Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR7705

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
17-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/3085 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstandsuitkering. De kinderen van eiseres hebben schadevergoeding uitgekeerd gekregen als gevolg van het overlijden van hun vader. Eiseres kan op grond van een machtiging van de kantonrechter een bedrag van € 400,- per maand opnemen ten behoeve van haar kinderen.

Verweerder heeft deze bedragen van € 400,- per maand op eiseresses bijstandsuitkering in mindering gebracht op grond van artikel 42 Abw.

Rechtbank: Niet in geschil is dat het aan de kinderen uitgekeerde bedrag een uitkering was voor geleden immateriële schade. Dit geldt daarom ook voor de maandelijkse hieruit vrijkomende bedragen van € 400,-. Verweerder is hieraan voorbijgegaan door artikel 43, tweede lid, onder k, Abw niet bij de besluitvorming te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 03/3085 NABW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. P.C.J. Willekens, advocaat te Helmond,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder,

gemachtigde drs. N.M.H.A. van Hirtum, werkzaam bij de gemeente Helmond.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres heeft per 27 december 2002 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd. Bij besluit van 13 maart 2003 heeft verweerder geweigerd eiseres voor de gevraagde uitkering in aanmerking te brengen, op de grond dat zij tot 1 maart 2003 over voldoende middelen kan beschikken om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 september 2003 heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van 27 december 2002 (alsnog) in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Hierbij is het vrij te laten vermogen vastgesteld op € 23.563,40. Verweerder heeft berekend dat eiseres deze grens met € 3.316,43 heeft overschreden, zodat op de uitkering maandelijks een korting wordt toegepast van € 400,--, totdat het bedrag van € 3.316,43 is opgesoupeerd. Tevens is besloten over de periode van 1 maart 2003 tot en met 21 augustus 2003 af te zien van terugvordering dan wel verrekening van de korting van € 400,--, omdat eiseres redelijkerwijs niet kon weten dat haar uitkering over die periode zou worden gekort. Over september 2003 dient nog € 51,91 in mindering op de uitkering te worden gebracht.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2004 waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen.

II. OVERWEGINGEN

In 1994 is de vader van de twee oudste kinderen van eiseres ten gevolge van een ongeval overleden. Deze kinderen hebben in 1996 als gevolg van dit overlijden bedragen van respectievelijk fl. 101.105,-- en fl. 70.567,-- aan schadevergoeding uitgekeerd gekregen. Dit bedrag is op twee rendementrekeningen gestort. Eiseres heeft steeds slechts na een machtiging van de kantonrechter van deze rekeningen geld op mogen nemen. De kantonrechter heeft bepaald dat het vermogen uitsluitend ten behoeve van deze kinderen mag worden besteed en dat mitsdien opgenomen gelden niet mogen worden besteed aan de betaling van huur, gas, water en licht. In het verleden heeft de kantonrechter per uitgave een machtiging afgegeven. Met ingang van 1 januari 2002 heeft de kantonrechter jaarlijks een machtiging afgegeven, laatstelijk gedateerd 7 februari 2003. Hierin is bepaald dat eiseres per maand een bedrag van € 400,-- ten behoeve van haar kinderen mag opnemen. Eiseres heeft in verband met de beëindiging van haar werkloosheidsuitkering per 27 december 2002 een bijstandsuitkering aangevraagd.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de bedragen waarover eiseres maandelijks kan beschikken van (maximaal) € 400,-- op haar uitkering in mindering mogen worden gebracht.

Aan het standpunt van verweerder ligt ten grondslag de opvatting dat eiseres maandelijks daadwerkelijk kan beschikken over € 400,--. Dit bedrag moet daarom volgens verweerder op grond van artikel 42 van de Abw tot de middelen worden gerekend en in mindering worden gebracht op eiseresses bijstandsuitkering.

Eiseres is het daarmee niet eens en heeft aangevoerd dat de € 400,-- inkomsten zijn uit immateriële schade die op grond van artikel 43, tweede lid, onder k, van de Abw niet tot de middelen mogen worden gerekend. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij niet vrijelijk over dit bedrag kan beschikken. De kantonrechter heeft namelijk bepaald dat dit bedrag alleen gebruikt mag worden voor de kinderen. Verder heeft eiseres gewezen op een passage uit de brief van de kantonrechter aan haar van 19 maart 2003. Daarin staat te lezen dat de kantonrechter van de zijde van de gemeente had vernomen dat het maandelijks op te nemen bedrag van € 400,-- niet in mindering zou worden gebracht op de uitkering.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, onder k, van de Abw wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend een uitkering in verband met geleden immateriële schade, voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering uit een oogpunt van bijstandsverantwoording verantwoord is.

De rechtbank stelt voorop dat de wijze waarop de beslissing op bezwaar tot stand is gekomen weinig inzichtelijk in het thans bestreden besluit is opgeschreven. De rechtbank begrijpt dat de hoogte van het vermogen van eiseres – ook in bezwaar – is vastgesteld op € 26.879,83. Nu eiseres tegen deze vaststelling geen grieven heeft aangevoerd zal de rechtbank hier ook van uitgaan.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het in 1996 uitgekeerde bedrag een uitkering was voor geleden immateriële schade. Dit betekent dat de maandelijks uit dit bedrag vrijkomende bedragen van (maximaal) € 400,-- ook aangemerkt dienen te worden als uitkering in verband met geleden immateriële schade. De rechtbank stelt vast dat verweerder hieraan bij het bestreden besluit voorbij is gegaan, nu uitsluitend artikel 42 van de Abw aan de korting ten grondslag is gelegd, zonder artikel 43, tweede lid, onder k, van de Abw bij de besluitvorming te betrekken. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van de motivering van verweerder, zoals die is gegeven op de twee na laatste en één na laatste pagina van het bestreden besluit.

Om die reden is het bestreden besluit, voor zover het de korting van € 400,-- met een maximum van € 3.316,43 betreft, genomen in strijd met de wet. Gelet op het voorgaande kan dit deel van het bestreden besluit niet in stand blijven en zal de rechtbank verweerder opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit – gelet op het tweede deel van de regel, in artikel 43, tweede lid, onder k, van de Abw - de mogelijkheid heeft om een deel van de immateriële schadevergoeding te betrekken bij de bijstandsverlening. Daarbij zal tevens het gestelde in de brief van 19 maart 2003 dienen te worden betrokken. Verder noemt verweerder in het bestreden besluit een aantal aspecten waarmee rekening gehouden zou moeten worden bij de bepaling of een deel van de immateriële schadevergoeding tot de middelen moet worden gerekend. Niet duidelijk is of deze uitgangspunten zijn neergelegd in beleid van de gemeente Helmond. Indien hierover beleid is geformuleerd zal verweerder bij het nieuw te nemen besluit toepassing dienen te geven aan dit beleid.

De rechtbank wijst er tenslotte op dat bij het nieuw te nemen besluit eiseres niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren dan zij was voor het instellen van beroep. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder dienaangaande nog verklaard dat de korting van € 400,00 per maand per 1 oktober 2003 is gestaakt.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

· waarde per punt € 322,00

· wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Helmond aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 31,-- dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de korting van € 400,00 per maand, gemaximeerd tot € 3.316,43;

- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Helmond aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 31,--;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de gemeente Helmond aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier op 14 oktober 2004.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: