Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO9487

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
Awb 03/299 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AR8745
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu er geen wettelijk voorschrift (WHW) bestaat waaruit een recht op een proefstage voortvloeit, is de weigering een leersituatie als een dergelijke stage te erkennen geen Awb-besluit.

In hoger beroep uitspraak met verbetering gronden bevestigd; LJN AR8745.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 03/299

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiser], wonende te Bottmingen, Zwitserland, eiser,

[gemachtigde]

en

het College van beroep voor de Examens Fontys Hogescholen te Eindhoven, verweerder.

I. PROCESVERLOOP.

Op 26 september 2002 heeft de Examencommissie van de Engelstalige opleiding fysiotherapie van Fontys Hogescholen (verder: de Examencommissie) afwijzend beslist op eisers verzoek van 19 september 2002 om de door hem op 19 augustus 2002 aangevangen stage in het [werkgever] Ziekenhuis te Basel, Zwitserland te erkennen als stage (de rechtbank begrijpt: als 'proefstage') en afspraken te maken over de afronding en het tijdstip waarop het examen bewegingstherapie zou dienen te worden afgelegd.

Tegen deze beslissing heeft eiser bij brief van 24 oktober 2002 administratief beroep bij verweerder ingesteld.

Op 26 november 2002 heeft verweerder een hoorzitting gehouden waarin eisers standpunt is toegelicht.

Bij besluit van 29 januari 2003 heeft verweerder eisers administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 januari 2003, ter griffie ingekomen op 30 januari 2003, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 26 februari 2003 heeft eiser zijn beroepsgronden aangevuld.

Op 9 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift en de op het geding betrekking hebbende stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

20 februari 2004. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [gemachtigde] en [gemachtigde].

II. OVERWEGINGEN.

In geding is de vraag of verweerders besluit van 29 januari 2003, waarbij eisers administratief beroep tegen - onder meer - de weigering eisers stage in het [werkgever]ziekenhuis te Basel als (proef-)stage in het kader van de opleiding fysiotherapie aan te merken en te beoordelen ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Voorzover verweerders besluit betrekking heeft op eisers verzoek afspraken te maken over het tijdstip waarop het examen bewegingstherapie zou dienen te worden afgelegd, is dit niet langer in geschil, aangezien aan eisers verzoek is tegemoetgekomen. Eiser heeft immers ter zitting verklaard dat hem op 25 juni 2003 genoemd examen is afgenomen door de door hem geprefereerde docent. Daaraan kan niet afdoen, dat eiser ter zitting heeft geklaagd over de zijns inziens onjuiste wijze waarop dat examen is afgenomen.

Bij de beantwoording van eerder genoemde vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser volgt aan de Fontys Hogeschool de Engelstalige opleiding fysiotherapie. Op 21 maart 2002 heeft de Examencommissie besloten dat eiser niet mag beginnen met de zogeheten C.A.P. 3 (Clinical Affiliation Period 3 ook wel: officiële stage) aangezien hij een onvoldoende heeft behaald voor het vak bewegingstherapie en voor zijn afstudeerproject. Voorts werd besloten dat eiser bij [werkgever] een 'proefstage' zou lopen. Enerzijds om inzicht te verkrijgen in zijn eigen functioneren, anderzijds ter vervanging van zijn afstudeerproject als de 'proefstage' voldoende zou worden beoordeeld. Dit besluit is onherroepelijk, zoals eiser ter zitting ook uitdrukkelijk heeft verklaard. De proefstage is niet bevredigend verlopen en is door eiser na meerdere gesprekken met eisers mentor [betrokkene] op 24 april 2002 vroegtijdig beëindigd. Eiser is akkoord gegaan met een psychologisch onderzoek naar zijn studiebelemmeringen. Na een onderhoud met eiser heeft psycholoog [betrokkene] hem in mei 2002 geadviseerd om psychiatrische hulp te zoeken voor zijn problemen. De psycholoog signaleerde dat eiser problemen heeft met concentreren op zijn studie en met reflecteren op zijn eigen gedrag gedrag hierin. Eiser is daarop door een Zwitserse deskundige onderzocht. Volgens het verslag van 29 augustus 2002 van deze deskundige, prof.[betrokkene], bestaan er vanuit psychologisch oogpunt echter geen belemmeringen voor eiser om zijn studie op reguliere wijze af te ronden. Inmiddels was eiser met ingang van 19 augustus 2002 begonnen aan zijn stage in het [werkgever] Ziekenhuis te Basel. Zulks op basis van een stage-overeenkomst d.d. 19 december 2001 tussen Diakonat [werkgever] en Fontys Hogescholen. Op 25 november 2002 heeft eiser de stage in Basel met een voldoende afgesloten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers beroep vooreerst opgemerkt dat eiser door middel van onderhavige procedure ten ene male niet het door hem beoogde doel kan bereiken, namelijk erkenning door verweerder van de stage te Zwitserland. Een dergelijk resultaat kan enkel en alleen worden bereikt door te voldoen aan de daarvoor voorgeschreven toelatingsvereisten, onder meer bestaande uit het behalen van voldoendes voor het vak bewegingsleer alsook voor het afstudeerproject. Zolang dit niet het geval is, kan geen ander besluit dan het thans voorliggende worden genomen, zodat ook onderhavige procedure daarin geen verandering kan brengen.

Voorts heeft verweerder erop gewezen dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 7.61, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) niet over de bevoegdheid beschikt om tot erkenning van de stage te Zwitserland over te gaan. Hetgeen eiser in deze procedure verlangt, is derhalve ook om deze reden uitgesloten.

Ten aanzien van verweerders laatst genoemde stelling merkt de rechtbank op dat verweerder weliswaar niet bevoegd is in de plaats van een geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, maar dat dit er niet aan in de weg staat dat het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd ingevolge evengenoemde bepaling met inachtneming van verweerders uitspraak opnieuw in de zaak dient te voorzien. In zoverre heeft eiser er derhalve belang bij dat de rechtbank zijn beroep, voor zover mogelijk, beoordeelt.

De rechtbank verstaat eisers verzoek van 19 september 2002 aldus dat eiser zijn positief beoordeelde stage in Basel erkend wenst te zien als een vervanging van de onbevredigend verlopen en vroegtijdig op 24 april 2002 beëindigde proefstage te Eindhoven. Voorzover eiser bedoeld heeft te verzoeken zijn stage in Basel te erkennen als C.A.P. 3-stage, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat dit niet mogelijk is, aangezien de Manual Clinical Affiliation van september 2000 hieraan in de weg staat. Tussen partijen staat immers vast dat eiser een onvoldoende had behaald voor het vak bewegingstherapie en voor zijn afstudeerproject, zodat hij niet voldoet aan de 'Entry Level Requirements' voor C.A.P. 3, te weten 'succesfully completion of the previous theoretical and practical tests as well as the Thesis project'.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de beslissing van de Examencommissie om de stage in Basel niet te erkennen als proefstage in de hiervoor bedoelde zin een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling; dit is een handeling gericht op rechtsgevolg. Voor het antwoord op de vraag of de beslissing om de stage in Basel niet te erkennen als proefstage op rechtsgevolg is gericht, dan wel een feitelijke handeling betreft, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval beslissend of eiser recht heeft op een proefstage. Dit nu is niet het geval. Gesteld noch gebleken is dat er een wettelijk voorschrift of andere bepaling bestaat waaruit voor eiser het recht op een proefstage voortvloeit. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser een dergelijk recht evenmin ontlenen aan het eenmalige en gespecificeerde aanbod van de Examencommissie om hem ter vervanging van zijn afstudeerproject in staat te stellen bij wijze van uitzondering een proefstage te doen.Gelet hierop behelst de brief van de Examencommissie van 26 september 2002 geen publiekrechtelijke rechtshandeling en is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Nu geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb had verweerder eiser niet-ontvankelijk dienen te verklaren in zijn administratief beroep.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het administratief beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ? 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- waarde per punt ? 322,--;

- wegingsfactor 1.

De rechtbank zal op de voet van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb bepalen dat door Fontys Hogescholen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van ? 109,-- wordt vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit d.d. 29 januari 2003;

- verklaart eiser alsnog niet-ontvankelijk in zijn administratief beroep;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast Fontys Hogescholen om aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van ? 109,-- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op ? 644,--;

- wijst Fontys Hogescholen aan als rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. L.C. Michon als voorzitter en mr. E.F.G. Gelderman en mr. J.H.G. van den Broek als leden en in tegenwoordigheid van mr.drs. J.J.M. Goosen als griffier uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden: