

Een en andere leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet zal anticiperen op inwerkingtreding van bedoeld wetsvoorstel.

Dit wordt niet anders doordat [eiseres] heeft gesteld dat in veel Europese landen de mogelijkheid van vergoeding van affectieschade bestaat alsmede dat de Minister van Justitie recent buiten rechte is overgegaan tot het vergoeden van een bedrag van € 10.000,-- aan nabestaanden van een slachtoffer van moord door een tbs-gestelde.

Uit geraadpleegde gepubliceerde recente jurisprudentie blijkt bovendien dat gepoogd is de lagere rechter te bewegen om te anticiperen op komende wetgeving, maar dat in alle-bekende- gevallen de rechter daartoe niet is overgegaan.

5.10 Het vorenstaande staat er aan in de weg om de verzekeringsuitkering aan [eiseres] in het kader van haar overlijdensschade ex artikel 6:108 BW aan te merken als een ter zake van de omvang van die schade geheel dan wel ten dele buiten beschouwing te laten vergoeding van affectieschade.

5.11 De afzonderlijk door [eiseres] gevorderde vergoeding van affectieschade is in het licht van het vorenstaande evenmin voor toewijzing vatbaar.

5.12 Uit de over en weer in het geding gebrachte schadeberekeningen blijkt dat [eiseres] na het overlijden van haar man drie inkomensbronnen had: inkomsten uit arbeid, een uitkering krachtens de Algemene Nabestaanden Wet (ANW), alsmede een weduwepensioen. [eiseres] heeft haar dienstbetrekking op een gegeven moment opgegeven, waardoor evenwel haar ANW-uitkering werd verhoogd.

Gesteld noch gebleken is dat het huidige totaalinkomen van [eiseres] in vergelijking tot het gezinsinkomen in de periode voor het overlijden van haar echtgenoot (die ten tijde van zijn overlijden een W.A.O.- uitkering genoot) dermate is teruggelopen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de verzekeringsuitkering wordt meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de overlijdensschade. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het in casu niet om een algemene levensverzekering gaat, maar om een levensverzekering die is gekoppeld aan een hypothecaire lening, hetgeen temeer een rechtvaardiging vormt om bedoelde uitkering mee te nemen bij het bepalen van de behoefte van [eiseres]. Als gevolg van bedoelde uitkering is haar woning na het overlijden van haar man immers vrij van hypothecaire lasten.

[eiseres] heeft onvoldoende gesteld om ter zake tot een ander oordeel te komen.

Meer in het bijzonder is -gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2000- in deze niet toereikend het betoog van [eiseres] dat het [gedaagde] is die profiteert van de door [eiseres] en haar echtgenoot betaalde premies, waarvoor [eiseres] bereid was inkomen in te leveren. Over de hoogte van de overlijdensverzekeringspremies heeft [eiseres] overigens niets aangevoerd.

5.13 [eiseres] heeft er bij conclusie van repliek (onder 5) op gewezen dat gevolg van het standpunt van [gedaagde], inhoudende dat de verzekeringsuitkering de behoeftigheid van [eiseres] vermindert, is dat de overlijdensschade -overeenkomstig het door [gedaagde] overgelegde rapport van Audalet BV-op nihil uitkomt. [gedaagde] heeft nog een tweede rapport door Audalet BV laten opmaken, waarin het huurwaardeforfait -anders dan de eerste keer- is meegenomen in de berekening, zonder dat dit evenwel voor wat de door Audalet BV berekende overlijdensschade van [eiseres] betreft tot een andere uitkomst heeft geleid.

5.14 De zojuist aangehaalde stelling van [eiseres] lijkt er op neer te komen dat de hierna kort te bespreken geschilpunten voor wat de behoeftigheid van [eiseres] betreft, ook al zou de rechtbank de standpunten van [eiseres] ter zake honoreren, niet meer ter zake doen, nu de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] meergemelde overlijdensuitkering met recht geheel heeft meegenomen in haar berekening.

Met betrekking tot de door [eiseres] in dit kader opgevoerde afschrijvingen (op de inboedel een bedrag van f 3.755,-- per jaar en op de auto -van het merk Mercedes Benz- een bedrag van f 6.500,-- per jaar) heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar echtgenoot in het verleden in die mate jaarlijks pleegden te reserveren voor vervanging van inboedel en auto. Overigens komen de betreffende bedragen -mede in aanmerking genomen de hoogte van het gezinsinkomen vóór het overlijden van de echtgenoot van [eiseres]- weinig realistisch voor. Voor wat de auto betreft wordt daaraan nog toegevoegd dat de door [eiseres] gehanteerde afschrijvingsperiode van 3 jaar, gelet op het merk van de auto, veel te kort is. Een Mercedes Benz pleegt immers aanzienlijk langer mee te gaan en [eiseres] heeft ook niet gesteld dat haar echtgenoot en zij in het verleden om de drie jaar een andere auto pleegden te kopen.

De door [eiseres] opgegeven waarde van de inboedel is kennelijk ontleend aan de verzekerde waarde daarvan voor de inboedelverzekering (NRL-Bijlage 20). [eiseres] ziet er bij de hoogte van de gestelde afschrijving aan voorbij dat lang niet alle inboedelbestanddelen na verloop van tijd moeten (en zullen) worden vervangen.

Ook een jaarlijkse reservering voor onderhoud aan de woning ad f 7.000,-- is aan de hoge kant. De door [eiseres] genoemde schilderwerkzaamheden aan de buitenkant van de woning plegen in de regel immers eens in de vijf jaar te geschieden, terwijl binnenschilderwerk doorgaans minder frequent aan de orde is.

Een bedrag van f 500,-- per maand voor alle drie voormelde posten komt als een meer realistischer maandelijkse reservering voor.

Er bestaat bij deze stand van zaken geen aanleiding om een nieuwe berekening van overlijdensschade te laten vervaardigen, waarin de door de rechtbank aanvaardbaar geachte uitgangspunten dienen te worden betrokken. Immers, mede gelet op evengemelde conclusie van [eiseres] (r.o. 5.13) valt niet te verwachten dat daaruit een overlijdensschade ex artikel 6:108 BW voor [eiseres] zal voortvloeien.

5.15 Een en ander brengt mee dat er in casu geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende overlijdensschade.

5.16 De hoogte van de uitvaartkosten is door [gedaagde] niet weersproken, zodat deze post ad € 470,83 voor vergoeding in aanmerking komt.

5.17 Met betrekking tot de door [eiseres] gevorderde vergoeding van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid wordt het volgende overwogen.

[gedaagde] is aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van de dood van de echtgenoot van [eiseres], zodat [gedaagde] in beginsel binnen de grenzen van artikel 6:98 BW aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres] als gevolg van die gebeurtenis heeft geleden. Om die reden kunnen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden (Hoge Raad 11 juli 2003, RvdW 2003, 125).

5.18 De kosten van het opmaken van het eerste rapport van NRL kan de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De berekening van overlijdensschade is immers een gecompliceerde materie en van [eiseres] kon niet gevergd worden dat zij de door [gedaagde] gepresenteerde berekening van haar schade, welke voor haar zeer nadelig uitpakte, voetstoots zou accepteren. Bedoelde -door [eiseres] deugdelijk gespecificeerde- post ad € 1.618,40 komt dan ook voor toewijzing in aanmerking. Daaraan doet -gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 5.17 is overwogen- niet af dat bedoelde berekening uiteindelijk niet tot het door [eiseres] gewenste resultaat heeft geleid. Mede in aanmerking genomen het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof Amsterdam, kan niet gezegd worden dat [eiseres] in deze een niet verdedigbaar standpunt heeft ingenomen.

Het verwijt van [gedaagde] dat NRL bij haar tweede rapport tegen beter weten in heeft vastgehouden aan haar eigen berekening is dan ook misplaats. Het feit dat laatstbedoelde kosten eerst lopende de onderhavige procedure zijn gemaakt, staat aan toewijzing van die post niet zonder meer in de weg. De factuur van NRL d.d. 3 juli 2003 ad € 928,20 is -in tegenstelling tot de eerste factuur van NRL- evenwel niet deugdelijk gespecificeerd, hetgeen te meer in de reden had gelegen nu er al een eerste berekening door NRL was vervaardigd en het bedrag van de tweede factuur meer dan de helft van het bedrag van de eerste factuur bedraagt.

Om die reden zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld bij akte bedoelde factuur d.d. 3 juli 2003 deugdelijk te specificeren.

[eiseres] zal tevens in de gelegenheid worden gesteld de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten van juridische hulp en bijstand vanaf september 2000 ad € 3.500,-- deugdelijk te specificeren.

[gedaagde] zal op de inhoud van bedoelde akte mogen reageren.

De rechtbank hecht eraan om aan te geven dat zij voornemens is om te zijner tijd de proceskosten -gelet op de omstandigheden van het geval- te compenseren.

5.19 Het vorenoverwogene leidt tot na te melden beslissing.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

stelt [eiseres] in de gelegenheid om bij akte ter rolle van woensdag 24 november 2004 te 10.00 uur de factuur van NRL d.d. 3 juli 2003 ad € 928,20 alsmede de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten van juridische hulp en bijstand vanaf september 2000 ad € 3.500,-- deugdelijk te specificeren;

bepaalt dat [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld om bij akte te reageren op uitsluitend de inhoud van bedoelde akte van [eiseres];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.

- 7 -