Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR7721

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2004
Datum publicatie
16-12-2004
Zaaknummer
114862 / HA ZA 04-1909
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling

Belang van belanghebbende om ook thans te kunnen blijven beschikken over een zanddepot, ondergeschikt aan het belang van reclamant bij uitbreiding van de aan zijn huisperceel grenzende grond ten behoeve van zijn melkveebedrijf, nu belanghebbende op peildatum niet het vooruitzicht had dat hij ook thans nog zou kunnen beschikken over het zanddepot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 114862 / HA ZA 04-1909

Datum uitspraak : 24 november 2004

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, gewezen op het bezwaarschrift tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling [woonplaats], blok [woonplaats] (bezwaarnummer 503), van:

[reclamant],

wonende te [woonplaats]

[adres],

reclamant.

Partijen zullen "De commissie" en "[reclamant]" worden genoemd.

1. De verdere procedure

Dit vonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 22 september 2004.

Bij dit vonnis is de zaak verwezen naar de commissie met het verzoek de rechtbank te informeren over het antwoord op de vraag of toedeling van een deel van het perceel 174.216 aan [X] mogelijk is met in acht neming van hetgeen in rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis is overwogen.

Ter beantwoording van deze vraag heeft de commissie bij brief van 8 oktober 2004 een brief van de [gemeente] van 1 oktober 2004 met bijlage in het geding gebracht.

De gemachtigde van [reclamant] heeft hierop gereageerd bij brief van 18 oktober 2004. Bij deze brief verzocht hij tevens om een nadere mondelinge behandeling.

Deze is vastgesteld op 21 oktober 2004. Voorafgaand daaraan hebben [X] en de gemachtigde van [reclamant] bij faxbrieven van 21 oktober 2004 stukken in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 9 november 2004. Voorafgaand daaraan heeft de nieuwe gemachtigde van [reclamant] wederom stuken in het geding gebracht.

Ter zitting van 9 november 2004 hebben de gemachtigde van [reclamant], [reclamant] zelf, de commissie en [X] hun standpunt toegelicht aan de hand van pleitnotities, die zij hebben overgelegd. Namens [Y] heeft haar dochter haar standpunt toegelicht.

Ter zitting van 9 november 2004 is de afspraak gemaakt, dat partijen zich uiterlijk 23 november 2004 zouden uitlaten over het antwoord op de vraag of een regeling kan worden bereikt.

De commissie, [X], de gemachtigde van [reclamant] en [reclamant] zelf hebben brieven aan de rechtbank verzonden c.q. bij de rechtbank bezorgd. Deze zijn door de rechtbank ontvangen op 23 en 24 november 2004.

Uit deze brieven blijkt dat tussen [reclamant] en [X] slechts op deelpunten overeenstemming is bereikt.

In deze stukken hebben de commissie, [X] en [reclamant] tevens hun standpunten weergegeven over een eventuele alternatieve toedeling, voor het geval de rechtbank het bezwaar van [reclamant] gegrond zou oordelen. Van het standpunt van [Y] over dit onderwerp blijkt uit de brief van de commissie van 24 november 2004.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. De verdere beoordeling.

Thans dient de vraag beantwoord te worden, wiens belang de doorslag hoort te geven bij de toedeling van de percelen 178.207 en 178.206, die respectievelijk door [X] en [Y] zijn ingebracht en in het plan van toedeling aan hen worden toegedeeld.

Het belang van [reclamant] komt erop neer, dat voor hem bij toedeling van deze percelen de mogelijkheid ontstaat van beweiding, die verplicht is gesteld bij de door hem voorgenomen biologische bedrijfsvoering. Hij heeft dit op het door hem ingevulde wensformulier ook aangegeven. Dit belang is in de richtlijnen als een zwaarwegend belang voor melkveehouders erkend. Op de peildatum was hij melkveehouder en hij is dit nog steeds.

Ten aanzien van het belang van [X] heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen, dat zij recht heeft op toedeling van een perceel, dat als zanddepot mag worden gebruikt, omdat zij een dergelijk perceel heeft ingebracht.

De rechtbank handhaaft het oordeel, dat de toedeling [X] ten minste vergelijkbaar dient te zijn met haar inbreng maar zij dient terug te komen op de uitwerking daarvan. Uit de na het tussenvonnis verkregen informatie immers is gebleken, dat niet gezegd kan worden, dat [X] een perceel heeft ingebracht, ten aanzien waarvan op de peildatum een thans nog relevant te achten toestemming voor het hebben van een zanddepot rustte.

Uit de overgelegde stukken blijkt, dat [X] het perceel op 20 januari 2000, kort voor de peildatum, heeft gekocht. Het perceel had destijds en heeft nu nog een agrarische bestemming.

De commissie heeft bij de eerste mondelinge behandeling door de rechtbank betoogd, dat den Ouden het perceel in overleg met de gemeente heeft aangekocht met het oog daarop een zanddepot in te richten (pleitnota mr. Thijssen blz.6). Uit de na het tussenvonnis in het geding gebrachte stukken blijkt, dat dit in zoverre juist is, dat de [gemeente] voornemens was medewerking te verlenen voor het gebruik van dit perceel als zanddepot, echter in tijd begrensd tot medio 2004 (brief gemeente 29 november 1999).

Dat de gemeente voornemens was medewerking te verlenen tot dit gebruik is op zichzelf relevant voor de beantwoording van de thans voorliggende vraag. Evenzeer relevant is echter, dat de gemeente blijkens haar brief aan het kadaster van 29 november 1999 geen situatie wenste te creƫren, die met een mogelijke toedeling aan [reclamant] zou conflicteren. De commissie heeft in haar brief van 14 januari 2000 geantwoord, dat zij een ontheffing ingevolge de artikelen 70 en 71 van de Landinrichtingswet kon verlenen op een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde, dat het perceel op 1 januari 2003 in de staat van de eerste schatting opgeleverd zou worden. De bedoelde ontheffing is op 17 april 2000 door de commissie verleend. Daarbij is de einddatum expliciet gesteld op 1 januari 2003.

Ten tijde van de aankoop en ten tijde van de peildatum - het maakt geen verschil of deze nu op 1 april 2000 of op 22 november 2000 moet worden gesteld, partijen verschillen daarover van mening - kon [X] ten aanzien van dit perceel geen andere verwachting hebben dan dat de gemeente voornemens was een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan in procedure te brengen, zonder daarbij de eventuele toedeling aan [reclamant] te willen frustreren en dat de commissie bereid was een tijdelijke ontheffing als bedoeld in de artikelen 70 en 71 van de Landinrichtingswet te verlenen. Dit betekent op zich zelf een meerwaarde van dit perceel, maar deze meerwaarde was tijdelijk en is thans uitgewerkt.

Dat de commissie de ontheffing tot 1 november 2004 heeft verlengd en dat de gemeente een vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend tot 19 augustus 2006 doet daaraan niet toe of af. Deze beslissingen zijn van na de peildatum en zij kunnen een toedeling aan [reclamant] niet in de weg staan. Ook het feit, dat [X], na het verlopen van de ontheffing per 1 november 2004, het zanddepot niet heeft ontruimd, is voor de weging van de belangen over een weer niet van belang.

De rechtbank heeft kennis genomen van het standpunt van de [gemeente], dat verplaatsing van het zanddepot thans niet opportuun is, echter in het licht van de correspondentie tussen de gemeente en de commissie uit 1999 en 2000 kan dit evenmin doorslaggevend zijn. Destijds heeft de gemeente terecht de vraag gesteld of en in hoeverre een tijdelijke toestemming voor het gebruik van het perceel als zanddepot van invloed kon zijn op de toedelingsmogelijkheden. De commissie heeft ten opzichte van zowel [X] als de gemeente er geen twijfel over laten bestaan, dat zij van mening was, dat het perceel voor uitruil beschikbaar moest blijven.

De rechtbank ziet op zichzelf wel het belang, dat [X] ook thans kan blijven beschikken over een zanddepot, maar in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel, dat dit belang ondergeschikt is aan het belang van [reclamant] bij uitbreiding van de aan zijn huisperceel grenzende grond ten behoeve van zijn melkveebedrijf.

Ten aanzien van het belang van [Y] heeft de rechtbank in het tussenvonnis vastgesteld, dat noch zij, noch de commissie een specifiek belang heeft gesteld om het door haar ingebrachte perceel 178.206 weer aan haar toe te delen. De rechtbank heeft voorts overwogen, dat toedeling van dit perceel aan [reclamant] alleen dan realistisch en voor hem van voordeel is, indien ook het aan [X] toegedeelde perceel aan hem zou kunnen worden toegedeeld.

Nu dit laatste het geval is brengt een juiste afweging van belangen naar het oordeel van de rechtbank met zich, dat ook het perceel 178.206 aan [reclamant] behoort te worden toegedeeld.

Dit alles leidt tot de conclusie, dat het bezwaar van [reclamant] gegrond is in die zin, dat het aan [X] toegedeelde perceel 178.207 en het aan [Y] toegedeelde perceel 178.206 alsnog aan [reclamant] behoren te worden toegedeeld.

Het gevolg hiervan is dat aan [X] en aan [Y] delen van het perceel 174.216 dienen te worden toegedeeld.

Zoals ter zitting van 9 november 2004 is afgesproken heeft de commissie bij brief van 22 november 2004 een voorstel voor deze toedeling aan de rechtbank doen toekomen. Dit voorstel is ook aan de betrokkenen voorgelegd.

Dit voorstel komt er kort gezegd op neer, dat aan [Y] een gedeelte van het perceel 174.216, gelegen aan [adres] wordt toegedeeld en een gedeelte van dit perceel, gelegen achter en aansluitend aan het haar toegedeelde perceel 174.214. Aan [X] wordt een gedeelte van het perceel toegedeeld liggend in de noord-westhoek daarvan.

De commissie heeft bevestigd dat haar voorstel de instemming van [Y] heeft.

Uit de brief van [reclamant] aan de commissie van 22 november 2004, waarvan hij een kopie bij de rechtbank heeft bezorgd blijkt, dat hij met het voorstel van de commissie kan instemmen, met dien verstande, dat hij een drietal alternatieven presenteert, waaraan hij de voorkeur geeft. [X] heeft de rechtbank bij brief van 23 november 2004 laten weten, dat het voorstel van de commissie voor haar (en voor [reclamant]) niet acceptabel is. [X] bepleit een tweetal alternatieven, die gelijk zijn aan de eerste twee door [reclamant] bepleite alternatieven. Over deze twee alternatieven zijn [reclamant] en [X] het eens. Deze alternatieven gaan echter ten koste van de voorgestelde toedeling aan [Y], die kennelijk in het overleg tussen [reclamant] en [X] niet is betrokken.

De rechtbank stelt vast, dat het door [Y] ingebrachte perceel 178.206 goed ontsloten is aan [adres] en aan [adres]. Zou, conform de door [X] en [reclamant] gedachte alternatieven, aan haar een gedeelte van het perceel 174.216 gelegen achter en aansluitend aan het perceel 174.213 worden toegedeeld, dan verkrijgt zij weliswaar een aaneensluitend perceel, maar op het punt van de ontsluiting van haar grond boekt zij een aanmerkelijke achteruitgang. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet aanvaardbaar. De rechtbank zal het plan van toedeling, waar het de toedeling aan mevrouw [Y] betreft, wijzigen conform het voorstel van de commissie.

Met betrekking tot de toedeling aan [X] heeft [reclamant] nog een voorstel gedaan, dat er op neer komt dat aan [X] een strook van het perceel 174.216 wordt toegedeeld aan de westzijde daarvan.

[X] heeft aan de rechtbank geen voorstel gedaan voor het geval de rechtbank het voorstel van de commissie voor de toedeling aan [Y] zou overnemen. Wel heeft [X] bij brief van 19 november 2004 aan de commissie een kennelijk zeer subsidiair voorstel gedaan met het verzoek dit uit te werken en aan de rechtbank over te brengen. In dit voorstel komt het aan [X] toe te delen perceel parallel aan [adres] te liggen, met dien verstande, dat voor [reclamant] een strook beschikbaar blijft voor de ontsluiting van het aan hem toe te delen restant van het perceel 174.216.

De rechtbank is van oordeel, dat dit laatste voorstel dient te worden gehonoreerd. Ook [X] heeft dan - gezien de vorm van het toe te delen perceel en de ligging aan [adres] - nog enig voordeel van de ruilverkaveling, althans enige compensatie van mogelijk nadeel dat zij lijdt als gevolg van het feit, dat zij het door haar ingebrachte perceel 178.207 aan [reclamant] ten behoeve van diens melkveebedrijf dient af te staan.

[reclamant] geniet een aanzienlijk voordeel door de uitbreiding van de aan zijn huisperceel grenzende gronden. Het voor [reclamant] resterende gedeelte van het perceel 174.216 is niet ongunstig van vorm. De ontsluiting aan de zuidzijde is niet ongunstig, terwijl ook aan de noordzijde een ontsluiting naar de openbare weg beschikbaar is.

Omdat [reclamant] slechts voor een deel gelijk krijgt zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

3. De beslissing.

De rechtbank:

verklaart het bezwaar van [reclamant] voor een deel gegrond;

wijzigt het plan van toedeling in die zin,

- dat aan [reclamant] worden toegedeeld de percelen 178.206 en 178.207, alsmede het op aangehechte kaart aangegeven perceel 174.216 A

- dat aan [Y] worden toegedeeld de op aangehechte kaart in streeparcering aangegeven percelen 174.216 C en 174.216 D

en

- dat aan [X] wordt toegedeeld het op aangehechte kaart in kruisarcering aangegeven perceel 174.216 B;

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.M. van der Ham, mr. M.G.P.A. Burghoorn en mr. C.M. Lubbers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.