Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR7700

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2004
Datum publicatie
17-03-2005
Zaaknummer
AWB 03/2738 AW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU9137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenzaak. Verzoek om herwaardering van functie toegevoegd jurist kantongerecht.

Eiser is per 1-1-2000 geplaatst in de functie van toegevoegd jurist kantongerecht en verricht werkzaamheden als kantonrechter-plaatsvervanger.

Uit de wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie leidt de rechtbank af dat rechtspraak slechts kan worden opgedragen aan de hierboven genoemde (rechterlijke) ambtenaren en niet aan een toegevoegd jurist. Rechterlijke werkzaamheden kunnen daarom geen onderdeel zijn van de functie van toegevoegd jurist. Eisers werkzaamheden als kantonrechter-plaatsvervanger staan derhalve los van zijn functie van toegevoegd jurist. Hij wordt daarvoor opgeroepen en kan dergelijke oproepen weigeren.

Verzoek om herwaardering van zijn functie is door verweerder terecht geweigerd.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd door Centrale Raad van Beroep; LJN AU9137.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 03/2738 AW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

mr. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de rechtbank [plaats], verweerder,

gemachtigde mr. J.M.M.B. Maes, werkzaam bij CAPRA te ’s-Hertogenbosch.

I. PROCESVERLOOP

Op 13 januari 2003 heeft eiser mondeling de president van de Rechtbank [plaats A] verzocht om een (her)waardering van zijn functie van toegevoegd jurist kantongerecht, standplaats [plaats B].

Bij brief van 25 april 2003 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 4 september 2003.

Bij brief van 26 september 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarbij heeft eiser de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van het niet toekennen van een hogere honorering over een periode die de rechtbank aangewezen acht, met inbegrip van de wettelijke rente.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 augustus 2004, waar eiser is verschenen in persoon. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen. Als medegemachtigde van verweerder is verschenen

mw. mr. [president], president van de rechtbank [plaats A].

Als getuige voor eiser is verschenen mw. mr. [getuige], voormalig coördinerend kantonrechter te [plaats A].

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit, waarbij verweerder eisers verzoek om (her)waardering van zijn functie heeft afgewezen, in rechte kan standhouden.

Bij haar oordeelsvorming is de rechtbank uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Tot 1 januari 1998 was eiser werkzaam als Directeur Gerechtelijke Ondersteuning (DGO) bij de gerechtelijke diensten van de toenmalige arrondissementsrechtbank te [plaats A]. Deze functie is als gevolg van de invoering van een nieuwe beheerstructuur binnen de gerechtelijke organisatie komen te vervallen.

Bij brief d.d. 12 september 1997 heeft de heer P.F.M. Jägers, Directeur Rechtspleging van het ministerie van Justitie, eiser meegedeeld dat hij in staat wordt gesteld om onder coaching van mr. [getuige], coördinerend kantonrechter van het arrondissement [plaats A], werkzaamheden te verrichten die hem op termijn inzetbaar maken voor de functie van kantonrechter-plaatsvervanger.

Bij brief van 14 januari 1998 heeft de heer Jägers eiser meegedeeld dat hij per 1 januari 1998 voor een periode van 18 maanden is aangewezen als herplaatsingskandidaat. Voorts blijkt uit de brief dat met mr. [getuige] een opleidingstraject is opgesteld, waardoor eiser zich kan bekwamen als kantonrechter-plaatsvervanger. Wanneer eiser het opleidingstraject binnen 18 maanden met goed gevolg heeft afgerond, zal hij worden benoemd als manager ten behoeve van de rechterlijke organisatie. Vanuit deze functie zal hij full time de werkzaamheden uitvoeren die behoren bij de functie van kantonrechter-plaatsvervanger.

Uit de brief van mw. mr. [getuige] d.d. 24 augustus 1998 aan de Commissie aantrekken leden rechterlijke macht (CALRM) blijkt dat eiser sedert januari 1998 een op bedoelde opleiding toegespitst takenpakket heeft gekregen. In de brief heeft mr. [getuige] voorts aangegeven dat eiser, gelet op het positieve verloop van de opleiding, in de gelegenheid moet worden gesteld ook daadwerkelijk als kantonrechter-plaatsvervanger ter zitting op te treden. Zij heeft daartoe eiser bij de CALRM aanbevolen voor de functie van kantonrechter-plaatsvervanger.

Bij brief van 16 december 1998 heeft de CALRM een negatief advies uitgebracht ten aanzien van eisers geschiktheid voor een rechterlijke functie.

Blijkens de (inhoudelijk gelijkluidende) brieven van 26 oktober 1999 en 28 augustus 2000 van respectievelijk de plaatsvervangend directeur-generaal en de directeur-generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand van het ministerie van Justitie is afgezien van het voornemen om eiser aan te stellen in de functie van gerechtsauditeur bij het kantongerecht te [plaats B], omdat dit voor eiser negatieve rechtspositionele consequenties zou hebben. Voorgesteld is om eiser ontslag te verlenen uit de functie van DGO en hem gelijktijdig te benoemen in de persoonsgebonden functie van Toegevoegd Jurist Kantongerecht [plaats B], met behoud van zijn bezoldiging, te weten schaal 14, bijlage B, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA) 1984.

Bij wijzigingsbesluit van 7 december 2000 is eiser vervolgens per 1 januari 2000 bovenformatief geplaatst in de functie van toegevoegd jurist kantongerecht, met als standplaats [plaats B].

Bij brief van 26 juni 2001 heeft de CALRM een positief advies uitgebracht over eisers geschiktheid voor de functie van kantonrechter-plaatsvervanger.

Bij Koninklijk Besluit van 11 oktober 2001 is eiser benoemd tot kantonrechter-plaatsvervanger en als zodanig beëdigd ter zitting van de rechtbank [plaats A] op 8 november 2001.

Eiser is van mening dat zijn rechterlijke werkzaamheden een wezenlijk en taakverzwarend onderdeel uitmaken van zijn functie en als zodanig dienen te worden gewaardeerd. Eiser baseert zijn standpunt op de in het verleden met hem gemaakte afspraken. Die waren er op gericht hem na het voltooien van de opleiding te kunnen inzetten als full time kantonrechter-plaatsvervanger, aldus eiser. Zijn benoeming in de functie van toegevoegd jurist heeft geen andere bedoeling gehad dan het veiligstellen van zijn functie. Na voltooiing van zijn opleiding is de volgens eiser inhoudsloze functie gehandhaafd, maar de functiebenaming heeft geen enkele relatie met zijn feitelijke werkzaamheden als kantonrechter-plaatsvervanger, welke hij sinds maart 2002 zelfstandig verricht. De bezoldiging moet in overeenstemming worden gebracht met de aard en inhoud van zijn rechterlijke werkzaamheden, aldus eiser.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden van eiser als kantonrechter-plaatsvervanger geen deel uitmaken van zijn functie als toegevoegd jurist. De benoeming tot kantonrechter-plaatsvervanger staat los van de functie van toegevoegd jurist. Verweerder kan noch zal eiser verplichten werkzaamheden als kantonrechter-plaatsvervanger te verrichten.

Voorts heeft eiser erop gewezen dat het functiewaarderingssysteem (fuwasys) niet is bedoeld voor functies die grotendeels bestaan uit rechterlijke werkzaamheden.

Volgens verweerder zijn de in 1997 en 1998 met eiser gemaakte afspraken vervallen verklaard bij de brieven van 26 oktober 1999 en 28 augustus 2000 In die brieven is geen melding gemaakt van een beoogde inzet van eiser als kantonrechter-plaatsvervanger.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet op de rechterlijke organisatie (Wro) in werking getreden. Artikel 1, onderdeel b, onder 1 en 2, van de Wro geeft een limitatieve opsomming van rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. De kantonrechter wordt daar niet bij genoemd. Op grond van artikel 48 van de Wro vormt het bestuur van de rechtbank binnen de sector kanton enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die zitting heeft in de enkelvoudige kamer draagt de titel van kantonrechter dan wel kantonrechter-plaatsvervanger. In de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) wordt sinds 1 januari 2002 de term kantonrechter(-plaatsvervanger) niet meer genoemd. Deze wet spreekt alleen van rechter(-plaatsvervanger). Diegenen die als kantonrechter werkzaam zijn, zijn rechter in de rang van vice-president in de sector kanton. Nu eisers benoeming tot kantonrechter-plaatsvervanger van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Wro dateert en beide partijen steeds over de kantonrechter-plaatsvervanger spreken, zal de rechtbank aansluiten bij de door partijen gehanteerde terminologie.

Het geding spitst zich toe op de vraag of eisers werkzaamheden als kantonrechter-plaatsvervanger deel uitmaken van zijn functie als toegevoegd jurist.

De rechterlijke organisatie is wettelijk geregeld in onder meer de Wro en in de Wrra.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wrra wordt een rechterlijk ambtenaar aangesteld voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wrra worden in afwijking van artikel 2 rechters-plaatsvervangers niet aangesteld voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wrra kunnen zij voor het verrichten van werkzaamheden worden opgeroepen door het bestuur van de desbetreffende rechtbank.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wrra kunnen (onder meer) rechters-plaatsvervangers op hun verzoek tijdelijk worden aagewezen voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wrra geschiedt de aanwijzing voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van aanwijzing en verlenging te zamen kan niet meer dan drie jaar bedragen. Een volgende aanwijzing is slechts mogelijk indien sinds de beëindiging van de vorige aanwijzing ten minste zes maanden zijn verstreken.

Vast staat dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een aanwijzing als bedoeld in artikel 6 van de Wrra. Eiser is derhalve kantonrechter-plaatsvervanger in de zin van artikel 5 van de Wrra.

Krachtens artikel 1, aanhef en onderdeel c, van de Wro in samenhang met het in onderdeel b, onder 1° en 2° van dit artikel gestelde worden onder rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast verstaan de coördinerend vice-presidenten van, de de vice-presidenten van, de raadsheren in, de raadsheren in buitengewone dienst van, de raadsheren-plaatsvervangers in, de rechters in, de rechters-plaatsvervangers in de gerechten en de president van de Hoge Raad. Ingevolge artikel 2 zijn de tot de rechterlijke macht behorende gerechten de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad.

Uit de wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie leidt de rechtbank af dat - afgezien van hier niet ter zake doende uitzonderingen - rechtspraak slechts kan worden opgedragen aan de hierboven genoemde (rechterlijke) ambtenaren en niet aan een toegevoegd jurist. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen rechterlijke werkzaamheden dan ook per definitie geen onderdeel zijn van andere functies dan die van rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.

Zou eisers standpunt worden gevolgd, dan zou daarmee in de rechterlijke organisatie een type rechter-plaatsvervanger worden geïntroduceerd die in de wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie niet wordt genoemd, te weten de rechter-plaatsvervanger binnen een andere functie dan die van rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast. Een dergelijke contra legem figuur acht de rechtbank niet aanvaardbaar, zelfs niet wanneer het bevoegd gezag bij betrokkene de verwachting zou hebben gewekt dat deze figuur wel mogelijk is en de opleiding van betrokkene daarop is gericht. De berechting van geschillen is nu eenmaal niet opgedragen aan personen in functies als die van eiser.

Met verweerder is de rechtbank derhalve van oordeel dat eisers werkzaamheden als kantonrechter-plaatsvervanger geheel los staan van zijn functie van toegevoegd jurist. De rechtbank merkt daarbij nog op dat eiser ingevolge artikel 5 van de Wrra zijn rechterlijke werkzaamheden verricht bij oproep. Het staat eiser vrij aan deze oproep geen gehoor te geven. Dat is een aanwijzing te meer dat de rechterlijke werkzaamheden niet tot eisers functie behoren. Een functie bestaat immers uit (structureel) opgedragen werkzaamheden.

De rechtbank miskent niet dat in het voorliggende geval een situatie is ontstaan waarin eisers arbeidstijd substantieel wordt gevuld met rechterlijke werkzaamheden. Eiser heeft structureel sinds maart 2002 een arbeidstaak verricht die, naar de rechtbank aanneemt, in de praktijk niet verschilt van die van een (part time) rechter in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wrra of van een rechter-plaatsvervanger in de zin van artikel 6 van de Wrra. De door eiser aangevoerde omstandigheden kunnen echter niet afdoen aan het oordeel van de rechtbank dat er geen wettelijke grondslag is te vinden voor de door eiser voorgestane figuur van rechter-plaatsvervanger binnen de functie van toegevoegd jurist.

Verweerder heeft dan ook terecht eisers standpunt dat zijn rechterlijke werkzaamheden deel uitmaken van zijn functie als toegevoegd jurist niet gevolgd. Nu eisers verzoek geheel gebaseerd is op dit standpunt, heeft verweerder in redelijkheid, alle belangen in aanmerking nemend, eisers verzoek om zijn functie te (her)waarderen kunnen afwijzen.

Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte standhoudt. Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Hieruit vloeit voort dat eisers beroep tegen het bestreden besluit ongegrond zal worden verklaard.

De rechtbank ziet in verband hiermee geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht dienen te worden vergoed.

De rechtbank merkt eisers verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding aan als een verzoek in de zin van artikel 8:73 van de Awb. De rechtbank kan zich niet verenigen met verweerders standpunt, dat een dergelijk verzoek thans niet aan de orde is nu eiser het verzoek eerst in beroep heeft gedaan. Slechts ten aanzien van een verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar geldt ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb dat dit verzoek moet zijn gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Een dergelijk verzoek is thans echter niet aan de orde.

In artikel 8:73, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding kan toewijzen indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart. Aangezien in het voorliggende geval het beroep ongegrond zal worden verklaard, zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. P.J.H. van Dellen als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. E.W. van den Heuvel als leden en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. M.M.L. Wijnen als griffier op 28 september 2004.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: