Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO9339

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
08-07-2004
Zaaknummer
AWB 03/2331 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is op […] 1998 geboren met een open ruggetje en een waterhoofd. Een van de gevolgen hiervan is dat hij niet kan staan of lopen. De ouders van eiser hebben op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) een vergoeding voor een speciaal autostoeltje voor hem aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

AWB 03/2331 WVG

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder I.A. Roelse,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,

gemachtigde A.J.J. Manders, werkzaam bij verweerders gemeente.

I. PROCESVERLOOP

Eiser is op […] 1998 geboren met een open ruggetje en een waterhoofd. Een van de gevolgen hiervan is dat hij niet kan staan of lopen. Op 28 februari 2002 hebben de ouders van eiser op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) een vergoeding voor een speciaal autostoeltje voor hem aangevraagd. Bij besluit van 16 juli 2002 heeft verweerder een dergelijke vergoeding toegekend tot een bedrag van € 938,35. Namens eiser is hiertegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft verweerder bij besluit van 8 juli 2003 bepaald dat er terzake een nieuw besluit wordt genomen. Ter uitvoering hiervan heeft verweerder bij besluit van 17 juli 2003 de vergoeding voor het autostoeltje nader vastgesteld op € 1292,80.

Namens eiser is bij beroepschrift van 20 augustus 2003 beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2003, welk beroepschrift – gezien een brief van eisers moeder d.d. 6 november 2003 – geacht moet worden mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 17 juli 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 mei 2004, waar eisers moeder is verschenen. Verweerder heeft zich daar door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Eisers moeder heeft in een telefonisch contact met een functionaris van verweerder d.d. 17 juli 2003 medegedeeld dat zij voor genoemd autostoeltje niet meer zal aankloppen bij verweerders gemeente. Ter zitting heeft eisers moeder verklaard dat zij dit - ten gevolge van een ongelukkige samenloop van omstandigheden – in een opwelling heeft gezegd en dat zij wel degelijk nog aanspraak wil maken op een (hogere) vergoeding voor genoemd autostoeltje. Op grond hiervan acht de rechtbank het verantwoord aan te nemen dat eiser nog steeds procesbelang heeft bij het onderhavige geding.

Voorts wil de rechtbank verweerder er op wijzen dat krachtens inmiddels reeds lang gevestigde vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep het in strijd is met artikel 7:11, lid 2, van de Awb om bij een besluit op bezwaar het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat terzake een nieuw besluit zal worden genomen, zonder tegelijkertijd inhoudelijk over de zaak te beslissen. Het besluit van 8 juli 2003 zal daarom – met gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep - wegens strijd met de wet worden vernietigd.

Met betrekking tot het besluit van 17 juli 2003 is het volgende van belang.

Genoemd autostoeltje kostte ten tijde hier van belang € 2942,30. Verweerder heeft de eigen bijdrage van eisers ouders berekend op € 1649,80. Daartoe heeft verweerder de netto inkomsten uit arbeid van eisers ouders becijferd op € 2796,12 per maand. Partijen twisten over het punt of dat netto inkomen – overeenkomstig de wens van eisers moeder - moet worden verminderd met de kosten van kinderopvang ad € 507,00 per maand. Eisers moeder heeft aangevoerd dat zij en haar echtgenoot beiden in loondienst werkzaam zijn en dat dat uitsluitend mogelijk is door kinderopvang.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet kan worden verplicht genoemde vermindering toe te passen. Met name de definitie van het begrip “inkomen” in artikel 1.1, onder b, 2, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente ’s-Hertogenbosch 2002 (krachtens welke bepaling onder “inkomen” in een geval als het onderhavige wordt verstaan: het gezamenlijk bruto maand-inkomen van de ouders van de gehandicapte, inclusief overhevelingstoeslag en verminderd met de over het bruto maandinkomen verschuldige belasting, sociale verzekeringspremies en pensioenpremies) biedt geen mogelijkheid tot aftrek van de onderhavige kosten. Slechts bij de vaststelling van de WVG-draagkracht dienen bepaalde, uit de handicap voortvloeiende, kosten in mindering te worden gebracht (aldus artikel 4, lid 2, van de op de artikelen 5, lid 4, en 6, lid 3, van de WVG steunende ministeriële regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG van 19 november 1993 en tevens artikel 3 van het Financieel besluit voorzieningen gehandicapten gemeente ’s-Hertogenbosch 2002). De onderhavige kosten van kinderopvang kunnen echter niet als zodanige, uit eisers handicap voortvloeiende, kosten worden aangemerkt.

Evenmin kan worden gezegd dat verweerder door het niet-aftrekken van de kosten van kinderopvang (van het inkomen of van de draagkracht) de hoogte van de tegemoetkoming respectievelijk de hoogte van de eigen bijdrage niet juist afstemt op het gezamenlijk inkomen van eisers ouders (als bedoeld in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, van de WVG). Het gaat namelijk te ver om te zeggen dat kosten van kinderopvang onlosmakelijk verbonden zijn aan het verwerven van een arbeidsinkomen door beide ouders in een gezin. Er zijn immers ook andere oplossingen denkbaar. Het valt buiten het kader van de toepassing van de WVG om – ter bevordering van de arbeidsparticipatie van beide (huwelijks)partners – aan de hier gekozen oplossing de vanwege eiser gewenste consequenties te verbinden.

Gezien het vorenstaande dient het beroep tegen het besluit van 17 juli 2003 ongegrond te worden verklaard.

Er zijn geen termen om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Wèl zal de rechtbank – in verband met de gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit

van 8 juli 2003 – verweerders gemeente opdragen het vanwege eiser betaalde griffierecht aan eisers ouders te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep tegen verweerders besluit van 8 juli 2003 gegrond;

- vernietigt dat besluit;

- gelast de gemeente 's-Hertogenbosch aan eisers ouders te vergoeden het gestorte griffierecht ad € 31,00;

- verklaart het beroep tegen verweerders besluit van 17 juli 2003 ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Drs. M.T. Petersen als griffier op 19 mei 2004.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: