Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AP7705

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
24-08-2004
Zaaknummer
90360 - HA ZA 03-161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank zal zich ingevolge artikel 27 lid 2 EEX-Verordening onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak , voor zover dit betrekking heeft op de door eiseres gevorderde verklaring voor recht. Artikel 5 (alternatieve bevoegdheidsregels).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN INCIDENT

Zaaknummer: 90360 / HA ZA 03-161

Datum uitspraak: 12 mei 2004

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAXI MILIAAN B.V.,

tevens handelend onder de naam Dorel Juvenile Group Europe,

gevestigd te Helmond,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

advocaat mr. G.A.Offerhaus,

tegen:

1. de vennootschap naar Spaans recht

BABY PUSHCHAIRS, S.L.,

tevens handelende onder de naam BBY,

gevestigd te Barcelona, Spanje,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

procureur mr. J.E. Benner,

advocaat mr.M.H.J.van Maanen,

als vervolg op het in het incident gewezen vonnis van 3 december 2003.

Partijen zullen hierna "Dorel", "BBY" en "Canal" worden genoemd.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- een akte in het incident houdende producties van de zijde van BBY en Canal;

- een akte in het incident van de zijde van Dorel.

Partijen hebben vonnis in het incident gevraagd.

2. De verdere beoordeling in het incident

2.1. Dorel heeft in de hoofdzaak gevorderd, kort gezegd, (a) een verklaring voor recht dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens BBY, (b) veroordeling van BBY tot betaling van onbetaald gelaten facturen tot een bedrag van € 297.768,70 en (c) veroordeling van Canal tot betaling van dit bedrag indien BBY niet, binnen 14 dagen, aan een eventuele veroordeling voldoet.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de gevorderde verklaring voor recht hetzelfde onderwerp betreft als aan de orde is in de bij de rechter te Barcelona aanhangige procedure.

De rechtbank is verder met Dorel van oordeel dat de vordering sub b niet hetzelfde onderwerp betreft. Het onderwerp van de in Barcelona aanhangige procedure heeft immers betrekking op de tussen Dorel en BBY geslotten distributieovereenkomst en blijkens het inleidend verzoekschrift zijn de onbetaald gelaten facturen, welke zijn gebaseerd op de tussen Dorel en BBY terzake gesloten koopovereenkomsten, daarbij niet aan de orde. Dat er tussen Dorel en Canal een procedure elders is aangebracht, is niet gesteld en evenmin gebleken.

2.2. Nu voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht tevens een procedure bij de Spaanse rechter aanhangig is, dient te worden bezien welke van de beide procedures het eerst is aangebracht, waarbij overeenkomstig het bepaalde in artikel 30 lid 1 van de EEX-verordening geldt dat een procedure wordt geacht te zijn aangebracht bij een gerecht op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen.

2.3. Vast staat dat de onderhavige procedure in de hoofdzaak op 23 september 2002 bij deze rechtbank door Dorel tegen BBY aanhangig is gemaakt. Dorel heeft niet betwist en derhalve staat tussen partijen vast dat BBY eerder, op 25 juli 2002, een procedure tegen Dorel aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank te Barcelona, Spanje, door indiening van het door BBY als productie 2 overgelegde inleidende stuk. Dorel betoogt dat BBY na het indienen van het inleidende stuk bij de rechter te Barcelona heeft nagelaten te doen wat BBY met het oog op de betekening van dit stuk of de kennisgeving aan haar als gedaagde had moeten doen, nu dit stuk is betekend op het adres van haar wederverkoper te Spanje, [X], [adres] te [woonplaats] en in dit stuk in strijd met de waarheid is vermeld dat Dorel op voormeld adres in [woonplaats] zou zijn gevestigd. BBY heeft daartegen aangevoerd dat ingevolge artikel 51 van de Spaanse Wet Burgerlijk Procesrecht de kennisgeving als bedoeld in artikel 30 lid 1 van de EEX verordening kan plaatsvinden aan het adres van [X] als bevoegde vertegenwoordiger van Dorel in Spanje.

2.4. Blijkens het door BBY en Canal in het geding gebrachte tussenvonnis van 9 juli 2003 heeft de rechter te Barcelona zich op genoemde datum bevoegd verklaard kennis te nemen van het aldaar aanhangige geschil tussen Dorel en BBY. Blijkens de door BBY overgelegde uitspraak van de Spaanse rechter van 5 december 2003 is het tegen voormelde beslissing door Dorel gedane verzet afgewezen. De Spaanse rechter heeft te dien aanzien onder meer overwogen als volgt:

"Welnu, zoveel is zeker dat Baby Pushchairs S.L. (BBY: rb.) haar vordering indient op 25-7-2002 en de dagvaarding van gedaagde tot twee keer toe richt aan het adres van wie, volgens hun, de handelsvertegenwoordiger was van gedaagde in Spanje ([X]), met negatief resultaat op 13-09-2002 en 14-10-2002. Naderhand, en nog steeds in de veronderstelling dat het aangeboden adres correct is, gaat de vorderende partij over tot de dagvaarding van gedaagde op haar adres in Nederland, wat geschiedt op 20-05-2003, waarna Dorel het verweer indient op 31-05-2003. Deze rechtbank is zeker van mening dat de vorderende partij handelde volgens het recht dat verleend wordt krachtens art. 51 Lec in verband met art.59.1 Verordening 44/2001, toen zij trachtte gedaagde te dagvaarden op het adres van diens vertegenwoordiger in Spanje...Uit de documenten die de vordering vergezellen en welke Baby naderhand inbrengt, blijkt dat [X] de distributeur van Dorel was, zoals door [X] zelf in zijn webpagina wordt erkend, evenals door degene die de deurwaarder te woord stond bij de gerechtelijke handeling van oktober 2002..".

Uit het door de Spaanse rechter overwogene blijkt genoegzaam dat naar Spaans recht (artikel 51 Lec) de kennisgeving als bedoeld in artikel 30 lid 1 van de EEX verordening van het stuk dat de procedure voor de rechter te Barcelona inleidde rechtsgeldig kon worden gedaan aan [X] als distributeur van Dorel in Spanje. Temeer nu als onvoldoende weersproken vast staat dat BBY, nadat [X] tot twee keer toe had geweigerd de kennisgeving in ontvangst te nemen, zo spoedig mogelijk Dorel op haar adres in Nederland in kennis heeft doen stellen, kan gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen van de Spaanse rechter aan BBY geen nalatigheid worden verweten en faalt het door Dorel gedane beroep op artikel 30 lid 1 van de EEX- verordening.

2.5. Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 2 van de EEX-Verordening onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak, voor zover dit betrekking heeft op de door Dorel gevorderde verklaring voor recht.

2.6. Artikel 5 van de EEX-verordening bevat alternatieve bevoegdheidsregels voor een aantal onderwerpen, waaronder verbintenissen uit overeenkomst en onrechtmatige daad (artikelen 5 sub 1 en 5 sub 2) Dorel baseert haar vordering sub b jegens BBY op de met BBY terzake gesloten koopovereenkomsten. Op grond van het in artikel 5 lid 1 sub b bepaalde is alternatief bevoegd het gerecht van de plaats waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden. Nu partijen het er niet over eens zijn dat er een plaats van levering is overeengekomen, zal de rechtbank aan de hand van de wet dienen vast te stellen waar de zaken geleverd hadden dienen te worden. Daartoe zal eerst dienen te worden vastgesteld welk rechtsstelsel van toepassing is op de overeenkomst en vervolgens waar de verbintenis volgens dat stelsel moet worden uitgevoerd. Nu in deze zaak voldaan is aan het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub a en artikel 100 van het Weens Koopverdrag (CISG) is het verdrag van toepassing op de overeenkomst. Ingevolge artikel 31 aanhef en sub c van het CISG dient geleverd te worden in de vestigingsplaats van de verkoper, Dorel. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vordering met betrekking tot de onbetaald gelaten facturen.

2.7. Dorel baseert haar vordering, voor zover ingesteld tegen Canal, op onrechtmatig handelen, in die zin dat Canal door aan hem in persoon toe te rekenen handelen, waaronder het leeghalen van BBY, betaling van de openstaande facturen van Dorel door BBY zou hebben verijdeld, waardoor Dorel schade zou hebben geleden. Met Dorel is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil tegen Canal kennis te nemen op grond van artikel 5 lid 3 van de EEX verordening. In het door Dorel genoemde Reinwater-arrest (HvJ 30-11-1976, NJ '77, 494) is reeds beslist dat de betekenis van de uitdrukking "plaats waar het schade toebrengende feit zich heeft voorgedaan" in artikel 5, sub 3 van het EEX Verdrag aldus moet worden bepaald dat aan de verzoeker de keuze wordt toegekend om zijn vordering in te stellen hetzij ter plaatse van het intreden der schade, hetzij ter plaatse van de veroorzakende gebeurtenis. Dit is niet anders onder de werking van de in casu toepasselijke EEX-verordening. De schade is ingetreden in Nederland. Hiervoor is reeds overwogen dat op de onderhavige koopovereenkomsten tussen Dorel en BBY de bepalingen van het Weens Koopverdrag (CISG) van toepassing zijn. Nu niet is gesteld of gebleken dat BBY en Dorel een andere plaats van betaling zijn overeengekomen of dat feitelijk elders werd betaald, diende overeenkomstig artikel 57 CISG betaling van de aan BBY naar onweersproken vast staat in Nederland geleverde zaken plaats te hebben in Nederland. De schade - het onbetaald blijven van de facturen - heeft zich dan ook in Nederland voorgedaan.

2.8. Gelet op het hiervoor overwogene, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak tussen BBY en Dorel voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht en voor het overige de incidentele vordering afwijzen.

2.9. De rechtbank acht niet uitgesloten dat in de in Barcelona aanhangige procedure en in de onderhavige procedure in de hoofdzaak er tegenstrijdige feitelijke oordelen of rechtsoordelen worden gegeven en is op die grond van oordeel dat er voor wat betreft de overige vorderingen in de hoofdzaak sprake is van samenhangende vorderingen met de in Barcelona aangebrachte vordering. Hiervoor is reeds geoordeeld dat laatstgenoemde vordering eerder is aangebracht. De rechtbank zal daarom artikel 28 lid 1 van de EEX-verordening toepassen en haar uitspraak aanhouden, totdat door de rechter in Barcelona is beslist.

2.10. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het incident tussen hen worden gecompenseerd als na te melden.

3. De beslissing

De rechtbank:

in het incident:

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht;

wijst voor het overige de incidentele vordering af;

compenseert de kosten van het incident tussen partijen aldus, dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

in de hoofdzaak:

houdt de zaak aan totdat in de bij de rechter in Barcelona tussen BBY en Dorel aanhangige procedure is beslist;

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 5 oktober 2005.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.