Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8345

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-04-2004
Datum publicatie
26-04-2004
Zaaknummer
Awb 03 / 930 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tenten met een oppervlakte van 1200 c.q. 720 m2 moeten als bouwwerken worden beschouwd, waarop de Brandbeveiligingsverordening niet van toepassing is. Besluit tot toepassing bestuursdwang onbevoegd genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 03/930

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

1. de besloten vennootschap [eiseres] te Best en

2. de besloten vennootschap [eiseres] te Wernhout,

hierna te noemen: eiseressen,

[gemachtigde], advocaat te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 8 mei 2002 heeft verweerder [eiseres] (hierna: eiseres 1) gelast om op dezelfde dag, uiterlijk om 18.00 uur, de geconstateerde overtreding van artikel 2.2.1 van de Brandbeveiligingsverordening Eindhoven 1993 (Bbv), juncto artikel 2, vierde lid, van bijlage 4 bij de Bouwverordening van de gemeente Eindhoven ongedaan te maken op straffe van de toepassing van bestuursdwang.

Tegen dit besluit hebben eiseressen op 17 juni 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 februari 2003 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseressen op 1 april 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 13 februari 2004 behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer, waar namens eiseres 1 [gemachtigde] is verschenen. [eiseres] (hierna: eiseres 2) is ter zitting vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Tevens was voor eiseres 2 [gemachtigde] aanwezig. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door [gemachtigde] en [gemachtigde], werkzaam bij verweerders gemeente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is of verweerders besluit van 14 februari 2003, waarbij de bezwaren van eiseressen tegen verweerders besluit van 8 mei 2002 ongegrond zijn verklaard en dat besluit onverkort is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de velums (wand- en plafondversierselen) in de tijdelijke inrichting (bestaande uit tenten) ten behoeve van het Internationale Concours Hippique in Eindhoven niet voldoen aan de daaraan ingevolge de Bbv gestelde eisen.

Volgens verweerder bleek uit een door de brandweer uitgevoerde praktijkproef met een monster van het materiaal van de velums weliswaar dat dit materiaal zelfdovend is en derhalve - anders dan in het primaire besluit aangegeven - van een overtreding van de aan de voor de tijdelijke inrichting verleende gebruiksvergunning verbonden voorschriften geen sprake meer is, maar dat dit materiaal in geval van brand leidt tot druppelvorming.

Omdat uit een hercontrole op 7 mei 2002 bleek dat er geen aanpassingen waren verricht ter voorkoming van druppelvorming, heeft verweerder besloten om het besluit tot toepassing van bestuursdwang te handhaven.

Eiseressen kunnen zich niet met dit besluit verenigen. Zij voeren aan dat verweerder ten onrechte tot toepassing van bestuursdwang is overgegaan, omdat er geen sprake was van overtreding van een wettelijk voorschrift. Bovendien is het bestreden besluit in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur tot stand gekomen. Tot slot voeren eiseressen aan dat verweerder ten onrechte niet heeft besloten tot vergoeding van de door hen ten gevolge van het besluit tot toepassing van bestuursdwang geleden schade.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat eiseressen verweerder in hun bezwaarschrift hebben verzocht om de schade, die zij tengevolge van het besluit van 8 mei 2002 stellen te hebben geleden, te vergoeden.

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing omtrent dit - overigens niet onderbouwde - verzoek in het bestreden besluit het karakter heeft van een primair besluit. Omdat, ingevolge artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, degene aan wie het recht is toegekend om tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar moet maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, moet het bij de rechtbank ingediende beroepschrift, voor zover het het niet vergoeden van schade betreft, worden aangemerkt als een bezwaarschrift. De rechtbank is niet bevoegd om van dit deel van het geschil kennis te nemen en zal zich in zoverre dan ook onbevoegd verklaren. Zij zal het beroepschrift dan ook, ter behandeling van het daarin opgenomen bezwaar, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorzenden aan verweerder.

Uit de gedingstukken kan verder worden afgeleid dat het besluit van 8 mei 2002 niet tot eiseres 2 is gericht. Weliswaar blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat eiseres 2, als verhuurster van de tenten, enig belang heeft bij dit besluit, maar dit belang is primair gelegen in de nakoming van de huurovereenkomst en de mogelijkheid om soortgelijke tenten ook in de toekomst - ook aan anderen - te kunnen blijven verhuren. Het betreft hier naar het oordeel van de rechtbank een afgeleid belang en niet een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Eiseres 2 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen belanghebbende als bedoeld in dat wetsartikel.

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres 2 dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht. Het beroep is in zoverre reeds hierom gegrond.

Met betrekking tot het beroep van eiseres 1 overweegt de rechtbank verder als volgt.

In artikel 1.2 van de Bbv is bepaald dat deze verordening niet van toepassing is op bouwwerken als bedoeld in de Woningwet en de bouwverordening.

In casu bestaat de tijdelijke inrichting aan de [adres] te Eindhoven uit onder meer een tweetal door eiseres 2 geleverde en ingerichte tenten met een oppervlakte van respectievelijk ongeveer 1200 en ongeveer 720 m2. De voor de inrichting verleende gebruiksvergunning heeft betrekking op de periode van 19 april 2002 tot en met 15 mei 2002.

De rechtbank ziet zich, gezien het bepaalde in artikel 1.2 van de Bbv, allereerst gesteld voor de vraag of de tenten al dan niet moeten worden aangemerkt als een bouwwerk.

Onder een bouwwerk moet, ingevolge de Bouwverordening van de gemeente Eindhoven, worden verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of enig ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

De rechtbank is van oordeel dat de tenten aan deze omschrijving voldoen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft zich in haar uitspraak van 7 juni 2001, nr. 200000506 (Gemeentestem no. 7154, 7), uitgelaten over de toepasselijkheid van onder meer de artikelen 40 en 44 van de Woningwet op het tijdelijk plaatsen van een tent. De ABRS overwoog in die uitspraak dat de aanwezigheid van een tent gedurende niet meer dan in totaal eenendertig - al dan niet aaneengesloten - dagen per kalenderjaar geen blijvende planologische gevolgen heeft voor het desbetreffende gebied. Volgens de ABRS kan de plaatsing van een tent gedurende een dergelijke periode in elk geval niet worden aangemerkt als activiteit waarvoor een bouwvergunning vereist is.

De ABRS vernietigde bij deze uitspraak de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 17 december 1999, die had overwogen dat een tent met een grondoppervlak van 30 bij 25 meter, gelet op de omvang van de constructie, de noodzakelijke verankering op de grond, alsmede het plaatsgebonden karakter, niettegenstaande de betrekkelijk korte duur van de plaatsing, een bouwwerk in de zin van de Woningwet is.

De ABRS kende in genoemde uitspraak eveneens betekenis toe aan het in haar uitspraak van 2 februari 1995, no. R03.91.0975 (Bouwrecht 1995/409) overwogene. De desbetreffende overwegingen behelzen dat voor het plaatsen van tribunes gedurende een periode van ten hoogste drie weken geen bouwvergunning vereist is.

De rechtbank is van oordeel dat, ook al is bij de uitspraak van de ABRS van 7 juni 2001 de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen vernietigd, uit die uitspraak niet kan worden afgeleid dat de ABRS van oordeel is dat een tent als waarvan in dat geval sprake was, niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ABRS bij haar uitspraak enkel de in hoger beroep opgeworpen vraag beantwoord of voor het bouwwerk een bouwvergunning nodig was en niet of van een bouwwerk sprake was. Uitgaande van de beantwoording van die vraag lijkt de ABRS impliciet te hebben aangenomen dat het oprichten van een tent van 30 bij 25 meter in het desbetreffende geval als bouwen in de zin van de Woningwet diende te worden beschouwd. In het geval geen sprake is van een bouwwerk, is beantwoording van de vraag of een bouwvergunning nodig is in verband met de tijdelijke aanwezigheid van het betrokken object immers niet opportuun.

De rechtbank komt, op grond van het vorenoverwogene, tot het oordeel dat de ten behoeve van het Concours Hippique opgerichte tenten bouwwerken zijn. Dientengevolge is, gelet op het bepaalde in artikel 1.2 van die verordening, op deze tenten de Bbv niet van toepassing.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder, ten aanzien van eiseres 1, niet wegens de overtreding van artikel 2.2.1 van de Bbv, juncto artikel 2, vierde lid, van bijlage 4 bij de Bouwverordening van de gemeente Eindhoven, van de hem in het algemeen toekomende bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang gebruik mocht maken.

Het beroep is derhalve, zij het op andere dan door eiseres 1 aangevoerde gronden, gegrond.

Het bestreden besluit kan, gelet op het vorenoverwogene, niet in stand blijven.

De rechtbank ziet, gelet op hetgeen zijn hiervoor heeft overwogen, aanleiding om, met toepassing van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, het bezwaar van eiseres 2 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, verweerders bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 8 mei 2002 te herroepen en haar uitspraak voor het bestreden besluit in de plaats te stellen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ? 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

( 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

( 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

( waarde per punt ? 322,--;

( wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat eiseressen het ten behoeve van de behandeling van hun beroep gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart zich onbevoegd, voorzover het beroep is gericht tegen de weigering van verweerder tot vergoeding van schade;

- verklaart het beroep van eiseressen voor het overige gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het bezwaar van eiseres 2 alsnog niet-ontvankelijk;

- herroept verweerders besluit van 8 mei 2002 en stelt haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten, begroot op ? 644,--;

- wijst de gemeente Eindhoven aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- gelast de gemeente Eindhoven eiseressen het gestorte griffierecht ten bedrage van ? 232,-- te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier op 16 april 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

5

5

AWB 03/930