Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AR5201

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
04-11-2004
Zaaknummer
85901 FA RK 02-3841
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

eigen vermogen man, huwelijkse voorwaarden, bepalen behoefte vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 10
KWEP 2005/15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

BESCHIKKING

Zaaknummer : 85901 / FA RK 02-3841

Uitspraak : 22 oktober 2004

Beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van

[ namen verzoeker ]

wonende te [ woonplaats verzoeker ]

advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok,

procureur mr. J.E. Benner,

tegen:

[ namen verweerster ]

wonende te [ woonplaats verweerster ]

procureur mr. L.H.M. Zonnenberg,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen ter griffie op 23 september 2002;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de vrouw;

- het verweerschrift van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw;

- de correspondentie, waaronder met name:

* brieven van de procureur van de vrouw, gedateerd 23 juli 2003 (met als bijlagen een fotoboek en een "verslag [ X ]), 25 maart 2004 (met bijlagen) en 3 juni 2004 (met bijlage);

* brieven van mr. J.P. Verhaar-Kok, gedateerd 8 augustus 2003 (met bijlagen), 17 mei 2004 (met bijlagen) en 26 mei 2004 (met bijlagen).

De man verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen.

De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen.

De man heeft zijn verzoek vermeerderd met een voorwaardelijk verzoek.

De vrouw heeft haar verzoeken sub 3 en sub 5 vanaf de woorden "voor zover die kosten" tot en met de woorden "na inschrijving echtscheidingsbeschikking" ingetrokken.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 augustus 2003 en 9 september 2004. Op die zittingen zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar procureur en mr. R. Tournicourt, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

Bewijsstukken

Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt de nationaliteit en de woonplaats van partijen, alsmede waar en wanneer zij met elkaar zijn gehuwd.

De rechtsmacht

Blijkens de overgelegde bescheiden heeft de man de [ XX ] nationaliteit en de vrouw de [ YY ] nationaliteit. Omdat partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen (artikel 2 lid 1 sub a "Brussel II"-Verordening, nr. 1347/2000).

De Nederlandse rechter heeft ook ten aanzien van de nevenvoorzieningen rechtsmacht gelet op de woonplaats van partijen.

Toepasselijk recht

Op het verzoek tot echtscheiding wordt Nederlands recht toegepast omdat een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt en partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 1 lid 1 sub b Wet van 25 maart 1981, Stb. 1981, 166, Wet conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed).

Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 is op het verzoek tot partneralimentatie Nederlands recht van toepassing.

Het verzoek

Echtscheiding

Het verzoek tot echtscheiding is gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting is tussen partijen niet in geschil, zodat deze vaststaat.

Het verzoek kan derhalve worden toegewezen.

De niet in geschil zijnde nevenvoorziening betreffende de pensioenverevening kan worden ingewilligd. De man heeft toegezegd dat hij alle, voor de berekening van het pensioendeel van de vrouw relevante bescheiden aan de vrouw ter hand zal stellen.

Appartement [ plaatsnaam ]

Op [ medio jaartal ] is aan de vrouw geleverd een appartement te [ plaatsnaam ]. De man heeft de koopsom van circa ? 680.670,32 (ƒ 1.500.000,00) betaald. Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

De man verzoekt te verklaren voor recht dat de vrouw aan de man zal dienen terug te betalen het volledige door de man ter beschikking gestelde bedrag voor de aanschaf van het appartement. Hij beroept zich op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden waarin is bepaald dat in alle gevallen waarin tussen de echtgenoten een vermogensverschuiving plaatsvindt, die leidt tot een vermogensachteruitgang van een van beiden, voor laatstbedoelde echtgenoot een recht op vergoeding ten bedrage van de verrijking ontstaat.

De vrouw stelt dat de aankoop van het appartement op naam van de vrouw een objectief voldoen aan een natuurlijke verbintenis vormt. Zij wijst daarbij op de maatstaf zoals die in het arrest HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 (Le Miralda) is geformuleerd.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat desgevraagd tussen partijen niet in geschil is dat het geschil beperkt is tot vergoeding van het indertijd door de man aan de vrouw ter beschikking gestelde nominale bedrag voor de aankoop van het appartement, en derhalve geen betrekking heeft op de huidige aanwezige meerwaarde van het appartement. Deze meerwaarde komt in ieder geval aan de vrouw toe.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis, moet worden uitgegaan van de algemene maatstaf, die wordt omschreven in art. 6:3 lid 2 aanhef en onder b BW. Dit brengt mee dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis, naar een objectieve maatstaf moet worden beoordeeld en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet, geen beslissende betekenis toekomt.

Als objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis kan, zoals door de vrouw terecht is aangevoerd, worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestond uit het verstrekken door de man van gelden voor de aankoop van een alleen op naam van de vrouw gestelde woning, wanneer het voor de hand ligt dat een zodanige prestatie, op het moment van het verrichten ervan, ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in de woning kan wonen (verzorgingsgedachte). Deze waarborg komt niet tot zijn recht, wanneer de vrouw het gevaar loopt de woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man of diens erfgenamen te voldoen, hetgeen ook niet redelijk of billijk zou zijn.

Voorts moet naar het oordeel van de rechtbank mede acht worden geslagen op de wederzijdse welstand en behoefte van partijen en in het algemeen op de omstandigheden van het geval.

De rechtbank heeft dan ook tevens acht geslagen op het feit dat partijen op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd in koude uitsluiting, dat de vrouw omstreeks het aangaan van het huwelijk is gestopt met werken, de wederzijdse welstand en behoefte van partijen en hun respectievelijke leeftijden, alsmede op het feit dat de man zonder enig voorbehoud te maken die gelden aan de vrouw ter beschikking heeft gesteld en de redenen waarom juist dit appartement gekocht is, gelegen is in het sociale leven van de vrouw -die de [ YY ] nationaliteit heeft- dat zich volgens de man nog steeds voornamelijk in [ buitenland ] afspeelt.

De rechtbank kent verder gewicht toe aan het feit dat de vrouw (tot dan toe) niet over enig vermogen beschikte. De vrouw was, naar niet in geschil is, niet in staat om zich een dergelijk appartement zelf te verwerven. Zij had toen, en heeft thans, geen inkomsten uit arbeid en zij heeft, zoals hierna overwogen wordt, behoefte aan een bijdrage in het levensonderhoud van de man. De man daarentegen had en heeft een aanmerkelijk privé-vermogen en hij woont in een riante villa. De man ontvangt daarnaast inkomsten als commissaris en aandeelhouder van de [ naam onderneming], de onderneming waarvan hij tot voor enige jaren geleden directeur-grootaandeelhouder was.

Dat het appartement, zoals de man stelt, slechts op naam van de vrouw is gesteld om de vrouw alleen na overlijden en dan nog alleen indien dat gebeurt tijdens huwelijk te voorzien van een woning, is niet vast komen te staan en is ook niet aannemelijk geworden mede gelet op de gang van zaken zoals partijen die geschetst hebben en zoals deze blijkt uit de overgelegde stukken. Overigens eindigt het huwelijk ook bij overlijden, net als ingeval van bijvoorbeeld echtscheiding (artikel 1:149 BW)

Verder is de vuistregel van het arrest HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 (Le Miralda) niet geformuleerd voor (laat staan beperkt tot) het geval dat het huwelijk wordt beëindigd door overlijden ("na het einde van het huwelijk"; "jegens de man of diens erfgenamen"), terwijl uiteraard ook geen onderscheid wordt gemaakt al naar gelang de man of de vrouw het initiatief tot echtscheiding heeft genomen (vergelijk HR 17 oktober 1997, NJ 1998/692 (premiewoning)).

Voorts is gesteld noch gebleken dat partijen de objectieve aanwijzing dat sprake is van een natuurlijke verbintenis hebben doorbroken door bijvoorbeeld ten tijde van het leveren van de prestatie overeen te komen dat later voor de geleverde prestatie (alsnog) moet worden betaald dan wel dat toen anderszins bepaalde voorwaarden uitdrukkelijk zijn overeengekomen waaruit zulks zou kunnen blijken (vergelijk HR 1 oktober 2004, LJN AO9558). De enkele stelling van de man dat het appartement alleen op naam van de vrouw is gesteld om haar na overlijden te voorzien van een woning is, indien dit al bewezen kan worden, dan ook onvoldoende

De rechtbank acht, alles in ogenschouw nemend, dan ook geen termen aanwezig om de man, die een bewijsaanbod ter zake van zijn voormelde stelling heeft gedaan, een bewijsopdracht te geven.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de aankoop van het appartement op naam van de vrouw naar objectieve maatstaven kan worden beschouwd als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Dit betekent dat het verzoek van de man terzake het appartement in [ plaatsnaam ] wordt afgewezen.

Alimentatie

De vrouw verzoekt primair te bepalen dat de man zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een aantal bedragen.

Subsidiair verzoekt de vrouw te bepalen dat de man zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met ? 85.000,-- per maand.

De man voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek van de vrouw.

De rechtbank is voldoende voorgelicht en acht benoeming van een deskundige, welke mogelijkheid ter zitting volledigheidshalve is besproken, niet noodzakelijk.

Behoeftigheid

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de vrouw onvoldoende eigen middelen heeft, noch zich in redelijkheid op korte termijn kan verwerven, om (volledig) te voorzien in het eigen levensonderhoud .

De vrouw heeft geen inkomsten uit arbeid en het is niet aannemelijk geworden dat zij op korte termijn door inkomsten uit werk (volledig) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De enkele stelling dat de vrouw -zoals de man heeft gesteld- in het verleden tot zij met de man trouwde in [ jaartal ] gewerkt heeft en toen in haar eigen levensonderhoud kon voorzien is onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw onmiddellijk na de echtscheiding daartoe wel in staat is. Bovendien heeft zij inmiddels ruim [ aantal ] jaren niet deelgenomen aan het arbeidsproces en zal zij zich, gelet op haar leeftijd en mogelijkheden op de arbeidsmarkt eerst moeten oriënteren. Door de takenverdeling tijdens het huwelijk is voorts aannemelijk dat de verdiencapaciteit van de vrouw op negatieve wijze is beïnvloed.

Wel kan van haar verlangd worden dat zij zich de komende tijd daadwerkelijk gaat oriënteren en de nodige inspanningen doet om geheel of gedeeltelijk zelf in haar levensonderhoud te gaan voorzien.

Zoals hiervoor weergegeven beschikt de vrouw over privé-vermogen, te weten het appartement in [ plaatsnaam ]. Hoewel onder omstandigheden verlangd kan worden dat op vermogen ingeteerd wordt, kan zulks in casu niet van de vrouw verlangd worden gelet op hetgeen hierna overwogen wordt.

Behoefte

De behoefte van de vrouw kan worden gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de vrouw in redelijkheid past. Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw dient met alle relevante omstandigheden rekening gehouden te worden. Dit betekent (zie HR 19 december 2003, NJ 2004, 140) dat de rechter bij het bepalen van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte onder meer in aanmerking zal moeten nemen:

- wat de inkomsten gedurende de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest;

- (afhankelijk van de omstandigheden) de mogelijkheden van vermogensvorming;

- concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud;

tevens zal de rechter globaal inzicht moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode, ten einde door de hoogte en de aard van die inkomsten en uitgaven een aanwijzing te hebben voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van onderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken.

In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

* inkomsten gedurende laatste periode huwelijk

Naar het oordeel van de rechtbank kan bij de bepaling van het inkomen gedurende de laatste periode van het huwelijk aansluiting worden gezocht bij de aangiften inkomstenbelasting 2000 tot en met 2002. In september 2002 is door de man de echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Voorts zoeken partijen zelf ook aansluiting, blijkens de stukken en het verhandelde, bij de jaren 2000 tot en met 2002.

Het is in het kader van de behoeftevaststelling, anders dan bij het vaststellen van de draagkracht het geval kan zijn, in casu niet relevant of de man een hoger inkomen aan de onderneming had kunnen onttrekken (vergelijk Hof Den Bosch 17 februari 2004, LJN AO6482), terwijl voorts in het kader van deze echtscheidingsprocedure, gelet op de "koude uitsluiting" in de huwelijkse voorwaarden van partijen, voor de vrouw geen recht op (gedeeltelijke) overdracht van het privé-vermogen van de man bestaat nu na het huwelijk een uitkering tot levensonderhoud (1:157 leden 1 en 2 BW) in de plaats treedt van de verplichting elkaar het nodige te verschaffen (1:81 BW)

In de aangiften wordt vermeld dat de man het volgende loon heeft genoten (vanaf 2001 box 1 inkomen):

2000 ? 172.029,-- (persoonlijk inkomen)

2001 ? 194.292,-- (verzamelinkomen)

2002 ? 128.835,-- (verzamelinkomen)

* vermogensvorming

De man heeft de volgende voordelen uit aanmerkelijk belang (de man heeft een aanmerkelijk belang in [ naam onderneming X ] en [ naam onderneming Z ]):

- een dividenduitkering ten bedrage van ? 2.696.446,-- in 2001;

- een dividenduitkering ten bedrage van ? 680.670,-- in 2002.

Volgens de fiscaal adviseur van de man betrof het -kort samengevat- een eenmalig voordeel uit aanmerkelijk belang althans geen structurele inkomsten en volgens de raadslieden van de vrouw is dat dividend uitgekeerd vanwege toen te behalen fiscale voordelen. Bij de behoeftebepaling kan echter in het midden blijven wat de achterliggende gedachte is van voormelde dividenduitkeringen. Feit is immers dat de man deze uitkeringen heeft ontvangen en dat deze uitkeringen al dan niet in vermogen (effecten) is omgezet.

De man heeft onbetwist gesteld dat in 2000 geen dividend is uitgekeerd.

Het feit dat de man zijn aanwezige privé-vermogen al dan niet tijdens het huwelijk heeft kunnen vergroten, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid waaraan bij de bepaling van de behoefte een doorslaggevende betekenis dient te worden toegekend.

Hetzelfde geldt voor al dan niet verantwoorde onttrekkingen uit dat privé-vermogen (vergelijk Hof 's-Hertogenbosch 15 januari 2004, LJN AO2776). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het privé-vermogen van de man is met name gevormd door inspanningen van de man voor de [ naam onderneming]. De man was al voordat hij in het huwelijk trad met de vrouw -het betreft het tweede huwelijk van de man- DGA van de [ naam onderneming]. Partijen zijn onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd en de vrouw kan op grond van die voorwaarden geen aanspraak maken op het vermogen van de man. De man beschikte reeds voor het huwelijk met de vrouw over het landgoed waar hij nu woont, zij het dat na het huwelijk aanzienlijk aan de woning is verbouwd (de man schat de kosten van de verbouwing in op ? 998.316,-- (ƒl. 2.200.000,--)). De vrouw heeft overigens van die verbouwingen kunnen profiteren. Het feit dat de man een privé-vermogen had en heeft en dit tijdens het huwelijk heeft kunnen vergroten, belemmerde de vrouw niet om, zoals zij zelf stelt, een luxe leven te leiden. Partijen waren voor de voorziening in het levensonderhoud niet afhankelijk van het privé-vermogen van de man. Wel draagt voormelde mogelijkheid van verdere privé-vermogensvorming in casu bij tot het oordeel dat partijen in een bepaalde en wel luxe welstand hebben geleefd.

Dat een deel van het gezamenlijke inkomen werd gespaard en/of belegd is gesteld noch gebleken.

* globaal uitgavenpatroon en te verwachten kosten levensonderhoud

De vrouw heeft haar behoefte verder begroot op basis van het te verwachten uitgavenpatroon gerelateerd aan de uitgaven tijdens het huwelijk. Zij heeft daarbij een onderscheid gemaakt tussen de volgende posten:

1. ? 35.000,-- per maand terzake levensonderhoud en het treffen van een pensioenvoorziening;

2. ? 1.625,-- per maand terzake de lasten van het appartement te [ plaatsnaam ];

3. ? 93.750 ,-- per jaar ten behoeve van de aankoop van een [ merk personenauto ] en [ merk personenauto 2 ], eens in de vier jaren;

4. ? 4.166.666,-- voor de aankoop van een woning.

ad 1)

De vrouw heeft een lijst overgelegd (productie 2 bij het verweerschrift) waarin zij een aantal uitgaven vermeld. Zij meent dat zij een bedrag van ? 35.000,-- nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien en om een pensioenvoorziening te kunnen treffen.

De man heeft de inhoud van de lijst gemotiveerd betwist. Hij stelt onder andere dat een aantal uitgaven zakelijke uitgaven betreft, dat de omvang van de bedragen onjuist is en dat privé-uitgaven niet ten laste van de onderneming zijn gebracht. De man acht de door de vrouw opgevoerde uitgaven niet representatief voor de welstand tijdens het huwelijk.

Bij de bepaling van de behoefte kunnen de uitgaven die zijn verricht ten behoeve van de onderneming van de man (als voorbeeld noemt de man de aanschaf van bloemen en wijnen) buiten beschouwing blijven. De man is vanaf [ datum ] niet langer werkzaam als directeur van de [ naam onderneming] en hij heeft vanaf dat moment geen recht meer op salaris. De vrouw verricht geen representatieve werkzaamheden meer. De daarmee gepaard gaande uitgaven, alsmede andere uitgaven welke nauw samenhangen met de maatschappelijke positie van de man, zijn komen te vervallen althans niet (meer) bepalend voor de huidige behoefte van de vrouw (vergelijk HR 3 december 1999, NJ 2000, 183).

De rechtbank overweegt verder dat op de vrouw de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast rust van haar stelling dat zij voor levensonderhoud een bedrag van ? 35.000,-- nodig heeft. De rechtbank merkt evenwel op dat het om een globale begroting van het uitgavenpatroon gaat en dat de vrouw in beginsel kan volstaan met het, zo nodig aan de hand van justificatoire bescheiden, aannemelijk maken van de uitgaven waarop zij haar behoefte baseert.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van het levensonderhoud kunnen worden bepaald op ? 35.000,-- per maand. De vrouw heeft geen bescheiden overgelegd waaruit volgt dat het uitgavenpatroon op het niveau lag zoals de vrouw stelt. De bescheiden die de vrouw wel heeft overgelegd betreffen gedateerde nota's en hebben bovendien betrekking op representatieve uitgaven ten behoeve van de werkzaamheden van de man.

Dat een deel van de privé-uitgaven ten laste van de onderneming van de man zijn gekomen acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. De man is samen met [ naam onderneming V ] medeaandeelhouder van de [ naam onderneming]. Ter zitting heeft de man onweersproken naar voren gebracht dat hij onder andere om die reden privé-uitgaven niet ten laste van de onderneming kan brengen. Dit ligt wellicht anders voor uitgaven voor representatieve doeleinden, maar zoals hierboven overwogen spelen deze uitgaven geen rol bij de bepaling van de behoefte van de vrouw.

De man heeft ter zitting onbestreden naar voren gebracht dat hij de vrouw maandelijks een bedrag van ? 4.000,-- tot ? 5.000,-- ter beschikking stelde ter voldoening van de kosten van de dagelijkse huishouding, de kapper en de kosten van het huispersoneel. Deze laatste kosten beliepen een bedrag van ongeveer ? 1.700,-- per maand. De rechtbank zal gelet op het voormelde uitgaan van een gemiddeld huishoudgeld per maand van ? 4.500,--, zodat na aftrek van de kosten van het huispersoneel een bedrag van ? 2.800,00 resteert dat zowel aan de man als aan de vrouw ten goede kwam.

Daarnaast heeft de man ter zitting naar voren gebracht dat een aantal uitgaven ten behoeve van hen beide door hem afzonderlijk werden voldaan. Het gaat daarbij met name om de hypotheek, ziektekosten, de lopende kosten van het appartement in [ plaatsnaam ], verzekeringen, sieraden, golflidmaatschap, de traiteur met Kerstmis, vakanties, kleding, restaurantkosten als er geen relaties meegingen. De rechtbank zal deze uitgaven mede in aanmerking nemen.

De vrouw heeft verder gesteld dat zij een bedrag voor haar pensioen dient te reserveren. Zij heeft echter niet gesteld wat een redelijk pensioen is en de enkele stelling dat zij voor een pensioengat ? 10.000,-- per maand nodig heeft is bepaald onvoldoende. De rechtbank is wel van oordeel dat in het kader van de behoefte aan alimentatie ook rekening moet worden gehouden met een redelijke pensioenvoorziening. Daarbij is echter ook van belang dat de vrouw -zoals hiervoor aangegeven- anders dan zij gesteld heeft, wel de beschikking heeft over vermogen (het appartement), terwijl zij voorts naar niet in geschil is aanspraak heeft op pensioenverevening.

Alles afwegend acht de rechtbank het door de man genoemde bedrag van ? 1.000,-- per maand niet onredelijk.

ad 2 en 4)

De vrouw stelt dat zij een bedrag van ? 1.500,-- (netto) per maand nodig heeft ten behoeve van de lasten van het appartement te [ plaatsnaam ]. Daarnaast stelt zij dat ze een bedrag van ? 2 miljoen netto, zijnde volgens de vrouw ? 4.166.666,-- bruto, nodig heeft om een nieuwe woning te kunnen kopen. Subsidiair stelt zij dat wanneer zij een woning van ? 2 miljoen dient te financieren, dat per maand ? 38.935,-- kost. De vrouw meent dat een dergelijke woning tot haar behoeftepatroon behoort.

De man betwist dat de vrouw dit bedrag nodig heeft om te kunnen wonen en terzake behoeftig is.

De vrouw heeft de beschikking over een appartement te [ plaatsnaam ]. De man heeft onbestreden gesteld dat dit onbelaste appartement een waarde vertegenwoordigt van circa ? 1,3 miljoen. Uit de door de vrouw overgelegde foto's blijkt dat het om een luxe en volledig ingericht appartement gaat. Niet gebleken is dat het appartement te [ plaatsnaam ] ongeschikt is voor bewoning. Mocht de vrouw om haar moverende redenen niet in het appartement willen wonen, dan staat het de vrouw vrij de waarde van het appartement aan te wenden om elders een woning te kopen. De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij een pand op het oog heeft van ? 1,3 miljoen. De rechtbank gaat er van uit dat voor een dergelijk bedrag in [ buitenland ] (maar ook elders) een riante hypotheekvrije woning gekocht kan worden die beantwoord aan de behoefte van de vrouw. Behoudens de vaste woonlasten (onderhoud en dergelijke), heeft de vrouw geen andere woonlasten.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van de vrouw in redelijkheid niet meebrengt dat zij de beschikking heeft over twee woningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het appartement te [ plaatsnaam ] als natuurlijke verbintenis op naam van de vrouw is gesteld. De man heeft daarmee in voldoende mate voorzien in de behoefte van de vrouw aan een luxe woning. Overigens kan zij als zij de beschikking over twee woningen wil hebben haar vermogen daartoe aanwenden (bijvoorbeeld door verkoop of verhuur van haar onbelaste appartement), dan wel een tweede woning huren zoals zij dat ook thans doet. Aan dit laatste doet niet af dat momenteel die huurlasten door de man worden betaald, nu het haar vrij staat om al dan niet hetzelfde bestedingspatroon te handhaven.

ad 3)

De vrouw stelt dat zij een bedrag van ? 93.750,-- (bruto) per jaar nodig heeft ten behoeve van de aankoop eens per vier jaar van een [ merk personena[ merk personenauto] [ type ] en een [ merk personenauto 2 ] (full options). Zij voert aan dat tijdens het huwelijk iedere vier jaar een dergelijke nieuwe auto voor haar werd aangeschaft en dat zij beide auto's naast elkaar gebruikte.

De man betwist dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de [ merk personenauto 2 ] had. Volgens de man wordt deze auto ook door anderen gebruikt. Voorts betwist hij dat de vrouw elke vier jaar een nieuwe [ merk personena[ merk personenauto] kreeg

De rechtbank acht het redelijk dat de vrouw de mogelijkheid blijft behouden om over een luxe auto te beschikken. De vrouw heeft onbetwist naar voren gebracht dat zij de beschikking had over een [ merk personenauto] [ type ]. Het past derhalve bij de stand van het huwelijk om ook na de echtscheiding over een dergelijke of vergelijkbare auto te kunnen beschikken.

In het algemeen wordt een auto voor de belastingen in vijf jaren afgeschreven. De rechtbank acht het redelijk om met die termijn rekening te houden. Wel gaat de rechtbank er van uit dat de dan te vervangen auto nog een restwaarde heeft, welke restwaarde voor de vrouw netto is.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de vrouw daarnaast het uitsluitende gebruik van de [ merk personenauto 2 ] had, nog daargelaten het feit dat de rechtbank niet inziet waarom de vrouw over twee luxe auto's dient te beschikken. De vrouw heeft haar stelling dienaangaande ook niet, althans onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft de man ter zitting onbetwist aangevoerd dat de [ merk personenauto 2 ] ook door het personeel en anderen werd gebruikt.

De rechtbank zal bij de bepaling van de behoefte dan ook alleen rekening houden met de [ merk personena[ merk personenauto]kosten en wel op de wijze als hiervoor overwogen.

Samenvattend

Alles afwegende, komt de rechtbank tot het oordeel dat de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid kan worden gesteld op een bedrag van ? 17.000,-- bruto per maand. Ook na het huwelijk moet de vrouw immers zo mogelijk in staat zijn om haar leven voort te zetten op de wijze waarop zij dat -afgezien van haar representatie werkzaamheden- gewend was, waarbij overigens niet ter zake doet of zij -zoals hiervoor reeds is overwogen- hetzelfde bestedingspatroon handhaaft.

De rechtbank houdt, zoals hiervoor reeds is overwogen, thans (nog) geen rekening met eventuele inkomsten van de vrouw uit werk. Voorts houdt de rechtbank geen rekening met (mogelijke) inkomsten van de vrouw uit haar vermogen gelet op hetgeen de rechtbank over haar vermogen, te weten het appartement in [ plaatsnaam ], in zijn algemeenheid maar ook met betrekking tot haar pensioenvoorziening overwogen heeft.

Draagkracht

De rechtbank acht de man in staat om volledig in de behoefte van de vrouw te voorzien. Indien en in zoverre hij daardoor inteert op zijn privé-vermogen kan dat van hem, gelet op alle omstandigheden, in redelijkheid van hem verlangd worden.

De man beschikt naast zijn inkomen over een aanmerkelijk vermogen. Daarnaast heeft hij, via [ naam onderneming X ] een meerderheidsbelang in de [ naam onderneming] en bestaat de mogelijkheid om dividend te ontvangen. De man heeft nagelaten, hoewel daarom verzocht, openheid van zaken te geven in de financiële positie van [ naam onderneming X ]

Kosten echtscheidingsprocedure

De vrouw verzoekt op grond van artikel 827 lid 1 sub b en f Rv, althans op grond van het bepaalde in artikel 827 lid 1 sub a, de man te veroordelen de kosten te voldoen die de echtscheidingsprocedure in de ruimste zin van het woord voor de vrouw meebrengt. Zij stelt dat de man toegezegd heeft dat hij de kosten van rechtsbijstand zou voldoen. Zij wijst daarbij op de inhoud van de brief van 5 juni 2002 van [ naam deskundige ], waarin wordt vermeld dat de man er voor in staat dat hij de declaraties van de advocaat van de vrouw, mits niet exorbitant hoog, zal voldoen.

Het verweer van de man komt op het volgende neer:

1. het verzoek van de vrouw kan niet als nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Rv worden aangemerkt;

2 de man betwist dat uit voormelde brief volgt dat de kosten integraal, dus ook in geval van een procedure, ten laste van de man zouden komen. Hij stelt dat de afspraak is gemaakt met het oog op een minnelijke afwikkeling en dat de kosten bij de eindafrekening verrekend kunnen worden;

3 het is in strijd met de redelijkheid om de forse kosten, die in het kader van de procedure zijn gemaakt, voor rekening van de man te laten komen, te meer daar deze kosten nodeloos zijn gemaakt.

ad 1)

Met het eerste verweer stelt de man de ontvankelijkheid van de vrouw aan de orde.

Op grond van artikel 827 lid 1 sub f Rv moet de gevraagde voorziening voldoende samenhang vertonen met het verzoek tot echtscheiding. Het verzoek moet derhalve aansluiten bij de regeling van de gevolgen van de scheiding. Ten tweede moet de behandeling daarvan niet tot onnodige vertraging van het geding leiden.

Blijkens de parlementaire geschiedenis is onderdeel f van aan artikel 827 lid 1 Rv, op voorstel van de commissie De Ruiter, toegevoegd omdat het praktisch en efficiënt kan zijn om in het kader van de scheidingsprocedure de mogelijkheid te hebben ook andere voorzieningen te verzoeken dan de reeds in artikel 827 Rv. opgenomen nevenvoorzieningen. Aldus wordt voorkomen dat voor geschillen die direct verband houden met de betreffende scheidingsproblematiek onnodig afzonderlijke procedures moeten worden gevoerd. Het is immers juist de bedoeling geschillen tussen echtgenoten zoveel mogelijk tezamen in één zitting te behandelen (Nota naar aanleiding van het verslag, kamerstuk 26 862, nr 6).

Deze benadering ligt ook in de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, NJ 1999, 395. In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat het past in het systeem van de wet om aan te nemen dat een zodanige verklaring voor recht - die gepaard kan gaan met een bevel dienovereenkomstig te handelen - in het echtscheidingsgeding verzocht en uitgesproken kan worden, en zulks is ook in het belang van een efficiënte rechtsbescherming. Zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt, is het de bedoeling geweest van de wetgever om geschillen tussen echtgenoten zoveel als mogelijk geconcentreerd te behandelen. De wetgever heeft vanuit praktisch en efficiency oogpunt willen voorkomen dat de echtelieden in het kader van een procedure over de diverse geschilpunten verschillende procedures zouden dienen te entameren.

Voorts kan gelet op artikel 289 Rv door de rechtbank in deze zaak een veroordeling in de proceskosten uitgesproken worden.

Aan het voormelde doet niet af dat in familierechtelijke procedures het gebruikelijk is dat de proceskosten geheel worden gecompenseerd in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Dit gebruik is een toepassing van de door artikel 237 Rv gegeven uitzondering op de hoofdregel dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. De rechter is echter, ook in verzoekschriftprocedures, niet tot compensatie verplicht (artikel 289 Rv). Dit brengt mee dat een (voormalig) echtgenoot geheel of gedeeltelijk in de kosten kan worden veroordeeld, hetzij door toepassing van de hoofdregel van artikel 237 Rv (HR 22 juli 1987, NJ 1988/109), hetzij ingeval van nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten.

Het is overigens niet ongebruikelijk dat in het kader van de onderhandelingen over de gevolgen van de echtscheiding al dan niet van voormeld gebruik afwijkende of aanvullende afspraken worden gemaakt over de kosten van rechtsbijstand. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat er een voldoende samenhang bestaat tussen de voldoening van de kosten van rechtsbijstand en het verzoek tot echtscheiding. Het feit dat partijen daarbij van mening verschillen over de uitleg van de afspraak doet daaraan niet af.

De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek om de man te veroordelen de kosten te voldoen die de echtscheidingsprocedure in de ruimste zin van het woord voor de vrouw meebrengt. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan, gelet op de bewoordingen van het verzoek, dat de vrouw daarmee niet alleen op de proceskosten als bedoeld in artikel 237 Rv heeft gedoeld, maar ook op de feitelijke kosten van de advocaat in verband met de onderhavige procedure.

ad 2)

Het tweede verweer van de man gaat over de uitleg van de afspraak die partijen gemaakt hebben.

Allereerst overweegt de rechtbank dat advocaatkosten in dit soort procedures niet behoren tot de kosten van de "gewone" huishouding, zeker niet als partijen feitelijk al niet meer samenwonen en geen gezamenlijke huishouding meer hebben (vergelijk Hof Arnhem, 15 juni 2004, RFR 2004/8). De vrouw heeft zich daar ook niet op beroepen, maar een beroep gedaan op een overeenkomst welke tussen partijen met betrekking tot die kosten van kracht zou zijn.

Bij de uitleg van een overeenkomst komt het niet alleen aan op de tekst, maar ook op de zin die partijen daaraan over en weer in het licht van de omstandigheden mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten (Haviltex).

Met de man is de rechtbank van oordeel dat een uitleg van de inhoud van de brief meebrengt dat de man slechts heeft toegezegd de kosten gemaakt met het oog op een minnelijke afwikkeling zal voldoen. De toezegging in de brief van 5 juni 2004 is gedaan door de belastingadviseur van de man. De man had op dat moment kennelijk geen advocaat/procureur, althans niet kenbaar voor de vrouw, die hem vertegenwoordigde en die bevoegd is om proceshandelingen te verrichten. Daarnaast blijkt uit de inhoud van voormelde brief dat de belastingadviseur een afspraak met de advocaat van de vrouw heeft gemaakt, welke afspraak, gelet op de inhoud van de brief van 3 juli 2002 van [ naam deskundige ] is gemaakt om de mogelijkheden van een minnelijke regeling te beproeven. Het is niet gebruikelijk dat, in geval van een procedure op tegenspraak, de man de werkelijke proceskosten voor de vrouw voldoet. Het is eerder gebruikelijk om in echtscheidingsprocedures de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Hoewel het hier gaat om de forfaitaire proceskosten, kan deze regel ook worden toegepast op de werkelijke proceskosten van de advocaat. Verder had het voor de vrouw voldoende duidelijk kunnen zijn dat de toezegging van de man geen onvoorwaardelijke toezegging is. In de brief van 5 juni 2002 wordt namelijk vermeld dat de man er voor in staat de declaraties te voldoen, mits niet exorbitant hoog. Vast staat dat de man inmiddels, inclusief de kosten van het bemiddelingstraject, ongeveer ? 50.000,-- aan kosten van de raadslieden van de vrouw heeft voldaan.

Gezien het vorenstaande kan er naar het oordeel van de rechtbank van uit worden gegaan dat de toezegging van de man alleen is gedaan met het oog op de kosten van rechtsbijstand die de vrouw in het kader van het treffen van een minnelijke regeling zijn gemaakt en dat de toezegging niet ziet op de (werkelijke) proceskosten.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat de kosten van rechtsbijstand met de eindafrekening kunnen worden verrekend, nu de man deze stelling onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.

Op het ingetrokken verzoek tot vaststelling van een voorschot terzake de kosten van rechtsbijstand behoeft niet meer te worden beslist.

ad 3)

Het derde verweer van de man behoeft geen bespreking, nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de toezegging van de man alleen is gedaan met het oog op de kosten van rechtsbijstand die de vrouw in het kader van het treffen van een minnelijke regeling zijn gemaakt en dat de toezegging niet ziet op de proceskosten.

Gelet op het bovenstaande wordt het verzoek van de vrouw terzake de kosten van rechtsbijstand afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank:

spreekt tussen partijen, die op [ huwelijksdatum ] te [ huwelijksplaats ] met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit;

veroordeelt de man om vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ?(17.000,-- (zeventienduizend euro) bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart de beslissing met betrekking tot de uitkering in het levensonderhoud uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart voor recht dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening en verplicht de man daaraan zijn medewerking te verlenen onder meer door het aan de vrouw verstrekken van de gegevens zoals genoemd in het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw onder punt 21;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.P. van Gelder, vice-president,

en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2004 in aanwezigheid van de griffier.

- 13 -