Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AP7586

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2004
Datum publicatie
19-08-2004
Zaaknummer
AWB 02/3396 AAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Namens eiser is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een terugvorderings- c.q. verrekeningsbesluit over de periode van 1 september 1992 tot 1 januari 1993 en over de periode van 1 januari 1993 tot 1 augustus 1993.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 02/3396 AAW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde C.R. van Mourik, verbonden aan ZR Belastingadviseurs te ’s-Hertogenbosch,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het UWV-kantoor te Zeist.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv.

Bij besluit van 26 februari 1998 heeft verweerder onder meer te kennen gegeven dat eisers uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) - berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100% - over de periode van 1 september 1992 tot 1 januari 1993 en over de periode van 1 januari 1993 tot 1 augustus 1993 met toepassing van (toenmalige) artikel 34 van die wet dient te worden verminderd, des dat eisers inkomen uit arbeid en zijn AAW-uitkering tezamen niet meer bedragen dan 85% van de desbetreffende AAW-grondslag. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 15 januari 2002 overwogen dat genoemd besluit geen betrekking heeft op terugvordering respectievelijk verrekening van de uitkering over genoemde perioden, dat het verweerder niet vrij staat te verrekenen zonder dat daarover een besluit wordt afgegeven en dat dit laatste - nu dit kennelijk nog niet had plaatsgevonden - alsnog diende te gebeuren.

Bij brief van 3 september 2002 heeft eisers gemachtigde zich vervolgens tot verweerder gewend met het volgende:

“Wij hebben onlangs contact gehad in het kader van de nog lopende bezwaarschriften en U verzocht de mogelijkheid te bezien of een mondelinge bespreking terzake van deze bezwaarschriften zou kunnen bijdragen tot een versnelde afhandeling van de aanwezige problematieken. Tot op heden mochten wij niets van u vernemen. Kunt u aangeven hoe de stand van zaken is ?”.

Daarna heeft eisers gemachtigde op 22 oktober 2002 een brief van de volgende inhoud aan verweerder gezonden:

“Op 3 september jl. verzochten wij U ons mede te delen hoe de stand van zaken is in bovengenoemde bezwaarschriften. Tot op heden mochten wij niets van u vernemen. Mede gezien het feit dat de bezwaarschriften reeds lang lopen en alle door de wet toegestane termijnen geruime tijd zijn verstreken, hadden wij een wat voortvarender aanpak verwacht. Nadrukkelijk doen wij in deze procedure een beroep op de mogelijkheid van een hoorzitting. Mochten wij voor 30 oktober a.s. niets van U hebben vernomen, gaan wij ervan uit dat hier sprake is van een zogenaamde fictieve weigering en zal beroep worden ingesteld tegen het niet afgeven van beslissingen.”.

Namens eiser is bij beroepschrift van 19 november 2002 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een terugvorderings- c.q. verrekeningsbesluit over de periode van 1 september 1992 tot 1 januari 1993 en over de periode van 1 januari 1993 tot 1 augustus 1993.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2004, waar voor eiser is opgetreden mr. M.L. Nouwens, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank stelt allereerst vast dat het volgens genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep nog door verweerder te nemen terugvorderings- of verrekeningsbesluit binnen een redelijke termijn na 29 januari 2002 (de datum van verzending van genoemde uitspraak) had moeten worden bekend gemaakt. Naar analogie van artikel 4.13 van de Awb was die termijn naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval acht weken na 29 januari 2002 verstreken.

De hierboven weergegeven brief van eisers gemachtigde d.d. 3 september 2002 dient naar het oordeel van de rechtbank (mede) te worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het uitblijven van een primair terugvorderings- of verrekeningsbesluit over de periode van 1 september 1992 tot 1 januari 1993 en de periode van 1 januari 1993 tot 1 augustus 1993. De brief van die gemachtigde van 22 oktober 2002 moet worden beschouwd als een aanvullend bezwaarschrift tegen (onder meer) dat uitblijven. Tevens zal de rechtbank het beroepschrift d.d. 19 november 2002 opvatten als te zijn gericht tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Nu verweerder niet binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift heeft beslist (zie artikel 7:10 van de Awb) zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank merkt hierbij op dat een zich in het dossier bevindend besluit van verweerder van 20 november 2002 op geen enkele manier betrekking heeft op terugvordering of verrekening van uitkering over de zojuist genoemde perioden.

Verweerder dient binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak van de rechtbank een besluit bekend te maken waarbij wordt uitgemaakt of er over meergenoemde perioden wel of niet wordt teruggevorderd respectievelijk verrekend en waarbij - indien wordt teruggevorderd respectievelijk verrekend - het volgens verweerder over die perioden te veel ontvangen uitkeringsbedrag inzichtelijk wordt berekend. De rechtbank wil hierbij nog onderstrepen dat - zoals ook de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in bovengenoemde uitspraak - het verweerder niet vrij staat te verrekenen zonder dat daarover een besluit is afgegeven. Indien verrekening over de hier aan de orde zijnde perioden inmiddels feitelijk zou hebben plaatsgevonden - volgens eisers gemachtigde ter zitting zou zulks inderdaad zijn gebeurd, terwijl verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat niet te weten - is dat geschied zonder geldige rechtsgrond.

De rechtbank zal voorts op grond van artikel 8:72, zevende lid, van de Awb bepalen dat het UWV aan eiser een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag dat verweerder niet aan deze uitspraak voldoet.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

· waarde per punt € 322,00

· wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 29,00 dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- bepaalt dat verweerder binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een primair besluit dient af te geven aangaande terugvordering respectievelijk verrekening van AAW-uitkering over de periode van 1 september 1992 tot 1 januari 1993 en over de periode van 1 januari 1993 tot 1 augustus 1993;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dwangsom van € 250,00 per dag verbeurt voor iedere dag dat verweerder na afloop van genoemde termijn in gebreke blijft genoemd besluit af te geven;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 29,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier op 18 maart 2004.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: