Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR5771

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
01/050158-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd en waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2005/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/050158-03

Uitspraakdatum: 16 november 2004

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te (geboorteplaats), (geboorteland), op (geboortedatum)1983

wonende te (woonplaats),(adres.

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

2 november 2004.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 september 2004.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 04 april 2003 te Escharen, gemeente Grave, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, Hoogeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of

onoordeelkundig met een gelet op de verkeerssituatie en/of belading van zijn

motorrijtuig (6 mensen en/of een hoeveelheid papier) te hoge snelheid,

althans met een aanmerkelijke snelheid heeft gereden en/of (vervolgens) niet

voortdurend het door hem bestuurde motorrijtuig onder controle heeft

gehad/gehouden en/of (vervolgens) is gaan slippen/schuiven en/of onvoldoende

adequaat een aantal stuurcorrecties heeft uitgevoerd, waardoor, althans mede

waardoor hij van de weg is geraakt en/of vervolgens tegen een in de berm van

de weg zich bevindende boom is gereden/geslipt/geschoven, waardoor een

ander(en) (genaamd (slachtoffer 1) en/of (slachtoffer 2)) werd(en) gedood en/of

aan (slachtoffer 3) zwaar lichamelijk letsel, te weten een halswervelbreuk en/of aan (slachtoffer 4) zwaar lichamelijk letsel, te weten een polsfractuur en/of een leverscheur en/of een dijbeenfractuur en/of aan (slachtoffer 5) zwaar

lichamelijk letsel, te weten letsel aan de milt en/of een bovenbeenbreuk en/of

een onderbeenbreuk en/of 2e graad brandwonden en/of 3e graad brandwonden, of

zodanig lichamelijk letsel werd(en) toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte

of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 april 2003 te Escharen, gemeente Grave, als bestuurder

van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Hoogeweg, met een

gelet op de verkeerssituatie en/of belading van zijn motorrijtuig (6 mensen

en/of een hoeveelheid papier) te hoge snelheid, althans met een aanmerkelijke

snelheid heeft gereden en/of (vervolgens) niet voortdurend het door hem

bestuurde motorrijtuig onder controle heeft gehad/gehouden en/of (vervolgens)

is gaan slippen/schuiven en/of onvoldoende adequaat een aantal stuurcorrecties

heeft uitgevoerd, waardoor, althans mede waardoor hij van de weg is geraakt

en/of vervolgens tegen een in de berm van de weg zich bevindende boom is

gereden/geslipt/geschoven, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op

die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op

die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 2 november 2004 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat:

verdachte op 4 april 2003 te Escharen, gemeente Grave, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Hoogeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij zeer onvoorzichtig, met een gelet op de verkeerssituatie en de belading van zijn motorvoertuig (zes personen en een hoeveelheid papier) te hoge snelheid heeft gereden en

het door hem, verdachte bestuurde motorvoertuig op de linker weghelft heeft gebracht/gestuurd en (vervolgens) niet voortdurend het door hem bestuurde motorvoertuig onder controle heeft gehad/gehouden en onvoldoende adequaat een stuurcorrectie heeft uitgevoerd, waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig is gaan slippen/schuiven en van de weg is geraakt en vervolgens tegen een in de berm van die weg zich bevindende boom is gereden/geslipt/geschoven en (waarbij) een botsing tussen het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en die boom is ontstaan, waardoor

anderen (genaamd (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2) werden gedood

en aan (slachtoffer 3) zwaar lichamelijk letsel, te weten een halswervelbreuk

en aan (slachtoffer 4) zwaar lichamelijk letsel, te weten een polsfractuur en een leverscheur en een dijbeenfractuur

en aan (slachtoffer 5) zwaar lichamelijk letsel, te weten letsel aan de milt en een bovenbeenbreuk en een onderbeenbreuk en tweedegraads brandwonden en derdegraads brandwonden werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 91;

Wegenverkeerswet 1994 art. 1, 6, 175, 178, 179, 188.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straffen en bijkomende straf die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende

uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte.

Verdachte is op een aantal punten in zeer aanzienlijke mate tekortgeschoten in zijn rijgedrag. Hij heeft, als onervaren chauffeur, de gevolgen van de mate van belading van de door hem bestuurde personenauto in sterk onvoldoende mate betrokken bij het bepalen van zijn snelheid en overige handelingen als bestuurder. Tevens is door de verdere rijstijl, wellicht mede onder invloed van de zeer harde muziek in de auto en het omkijken naar en/of praten met een of meer personen op de achterbank, de auto op een zodanige plaats op de weg geraakt dat een stuurcorrectie nodig was. Deze correctie heeft verdachte op een zodanig onjuiste wijze uitgevoerd, dat dit direct heeft geleid tot het slingeren over de weg. Na een aantal pogingen tot correctie is verdachte met zijn auto in een slip geraakt, waarna hij korte tijd later tegen een boom is gebotst. Als direct gevolg hiervan vonden twee inzittenden de dood en liepen drie andere inzittenden ernstig lichamelijk letsel op.

De door de nabestaanden ondervonden gevolgen zijn zeer ingrijpend en in essentie onherstelbaar. Ook voor de letselslachtoffers heeft het rijgedrag van verdachte verstrekkende gevolgen gehad.

De rechtbank zal de ernst en omvang van de gevolgen nadrukkelijk meewegen bij het bepalen van de hoogte van de straf, waarbij de rechtbank van oordeel is dat met name de gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid in onvoldoende mate de ernst van het strafbare feit tot uitdrukking brengt. Om die reden zal de rechtbank op dat onderdeel een hogere straf dan gevorderd opleggen. De rechtbank zal de gevorderde werkstraf enigszins matigen aangezien zij een lagere schuldgradatie bewezen acht dan de officier van justitie.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit

het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben

geleid:

- verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan de (nabestaanden van de) slachtoffers aangedane leed inziet.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij (naam benadeelde partij).

De benadeelde partij heeft haar vordering ter terechtzitting beperkt tot een bedrag van ? 7780,50, bij wijze van voorschot, terzake immateriële schade. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij (naam benadeelde partij).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade. De vordering strekt immers tot vergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer (bij wijze van voorschot) van immateriële (affectie)schade. De wet biedt geen mogelijkheid tot vergoeding van deze schade in dit strafproces.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu beide partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd

(artikel 6 en 175, lid 1, sub a van de Wegenverkeerswet 1994),

en:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd

(artikel 6 en 175, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet 1994).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

- Werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

- Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

- Gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

- Maatregel van schadevergoeding van EUR 7780,50 subsidiair 78 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, de ouders van (slachtoffer), van een bedrag van

EUR 7788,50 (zegge: zevenduizend zevenhonderd en tachtig euro en vijftig eurocent),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (naam benadeelde partij).

Wijst de vordering van de benadeelde partij, de ouders van het slachtoffer (slachtoffer), toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van EUR 7780,50 (zegge: zevenduizend zevenhonderd en tachtig euro en vijftig eurocent) als voorschot terzake immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij).

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, de ouders van het slachtoffer (slachtoffer).

Compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. O.T. Brouwer, en mr. G.J.W.M. van der Leeuw, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier

en is uitgesproken op 16 november 2004.