Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8950

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
103240 - HA ZA 03-2396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Psychische overmacht. Geestelijke tekortkoming. Toerekening op grond van artikel 6:165 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 103240 / HA ZA 03-2396

Datum uitspraak : 21 april 2004

Vonnis van de rechtbank [woonplaats], enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. T.P.M. Kouwenaar,

tegen:

[gedaagde],

[woonplaats]

gedaagde,

procureur mr. C.C.E. Wilschut,

als vervolg op het tussenvonnis d.d. 28 januari 2004.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "[gedaagde]" worden genoemd.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 1 april 2004.;

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1. Bij arrest van 9 april 2003 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch -voorzover hier van belang- bewezen verklaard dat [gedaagde] op 8 januari 2002 opzettelijk op [eiser] met een vuurwapen heeft geschoten, opleverende een poging tot doodslag. Het gerechtshof heeft [gedaagde] echter niet strafbaar geacht en hem ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het gerechtshof aannemelijk heeft geacht dat [gedaagde] handelde uit overmacht. Het gerechtshof heeft daartoe onder meer overwogen dat [gedaagde] op het moment van het bewezenverklaarde feit verkeerde in een zodanige acute stressstoornis dat het feit hem niet kan worden toegerekend en hem aldus geen verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen, nu hij daartoe door overmacht was gedwongen.

2.2. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] tegen dit arrest cassatieberoep heeft ingesteld zodat de rechtbank er vanuit gaat dat dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan. Het in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen arrest levert ingevolge artikel 161 Rv, behoudens tegenbewijs, dwingend bewijs op van het bewezenverklaarde feit. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat hij op [eiser] heeft geschoten, zodat daarmee vaststaat dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

2.3. De vorderingen van [eiser] strekken -kort gezegd- tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van het door [gedaagde] toegebrachte lichamelijke en psychische letsel heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] jegens hem een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd. [gedaagde] heeft zich ter afwering van zijn aansprakelijkheid beroepen op het feit dat hij handelde uit een overmachtsituatie.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] ten tijde van schieten verkeerde in een acute stresssituatie (overmachtsituatie) en het feit om die reden in strafrechtelijke zin niet aan hem kan worden toegerekend. Partijen verschillen echter van mening of de onrechtmatige daad in civielrechtelijke zin aan [gedaagde] kan worden toegerekend.

2.5. Nu vaststaat dat [gedaagde] ten tijde van het schieten ontoerekeningsvatbaar was, kan de onrechtmatige daad hem niet op grond van schuld worden toegerekend. Echter, ingevolge artikel 6:162 BW kan een onrechtmatige daad aan de dader worden toegerekend, niet alleen indien zij te wijten is aan zijn schuld maar ook indien zij te wijten is aan een oorzaak welke krachtens de wet (of de in het verkeer geldende opvattingen) voor zijn rekening komt. Ingevolge de wet, in casu artikel 6:165 lid 1 BW, vormt een geestelijke tekortkoming geen beletsel de gedraging als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Over de vraag welke psychische stoornissen en gebreken als een tekortkoming in de zin van artikel 6:165 BW kunnen worden beschouwd, zijn in de wetsgeschiedenis weinig aanknopingpunten te vinden. Echter, de strekking van deze bepaling, zijnde dat het onbillijk wordt geacht dat het slachtoffer de hem op onrechtmatige wijze toegebrachte schade zelf zou moeten dragen, rechtvaardigt een zodanige uitleg van het begrip geestelijke tekortkoming dat ook de psychische nood (overmacht) en/of (tijdelijke) niet-toerekeningsvatbaarheid hieronder moet worden begrepen (vgl. HR 23 juni 1998, NJ 1998, 860 en HR 23 november 2001, AD3971).

2.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] jegens [eiser] een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd op grond waarvan hij verplicht is de schade die [eiser] dientengevolge lijdt en heeft geleden te vergoeden.

2.7. Kennelijk subsidiair beroept [gedaagde] zich op een zodanige eigen schuld aan de zijde van [eiser] dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] daardoor is komen te vervallen.

2.8. Tussen partijen staat vast dat [eiser] zich midden in de nacht wederrechtelijk in de achtertuin van [gedaagde] bevond met de bedoeling om aldaar levensmiddelen weg te nemen uit een schuurtje. Deze omstandigheid was voor [gedaagde] aanleiding om zich gewapend met een geweer naar buiten te begeven en vervolgens te schieten. De schade die [eiser] heeft geleden omdat hij door een kogel werd geraakt, is dan ook mede het gevolg van een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend. Als hij zich niet als een dief in de nacht in de tuin van [gedaagde] zou hebben bevonden, zou het niet tot een gewelddadig treffen zijn gekomen. Echter, het schieten met een geweer als reactie op het wederrechtelijke optreden van [eiser] moet als buitenproportioneel worden beoordeeld. De rechtbank acht de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid dan ook van veel minder betekenis voor het ontstaan van de schade dan de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schade van

[eiser] voor 25% moet worden toegerekend aan het gedrag van [eiser] zelf en [gedaagde] aldus voor 75% aansprakelijk moet worden geacht voor de schadelijke gevolgen van het schietincident.

2.9. De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiser] als gevolg van het hem toegebrachte letsel schade heeft geleden. [eiser] stelt dat de schade zich thans nog niet laat begroten omdat er nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Zo zou hij te kampen hebben met ernstige darmklachten, waarvoor hij onder behandeling is en wellicht een operatie is geïndiceerd. Daarnaast zou hij voor zijn psychische klachten onder behandeling zijn van een psychiater. Nu [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlangde schadestaatprocedure, zal de rechtbank de schadebegroting naar een schadestaatprocedure verwijzen.

2.10. [eiser] vordert thans reeds, vooruitlopend op de schadestaatprocedure, een bedrag van € 5.000,00 als voorschot op de door hem geleden immateriële schade. Uit de door [eiser] bij dagvaarding overgelegde medische bescheiden van het Penitentiair Ziekenhuis Scheveningen d.d. 1 februari 2002 en het Jeroen Bosch Ziekenhuis d.d. 9 januari 2002 blijkt van een schotverwonding aan de buik en perforatie van de darmen, ten gevolge waarvan [eiser] een week in het ziekenhuis heeft gelegen en een operatie heeft ondergaan waarbij de kogel is verwijderd. Gelet op de aard van deze verwondingen acht de rechtbank het aannemelijk dat de totale te vergoeden schade tenminste € 4.000,000 zal bedragen. De definitieve schadevergoeding zal moeten worden vastgesteld in de schadestaatprocedure.

2.11. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de in de schadestaatprocedure vast te stellen schade vanaf 9 januari 2002 (de dag volgend op die van het schietincident). Die vordering zal worden afgewezen, omdat de wettelijke rente deel uitmaakt van de in de schadestaatprocedure te begroten schade en in die procedure zal moeten worden vastgesteld vanaf welke datum de wettelijke rente over de respectievelijke schadeposten verschuldigd is.

3. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen 75% van de schade, die [eiser] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting aan [eiser] te betalen, bij wijze van voorschot op die schadevergoeding, een bedrag van € 4.000,00 (zegge vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 januari 2002 tot aan de dag van de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op € 988,16, waarvan:

- € 81,16 kosten dagvaarding (deurwaarderskantoor N.A. Hofman te 's-Hertogenbosch),

- € 183,75 in debet gesteld vast recht,

- € 61,25 betaald vast recht,

- € 662,00 salaris procureur inclusief de betaalde eigen bijdrage,

te voldoen aan de griffier van deze rechtbank, bij voorkeur door gebruik te maken van de vanwege de griffier toe te zenden acceptgirokaart;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Riemens, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.